Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-10-30
ECLI:NL:PHR:2018:1201
Strafrecht
1,916 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 20 april 2017 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat het hof de namens de verdachte gedane getuigenverzoeken ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2017 blijkt – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende:
“De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:
Er is hoger beroep ingesteld omdat cliënt het niet eens is met de bewezenverklaring en met de opgelegde straf.
Ik wil een verzoek tot het horen van getuigen indienen. Ik neem thans waar voor mr. IJsseldijk, die ziek is.
Client is heel stellig in zijn ontkenning. Cliënt betwist de belastende verklaringen die over zijn betrokkenheid zijn afgelegd. Die verklaringen zijn niet betrouwbaar, gelet op de wijze waarop die verklaringen tot stand zijn gekomen. Ik verwijs naar hetgeen er op pagina 90 van het politie-onderzoek is geschreven over het verhoor van [betrokkene 1] . Dat wijst er op dat er al eerder een gesprek is geweest. Ik verwijs naar hetgeen er te lezen is in het verhoor van [betrokkene 2] op pagina 80 van het politie-onderzoek.
De politie zegt daar tegen [betrokkene 2] : “Hun zijn [verdachte] en [betrokkene 1] natuurlijk dan?”.
Dat is het door de politie in de mond leggen van een verklaring van [betrokkene 2] .
Heeft [betrokkene 2] hier uit eigen wetenschap verklaard? En wat is er door de politie aan haar voorgehouden?
Het gaat hierbij om de vraag naar het bewijs. Om artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering derhalve.
De advocaat-generaal reageert, zakelijk weergegeven:
Het verzoek tot het horen van deze getuigen had al in eerste aanleg gedaan kunnen worden. Het is in hoger beroep een jaar lang blijven liggen en niet van tevoren aangekondigd door de verdediging. Ik vorder dat het gerechtshof dit verzoek afwijst.
De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik wijs erop dat cliënt in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld en dat hij niet over het strafdossier beschikte.
Het gerechtshof onderbreekt het onderzoek gedurende korte tijd om zich te beraden op de standpunten van de verdediging en de advocaat-generaal, waarna het onderzoek wordt hervat en de voorzitter de beslissing van het gerechtshof meedeelt, zakelijk weergegeven:
Het gerechtshof wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van de twee getuigen die in belastende zin hebben verklaard over de verdachte.
Het noodzaakcriterium is van toepassing op dit verzoek. De raadsman heeft enkel gesuggereerd dat de voor de verdachte belastende verklaringen niet betrouwbaar zijn. Dat is een onvoldoende onderbouwing van het verzoek.”
5. Het hof heeft het getuigenverzoek opgevat als een verzoek tot het horen van de twee getuigen die in belastende zin over de verdachte hebben verklaard, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Deze uitleg is voorbehouden aan de feitenrechter en dient in cassatie te worden geëerbiedigd. Het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek is aan te merken als een verzoek in de zin van art. 330, eerste lid, Sv jo. 328 Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid als bedoeld in art. 315 Sv jo. 415, eerste lid, Sv. Het hof heeft op de verzoeken beslist en deze op grond van het noodzakelijkheidscriterium afgewezen. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover wordt in cassatie ook niet geklaagd.
6. De afwijzing van de verzoeken is gemotiveerd met de overweging dat “[d]e raadsman enkel [heeft] gesuggereerd dat de voor de verdachte belastende verklaringen niet betrouwbaar zijn. Dat is een onvoldoende onderbouwing van het verzoek.” In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, acht ik dit oordeel niet begrijpelijk. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het getuigenverzoek ziet op de bewijsvraag en dat (i) de verdachte stellig ontkent; (ii) de verdachte de belastende verklaringen van de betrokken getuigen betwist; (iii) de verklaringen onbetrouwbaar zijn, met een concrete verwijzing naar de wijze waarop die tijdens het politieverhoor tot stand zijn gekomen en naar het relevante onderdeel uit het strafdossier. Van een enkele suggestie van onbetrouwbaarheid van de verklaringen is onder deze omstandigheden geen sprake. De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de – in het licht van de bewijsvoering cruciale - verklaringen bestreden en dit standpunt toegelicht aan de hand van de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgevonden. Daarmee is de afwijzing van de getuigenverzoeken niet begrijpelijk gemotiveerd.
7. Hoewel het middel niet de klacht bevat dat art. 6 EVRM niet is nageleefd, wijs ik in dit verband op de beslissende betekenis van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de bewijsconstructie, in het bijzonder ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit. De weergave van de bewezenverklaring en de bewijsvoering bieden inzicht in het gewicht dat het hof uiteindelijk heeft toegekend aan de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , die de verdediging klaarblijkelijk niet in een eerder stadium van het geding heeft doen ondervragen. Uit de bewijsmiddelen 3 en 4 volgt de door de verdediging bekritiseerde wijze van ‘vraagstelling’ door de verbalisanten. Voor de volledigheid geef ik hieronder de bewijsvoering weer.
8. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op enig tijdstip in de periode van 12 juni 2014 tot en met 13 juni 2014 te Harlingen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een omheind terrein aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid koper toebehorende aan [A] , waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.”
9. Uit de aanvulling op het arrest van 23 juni 2017 blijkt dat bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Een proces-verbaal van aangifte, op ambtseed opgemaakt op 14 juni 2014 door
[verbalisant 1] , hoofdagent van de politie eenheid Noord Nederland, opgenomen in de pagina’s 48 en 49 van een dossier van de politie eenheid Noord Nederland met het registratiekenmerk PL02IA-2014071957 Z en sluitingsdatum 5 juli 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van [betrokkene 3] :
Op 13 juni 2014 kwam ik aan bij het bedrijf [A] aan de [a-straat 1] te Harlingen. Ik heb een ronde over het bedrijfsterrein gemaakt en ik zag dat er 45 koperen kabels en 4 koperen plaatjes uit kasten verwijderd en weggenomen waren.
Op 11 juni 2014 is de eigenaar van het terrein nog op het terrein geweest. Alles was toen nog in orde en onaangetast.
3.