Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-03-19
ECLI:NL:PHR:2019:396
Strafrecht
1,290 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 20 juli 2017 vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde en wegens meer subsidiair “eenvoudige belediging” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mrs. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.
3. Het middel klaagt over de ontoereikende verwerping van het verweer dat de uitlatingen niet gekwalificeerd kunnen worden als strafbare belediging, aangezien zij ertoe strekten een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, niet onnodig grievend zijn geweest en de verdachte zich heeft verdedigd in een maatschappelijk debat over zijn strafzaak.
4. De verdachte, die in den lande enige bekendheid geniet, onder meer als […] , is verwikkeld in een zogeheten ‘vechtscheiding’ met zijn ex-vrouw, [benadeelde] . In reactie op een interview dat zij had gegeven aan De Telegraaf heeft hij zich in datzelfde medium in minder vleiende bewoordingen uitgelaten over zijn ex. Het interview en de reactie zijn beide gepubliceerd op 19 september 2015.
5. Het gerechtshof heeft bewezen verklaard dat:
hij op 19 september 2015 te Nederland, opzettelijk [benadeelde] in het openbaar bij geschrift, heeft beledigd, door in een reactie op een krantenartikel (Telegraaf) aan te geven dat die [benadeelde]
- een bipolaire stoornis heeft en
- een zogenaamde golddigger is en
- een incestverleden heeft en
- een alcoholverslaving heeft en
- een cocaïneverslaving heeft.
6. De verdachte heeft deze uitlatingen blijkens de bewijsmiddelen die het hof heeft opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest volmondig erkend.
7. Ter terechtzitting van 6 juli 2017 heeft de verdediging volgens het proces-verbaal van die terechtzitting en de daaraan gehechte pleitaantekeningen onder meer de strafbaarheid van de meer subsidiair ten laste gelegde ‘eenvoudige belediging’ aangevochten. Het hof heeft dit verweer in het bestreden arrest als volgt verworpen:
“De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het meer subsidiaire tenlastegelegde feit niet gekwalificeerd kan worden als strafbare belediging. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte zich heeft verdedigd in een maatschappelijk debat over zijn strafzaak. Ook heeft verdachte zich niet onnodig grievend uitgelaten over zijn ex-vrouw.
Het hof acht niet aannemelijk geworden dat hier sprake is van uitingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen. Daarnaast is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de uitingen van verdachte onnodig grievend zijn.
Het verweer wordt daarom verworpen.”
8. Allereerst klaagt het middel dat het hof hiermee voorbij is gegaan aan het bepaalde in lid 2 van artikel 266 Sr.
9. Die bepaling houdt het volgende in:
“Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.”
10. ‘ ‘s Hofs oordeel dat “niet aannemelijk [is] geworden dat hier sprake is van uitingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen” acht ik allerminst onbegrijpelijk. Onder het begrip ‘openbare belangen’ wordt niet geschaard het (vermeende) belang om vrijelijk andere individuen te diskwalificeren, ook niet indien de betrokkenen de publiciteit niet schuwen.
11. Het middel klaagt ten tweede dat het hof artikel 10 lid 2 EVRM heeft miskend doordat de uitlatingen van de verdachte moeten worden aangemerkt als kritiek op de rechtspraak en zij dus onderdeel zijn van het publieke of maatschappelijke debat dat onder de bescherming van die verdragsbepaling valt.
12. Het hof heeft in dit verband geoordeeld “dat de uitingen van verdachte onnodig grievend zijn.” Dat oordeel acht ik geenszins onbegrijpelijk.
13. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
14. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte op de voet van artikel 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie voor een exegese van de wetsgeschiedenis van art. 266 lid 2 Sr: A.J. Machielse in: Noyon, Langemeijer & Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (elektronische versie, bijgewerkt tot 15 augustus 2018), aant. 7 bij art. 266.
Zie in dit verband de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken d.d. 23 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:24, vóór HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282 m.nt. Dommering.