Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-09-03
ECLI:NL:PHR:2018:1163
Civiel recht
1,863 tokens
=== VOLLEDIG ===
K/2018/023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
betreffende
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1968, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats] .
1. Betrokkene is rechter in de Rechtbank Noord-Holland en derhalve een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Bij haar benoeming - in destijds de Rechtbank Haarlem - is haar werktijd vastgesteld op 28,8 uur per week. In november 2013 heeft betrokkene een ongeval gehad als gevolg waarvan zij volledig is uitgevallen. Na een periode van re-integratie is betrokkene weer werkzaam in haar eigen functie, zij het voor minder uren dan waarvoor zij is aangesteld. De re-integratieactiviteiten hebben ertoe geleid dat betrokkene thans 24 uur per week (inclusief compensatieverlof) werkzaam is.
2. In haar brief van 21 maart 2018 heeft mr. E. de Greeve, President van de Rechtbank Noord-Holland, mij verzocht betrokkene bij de Hoge Raad voor te dragen voor gedeeltelijk ontslag, voor 7,2 uur. De president heeft stukken aangaande de arbeidsongeschiktheid van betrokkene overgelegd.
3. Uit de bepalingen in § 4 van hoofdstuk 6A van de Wrra inzake ontslag en herplaatsing, in het bijzonder artikel 46k lid 1 en lid 5, volgt dat een rechter die wegens ziekte zijn werkzaamheden niet kan verrichten voor het aantal uren waarvoor hij is aangesteld maar wel voor een minder aantal uren, door de Hoge Raad wordt ontslagen voor het aantal uren dat hij niet kan worden herplaatst.
Artikel 46k Wrra
1. Aan de rechterlijk ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, kan door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele autoriteit in een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid, een ander ambt of andere functie worden opgedragen bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid. De rechterlijk ambtenaar is verplicht het ambt dat of de functie die hem wordt opgedragen te aanvaarden.
(…)
5. Indien aan de rechterlijk ambtenaar een ambt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt opgedragen voor minder uren dan het aantal uren dat hij zijn oorspronkelijke ambt gemiddeld per week vervulde, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen voor het meerdere aantal uren.
De bepalingen inzake (ziekte)ontslag en herplaatsing zijn in 2002 opgenomen in de Wrra in het kader van de wetgeving betreffende de modernisering van de rechterlijke organisatie. Voordien waren die bepalingen neergelegd in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). De regeling inzake herplaatsing was vervat in artikel 11c Wet RO. In de toelichting bij artikel 11c werd uiteengezet waarom de Hoge Raad een rol speelt bij herplaatsing van een rechter (TK 1996-1997, 24 441, nr. 7, p. 21):
“Gelet op de bijzondere positie van de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht zou het op gespannen voet staan met artikel 117 van de Grondwet, indien de Minister van Justitie bevoegd zou zijn tot het, tegen de wens van betrokkene, opdragen van een andere taak aan een voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht, indien deze wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn eigen taak. Een dergelijke opdracht kan onder omstandigheden immers impliciet het ontslag van betrokkene als voor het leven benoemd lid van de rechterlijke macht met zich brengen. Anderzijds is het wel wenselijk dat het herplaatsingsregime op zichzelf ook van toepassing is op deze categorie ambtenaren. Daarom is aansluiting gezocht bij de regeling van het ontslag van deze categorie ambtenaren, waarin de Hoge Raad een belangrijke rol vervult ter waarborging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.”
Bij de overheveling naar de Wrra is de regeling aangevuld en de formulering aangepast; daarmee werd geen inhoudelijke wijziging beoogd. Wat betreft de herplaatsing in de eigen functie werd verduidelijkt (TK 1999-2000, 27 181, nr. 3, p. 72-73):
“dat de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in geval van herplaatsing in zijn eigen ambt of een ander ambt dat een benoeming voor het leven met zich brengt, voor minder uren dan waarvoor hij daaraan voorafgaand was aangesteld, door de Hoge Raad of bij koninklijk besluit tevens wordt ontslagen voor het aantal uren dat hij niet kan worden herplaatst.”
4. Uit de overgelegde stukken blijkt het volgende. Nadat betrokkene als gevolg van het ongeval ruim een jaar niet had kunnen werken, is in maart 2015 een start gemaakt met de re-integratie in haar eigen werk als rechter. Bij beslissing van het UWV van 11 november 2015 is aan betrokkene een WGA-uitkering toegekend, waarbij WGA staat voor ‘werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten’. Volgens de toelichting bij de beslissing was betrokkene op dat moment 47,81% arbeidsongeschikt.
In november 2017 is een arbeidskundig onderzoek uitgevoerd naar de inzetbaarheid van betrokkene. Zij werkte toen feitelijk 24 uur per week (dit is inclusief de opbouw van compensatieverlof). De conclusie van de arbeidsdeskundige is dat verdere uitbreiding naar haar volledige aanstelling van 28,8 uur niet haalbaar is. Een aanstelling voor 21,6 uur per week in de eigen functie is passend bij de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. Herplaatsing in een andere functie bij de Rechtbank zou niet tot een beter resultaat leiden, aldus de arbeidsdeskundige in zijn rapportage d.d. 22 december 2017.
5. Op grond van het voorafgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor herplaatsing en gedeeltelijk ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Vier jaar na het ongeval hebben de re-integratieactiviteiten ertoe geleid dat betrokkene haar werkzaamheden als rechter heeft hervat voor 24 uur per week (inclusief compensatieverlof). Blijkens de arbeidskundige rapportage zijn alle betrokkenen van mening dat dit het maximaal haalbare is.
6. Alvorens over te gaan tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad heb ik bij schrijven van 5 juli 2018 betrokkene - overeenkomstig artikel 46o lid 3 Wrra - in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Van deze mogelijkheid heeft zij gebruik gemaakt. Haar raadsman heeft bij schrijven van 24 juli 2018 bevestigd dat betrokkene verdere opbouw naar haar volledige aanstelling niet haalbaar acht. Voorts heeft hij toegelicht dat betrokkene niet zelf een verzoek indient tot gedeeltelijk ontslag bij koninklijk besluit vanwege de afwikkeling van de schaderegeling met de verzekeraar van de aansprakelijke partij.
7. De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] , op de voet van artikel 46k lid 1 en lid 5 Wrra, zal herplaatsen in haar ambt van rechter in de Rechtbank Noord-Holland voor 21,6 uur en zal ontslaan voor 7,2 uur met ingang van 1 december 2018.
’s-Gravenhage, 3 september 2018
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,