Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-02-06
ECLI:NL:PHR:2018:94
Strafrecht
1,962 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft in een bij verstek gewezen arrest van 21 mei 2015 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 maart 2014. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens 1. “opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, terwijl die minderjarige ten tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaren oud is” en 2. en 3. telkens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander, beschadigen” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt dat het hof de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2015 en/of de inleidende dagvaarding ten onrechte niet nietig heeft verklaard, althans dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst en ten onrechte verstek heeft verleend.
3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2015 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
(…)
De voorzitter deelt mede dat er geen adres van verdachte in Nederland bekend is. Er is wel een adres bekend in Bulgarije. De oproeping is, inclusief vertaling, naar dit adres verzonden. Bij het adres is weliswaar geen postcode opgenomen, maar het adres is duidelijk omschreven en de oproeping is niet retour gekomen.
De voorzitter deelt mede dat er naast het adres in Bulgarije sprake is van een postadres, namelijk Postbus [001] in Hoofddorp. Blijkens stukken die door de advocaat-generaal zijn overhandigd, is ook naar dit adres een afschrift van de oproeping verzonden, inclusief vertaling.
De advocaat-generaal verzoekt verstek te verlenen tegen de niet verschenen verdachte. Verdachte dient voorts op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk te worden verklaard in het door hem ingestelde appel, nu hij geen bezwaren tegen het vonnis heeft ingediend, aldus de advocaat-generaal.
De zitting wordt korte tijd onderbroken voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter mede - zakelijk weergegeven - :
Verdachte is rechtsgeldig opgeroepen voor de zitting van vandaag. Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
3.2.
Het middel bevat vijf deelklachten. De vierde deelklacht, dat het hof de inleidende dagvaarding nietig had dienen te verklaren nu onvoldoende blijkt dat deze naar Bulgarije is gezonden en op de akte van uitreiking geen aantekening is gemaakt van de datum van verzending van de dagvaarding, zal ik als eerste bespreken omdat dit de meest verstrekkende klacht is.
3.3.
Uit de stukken van het geding blijkt met betrekking tot de betekening van de inleidende dagvaarding het volgende:
i) Een akte van uitreiking, gehecht aan een dubbel van de inleidende dagvaarding, vermeldt dat de dagvaarding op 16 januari 2014 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en dat voorts een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats], Bulgarije. De datum waarop het afschrift van de dagvaarding zou zijn verzonden, is echter niet ingevuld op de akte van uitreiking.
ii) Een ID-staat SKDB d.d. 16 januari 2014, eveneens gehecht aan het dubbel van de inleidende dagvaarding, houdt in dat sinds 9 januari 2013 het GBA-adres van de verdachte [a-straat 1], [plaats] in Bulgarije is.
3.4.
Indien als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een basisregistratie personen, niet in Nederland is gedetineerd en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland maar wel een adres in het buitenland bekend is, dient de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie te geschieden. Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Als datum waarop die betekening plaatsvindt, geldt de datum van de verzending van de dagvaarding, waarvan aantekening dient te worden gemaakt in de akte van uitreiking.
3.5.
In het onderhavige geval is de datum van de verzending van de dagvaarding niet aangetekend in de akte van uitreiking, terwijl uit de stukken van het geding ook overigens niet blijkt dat de dagvaarding is verzonden naar het adres van de verdachte in Bulgarije. Het in het arrest van het hof besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, is zonder nadere motivering dan ook niet begrijpelijk. Om doelmatigheidsredenen kan de Hoge Raad de inleidende dagvaarding zelf nietig verklaren.
3.6.
Hoewel de vierde deelklacht naar mijn mening doel treft en tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden, zal ik de eerste en de tweede deelklacht toch bespreken voor het geval de Hoge Raad met betrekking tot de vierde deelklacht tot een ander oordeel komt.
3.7.
De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2015 is verzonden naar het adres van de verdachte in Bulgarije, aangezien de velden op de akte van uitreiking met betrekking tot de verzending van de oproeping volgens de steller van het middel leeg zijn gelaten. De tweede deelklacht houdt in dat zich bij de stukken van het geding geen akte van uitreiking bevindt waaruit blijkt dat de oproeping is verzonden aan het postadres van de verdachte, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is geschiedt. Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.8.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich, voor zover hier van belang, de volgende stukken:
i) een ID-staat SKDB d.d. 8 mei 2015 waaruit blijkt dat sinds 24 maart 2014 het GBA-adres van de verdachte [a-straat 1], [plaats] te Bulgarije is;
ii) een akte rechtsmiddel inhoudende dat de verdachte op 10 juni 2014 ter griffie van de rechtbank Midden-Nederland hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis d.d. 4 maart 2014. Op deze akte is geschreven “postadres: [001] Hoofddorp”;
iii) een akte van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting van 21 mei 2015 inhoudende dat de oproeping op 17 april 2015 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.