Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-10-30
ECLI:NL:PHR:2018:1181
Strafrecht
3,004 tokens
Conclusie
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 6 februari 2017 wegens 1.“ overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van € 1.350,-, subsidiair 23 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd, een preliminair verweer heeft verworpen dat de raadsvrouw in hoger beroep heeft gevoerd en dat ertoe strekt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.
Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2017 gehechte pleitnotities van de raadsvrouw van de verdachte blijkt dat namens de verdachte bij wege van preliminair verweer het volgende is aangevoerd:
“OM niet-ontvankelijk
1. De politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft cliënt veroordeeld -wegens het rijden onder invloed en het als bestuurder verlaten van de plaats van een ongeval. Dit, terwijl cliënt herhaaldelijk heeft aangegeven dat hij niet de bestuurder van de auto is geweest die bewuste 7e juni 2014. [betrokkene 1] heeft dit bevestigd; zowel tijdens zijn verhoor bij de politie d.d. 23 juni 2014 alsook tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris d.d. 25 augustus 2016 heeft hij verklaard dat hij degene is die op 7 juni 2014 de auto met kenteken [AA-00-BB] heeft bestuurd.
2. Tevens heeft [betrokkene 1] aangegeven dat hij een strafbeschikking heeft ontvangen wegens het verlaten plaats ongeval die bewuste 7 juni 2014. De strafbeschikking - die reeds op voorhand naar Uw Hof en de Advocaat-Generaal is gezonden - is binnen de termijn betaald en derhalve onherroepelijk.
3. Uit jurisprudentie blijkt dat degene die niet de bestuurder (maar de bijrijder) van het rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig is, slechts kan worden aangemerkt als (tevens) bij het verkeersongeval ‘betrokkene’ in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a WVW, indien het ongeval door zijn gedraging is veroorzaakt (Hof Den Haag I I juli 1996, Nj 1997/14, HR 4 oktober 2011, NbSr 2011/311). Van dit laatste is wat cliënt betreft geenszins sprake in onderhavige zaak.
4. Voorgaande, in combinatie met het gegeven dat [betrokkene 1] reeds onherroepelijk is gestraft voor het als bestuurder verlaten van de plaats van het ongeval op 7 juni 2014, leidt tot de conclusie dat cliënt - die als bijrijder passief mee heeft gereden in het motorrijtuig - niet (ook) als bestuurder van het voortuig c.q. betrokkene bij het ongeval kan worden aangemerkt.
5. Daarbij is voorts van belang dat na het uitbrengen van de strafbeschikking aan [betrokkene 1] op 7 januari 2015 geen (nieuwe) feiten bekend zijn geworden waaruit kan worden afgeleid dat cliënt als bestuurder zou zijn opgetreden. Sterker nog, er zijn enkel contra-indicaties voor de stelling dat cliënt als bestuurder zou zijn opgetreden:
- [betrokkene 1] heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de bestuurder van de auto is geweest;
- Cliënt heeft zijn verhoor bij de politie verklaard dat [betrokkene 1] de bestuurder van de auto is geweest;
- De auto staat op naam van [betrokkene 1];
- Op de beschikbare camerabeelden van stadstoezicht is - in tegenstelling tot wat in het dossier te lezen staat - geenszins te zien wie er al bestuurder is opgetreden;
- [betrokkene 1] heeft de aan hem uitgereikte strafbeschikking direct betaald en heeft geenszins verzet ingesteld.
6. Geheel onduidelijk is dan ook gebleven waarom cliënt op 29 december 2015 - bijna een jaar (!) na het uitbrengen én onherroepelijk worden van de aan [betrokkene 1] uitgereikte strafbeschikking - een dagvaarding heeft ontvangen voor genoemde feiten.
7. Gezien voorgaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie met betrekking tot cliënt als zijnde bestuurder van de auto is komen te vervallen. Het instellen en voortzetten van de vervolging van cliënt is onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde, meer specifiek het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging van cliënt enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
8. Het Openbaar Ministerie dient aldus niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.”
5. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt voorts – voor zover relevant – het volgende:
“De raadsvrouw voert het woord - zakelijk weergegeven:
Het besturen van de auto kan maar door één iemand zijn gebeurd. Ik baseer mijn verweer op de algemene beginselen van een goede procesorde. Het betalen van een strafbeschikking is een schuldvaststelling. Er is daarmee sprake van een vaststelling van schuld in rechte aan overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a alsmede overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 op 7 juni 2014 te Utrecht, gepleegd door [betrokkene 1].”
6. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het hof het verweer van de raadsvrouw met de volgende motivering heeft verworpen:
“Het hof hervat het onderzoek, waarna de voorzitter als beslissing van het hof meedeelt dat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Er is bij verdachte niet het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij niet vervolgd zou gaan worden voor de tenlastegelegde feiten. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.”
7. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. De beginselen van een behoorlijke procesorde normeren (onder meer) de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie. De bandbreedte voor het openbaar ministerie is ruim, terwijl de mogelijkheid van rechterlijke toetsing beperkt is. De Hoge Raad overwoog in dit verband:
“Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109).
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl.
Beoordeling
10. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De enkele omstandigheid dat in de zaak tegen de medeverdachte een strafbeschikking is gevolgd, kan niet leiden tot het oordeel dat het openbaar ministerie wegens schending van de beginselen van een goede procesorde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Reeds daarom had het hof het verweer slechts kunnen verwerpen. Een dergelijk oordeel strookt immers niet met het uitgangspunt van het strafproces dat de werkelijke dader van een strafbaar feit in beginsel behoort te kunnen worden vervolgd, berecht en gestraft, ook al zou een medeverdachte reeds voor hetzelfde feit zijn gestraft. Gelet op het voorafgaande, had het hof het verweer slechts kunnen verwerpen. Daarop strandt de klacht.
11. Ik merk ten overvloede het volgende op. De overweging uit het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad van 17 december 2002, inhoudende dat “die ander de hem openstaande gewone of buitengewone rechtsmiddelen kan aanwenden teneinde de te zijn laste uitgesproken veroordeling te laten toetsen”, is niet onverkort toepasselijk op een (onherroepelijke) strafbeschikking. Art. 457, lid 1 aanhef, Sv betreft immers het herzien van “een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling”. Hoewel de invoering van de Wet OM-afdoening een wijziging van het vervolgingsbegrip met zich bracht, is art. 457 Sv destijds ongewijzigd gebleven. Nu een (onherroepelijke) strafbeschikking geen uitspraak van een rechter inhoudt, is deze niet voor herziening vatbaar. Daarbij gaat het echter om een keuze van de wetgever, die de uitkomst van de onderhavige zaak niet beïnvloedt.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, dertiende druk, Deventer: Kluwer 2016, 178-179.
HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:740 (Checkpoint II). Zie voorts HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2795, rov. 2.3 en de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld vóór dat arrest. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, negende druk, bewerkt door M. J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 62-67.
Zie voor een geval waarin het juiste beoordelingskader is toegepast onder meer de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee vóór HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:2054. De Hoge Raad deed de zaak met toepassing van art. 80a RO af. Zie voorts HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:2049.
NJ 2002, 547. Zie eveneens de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse (PHR:2002:AE4268).
Het woord ‘kunnen’ voegde ik in vanwege het opportuniteitsbeginsel.
Zie - ten aanzien van een beroep op art. 359a Sv - HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:2956, NJ 2015, 430, rov. 2.3.1-2.3.2 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter, alsmede HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059.
Stb. 2006, 330.
Kamerstukken II, 2004-2005, 29 849, nr. 3, p. 3 en 15-17.
Wel bespreekt de minister de toepasselijkheid van gewone rechtsmiddelen op de strafbeschikking in vergelijking met de aanbevelingen door de onderzoekers in het rapport Strafvordering 2001. Vgl. Kamerstukken II, 2004-2005, 29 849, nr. 3, p. 54.
Vgl. M.J.A. Duker in Melai/Groenhuijsen e.a., Commentaar op art. 457 Sv, § 7.2, waarin wordt verwezen naar G. Knigge, ‘De schijn van waarheid’, in: W.D.H. Asser, L.J.A. Damen & G. Knigge, Partijautonomie of materiële waarheid?, ’s-Gravenhage: Boom Juridische Uitgevers 2006, p. 33-44. Zie ten aanzien van een door of namens het openbaar ministerie genomen beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder door de rechter opgelegde vervangende hechtenis: HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8871, NJ 2008/234.