Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-06-18
ECLI:NL:PHR:2019:596
Strafrecht
491 tokens
=== CONCLUSIE ===
G. Knigge
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
De economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 16 april 2015 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de door de rechtbank Noord-Nederland mondeling gegeven beslissing van 12 juni 2014.
Er bestaat samenhang met de zaak 18/05081. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
De advocaat-generaal bij het hof heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de door de rechtbank op 12 juni 2014 gegeven beslissing geen einduitspraak is in de zin van art. 138 Sv waartegen hoger beroep open staat, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
De relevante overwegingen van de rechtbank en het hof zijn gelijkluidend aan die in de samenhangende zaak 15/02248E, waarin de Hoge Raad op 5 januari 2016 uitspraak deed (ECLI:NL:HR:2016:1). Ik concludeer dan ook dat het middel op de in dit arrest vermelde gronden terecht is voorgesteld.
4. Het middel slaagt.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, om opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG