Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2018-12-13
ECLI:NL:PHR:2018:1456
Strafrecht
[betrokkene] Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van 11 december 2018 van mr. N.G. Zandee, Hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Amsterdam, met het verzoek op de voet van art. 510 Sv een ander gerecht aan te wijzen voor de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] , op het moment van aanhouding (op 19 april 2017) plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket. Op 16 januari 2017 is door een vader bij de zedenpolitie van de politie-eenheid Amsterdam aangifte gedaan van een zedenmisdrijf waarbij diens zoon als minderjarig slachtoffer is aangemerkt. De aangifte ziet op:- het seksueel binnendringen van het lichaam van iemand beneden de zestien jaar (art. 245 Sr);- ontucht met iemand beneden de zestien jaar (art. 247 Sr);- het verleiden van een minderjarige tot ontucht (art. 248a Sr) en- ontucht met een minderjarige prostitué (art. 248b Sr). Het verzoekschrift houdt in dat uit het politieonderzoek twaalf verdachten naar voren zijn gekomen, waaronder betrokkene. De Hoofdofficier van Justitie schrijft in het verzoekschrift dat de zaak tegen betrokkene nagenoeg gereed is voor inhoudelijke behandeling ter terechtzitting, “nu ook de meeste onderzoekswensen van de verdediging zijn afgehandeld door de rechter-commissaris in Amsterdam”. In het verzoekschrift geeft de Hoofdofficier van Justitie de volgende verklaring waarom pas nu een verzoek als bedoeld in art. 510 Sv wordt gedaan: “Door de toenmalige parketleiding is er aanvankelijk (begin 2017) niet voor gekozen om ten aanzien van [betrokkene] een verzoek te doen als bedoeld in artikel 510 Wetboek van strafvordering. Interne discussie of deze procedure nu wel of niet van toepassing is op Officieren van Justitie van het Functioneel Parket, heeft mij echter doen besluiten om zorgvuldigheids- en volledigheidshalve advies in te winnen bij het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (hierna W.B.O.M.). Dit advies d.d. 12 november 2018 voeg ik integraal als bijlage bij dit verzoek. Het is evident dat de gevolgen (m.n. nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting) van het ten onrechte niet volgen van de procedure van art. 510 Wetboek van Strafvordering, veel ernstiger zijn dan de gevolgen van het (onverhoopt) onnodig wel volgen van deze procedure. Meer principieel ben ik van opvatting dat de norm dat een rechterlijk ambtenaar wordt vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem zo veel mogelijk wordt vermeden, ook van toepassing is op collega’s van het Functioneel Parket. Hierbij volg ik dan ook het advies van het W.B.O.M. en ik verzoek u op grond van artikel 510 van het wetboek van Strafvordering om, alvorens er enige definitieve vervolgingsbeslissing wordt genomen, een gerecht aan te wijzen waar de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] zal dienen plaats te vinden.” 5. Het advies van het W.B.O.M. houdt ten aanzien van de toepassing van art. 510 Sv bij verdenking tegen een officier van justitie van het Functioneel Parket, zakelijk weergegeven, met weglating van verwijzingen naar de literatuur en rechtspraak, het volgende in: In de parlementaire stukken inzake de instelling van het functioneel parket is geen aandacht besteed aan de verhouding tot artikel 510 Sv. Gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad over het al dan niet van toepassing zijn van artikel 510 Sv bij verdenking tegen een officier van justitie bij het functioneel parket, is er niet. Gewezen wordt op een verdenking tegen een officier van justitie bij het arrondissementsparket te dat hij zich schuldig had gemaakt aan het misdrijf omschreven in artikel 240b Sr. In die zaak wees de Hoge Raad de rechtbank te ’s-Gravenhage aan als bevoegd gerecht. Daaraan stond niet in de weg dat de betrokkene inmiddels werkzaam was geworden bij het functioneel parket. In de literatuur komt de kwestie beperkt aan de orde. Een eenduidig gedeeld standpunt is er niet. Volgens Borgers en Kooijmans, in hun bewerking van Corstens handboek over het Nederlandse strafprocesrecht (9e druk, p. 182), is het de vraag of de regeling ook de leden van het College van procureurs-generaal en ook die van het functioneel parket, het landelijk parket en het parket CVOM betreft, nu deze leden van het OM geen aanstelling bij één speciaal gerecht hebben. Het W.B.O.M. wijst in dit verband nog op artikel 6.1.4.1, eerste lid, van het concept-wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (van 5 december 2017), dat luidt: “Indien de officier van justitie op de hoogte komt van enige informatie die duidt op het begaan van een strafbaar feit door een rechterlijk ambtenaar, genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 2, 3, 6, 7, en 10 van de Wet op de rechterlijke organisatie, verzoekt hij – door tussenkomst van zijn hoofdofficier van justitie – de Hoge Raad, een rechtbank aan te wijzen in een ander ressort dan waar de rechterlijk ambtenaar werkzaam is aan te wijzen voor de kennisneming van het strafbare feit. Indien de rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij het landelijk parket of het functioneel parket, wijst de Hoge Raad niet de rechtbank Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel of Rotterdam aan.” In de Memorie van Toelichting bij dit concept-wetsvoorstel wordt met betrekking tot dit artikellid gesteld dat in de literatuur de vraag gesteld wordt of de regeling ook de leden van het College van procureurs-generaal van het OM betreft, die geen aanstelling hebben bij één speciaal parket. Een vergelijkbare vraag kan volgens de Memorie van Toelichting worden gesteld voor de officieren van justitie bij het functioneel parket en het landelijk parket die hun bevoegdheden bij meerdere gerechten uitoefenen. Specifiek voor rechterlijke ambtenaren bij het functioneel parket en het landelijk parket is – ter beantwoording van de hierboven genoemde vraag – in de wettekst bepaald dat de Hoge Raad een ander arrondissementsparket en een andere rechtbank aanwijst dan waar deze rechterlijke ambtenaren hun bevoegdheden uitoefenen, te weten Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel en Rotterdam, aldus de Memorie van Toelichting. In dit kader is van belang dat volgens artikel 6.1.4.1, vierde lid, Sv van genoemd concept-wetsvoorstel de Hoge Raad, alvorens te beslissen, de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan opdragen verslag te doen. Ten behoeve van dit verslag kan deze procureur-generaal de officier van justitie opdragen stukken te overleggen en onderzoek verrichten. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het concept-wetsvoorstel kan de Hoge Raad door genoemd verslag van de procureur-generaal bijvoorbeeld inzicht krijgen in eerdere standplaatsen van de betrokken rechterlijke ambtenaar wat van belang kan zijn voor de door de Hoge Raad aan te wijzen rechtbank. Juist bij officieren van justitie bij het functioneel parket (of landelijk parket of parket CVOM) zou bij de Hoge Raad behoefte kunnen bestaan aan een dergelijk inzicht in de plaats van functie-uitoefening in het verleden en heden. Er bestaat volgens het W.B.O.M. al met al geen zekerheid over de toepasselijkheid van artikel 510 Sv bij een verdenking gerezen tegen een officier van justitie bij het functioneel parket.