Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2017-11-07
ECLI:NL:PHR:2017:1368
Strafrecht
2,043 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden heeft verdachte op 20 juni 2016 voor 1 subsidiair: schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, en 2: een - gegevensdrager, bevattende een - afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 71 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Voorts heeft het hof verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur en de onttrekking aan het verkeer bevolen van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Tot slot heeft het hof de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast en deze ten uitvoer te leggen straf vervangen door 60 uur taakstraf.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur doen toekomen inhoudende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 in beslissende mate heeft doen steunen op de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . De verdediging heeft verzocht deze getuigen te kunnen ondervragen maar dat heeft het hof niet toegestaan. Het hof heeft het gebruik van de verklaringen van deze getuigen voor het bewijs ontoereikend gemotiveerd.
3.2. Als feit 1 is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 augustus 2013 te Delfzijl zich oneerbaar op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten nabij de kruising bij [...] in de buurt van een weiland met pony’s, in zijn auto met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.”
3.3. Ter terechtzitting van 6 juni 2016 van het hof heeft de advocaat van verdachte het woord gevoerd overeenkomstig een pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. In de pleitnota wordt een vrijspraak bepleit. Voorwaardelijk wordt een verzoek gedaan om de moeders van beide meisjes als getuige ter terechtzitting te horen, voor het geval het hof niet vrijspreekt. Beide moeders zouden kunnen verklaren over de gesprekken die zij met hun dochters hebben gehad, de indruk die hun dochters maakten toen zij terugkwamen van de paarden en hoe zij nadien met hun dochters nog zijn omgegaan.
3.4. Het hof heeft in het arrest het volgende opgenomen:
"Beslissing op voorwaardelijk verzoek ter zake van het onder 1 ten laste gelegde
De raadsman heeft verzocht om. in het geval het hof tot een veroordeling van verdachte zou komen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, de zaak aan te houden om aangeefster [betrokkene 1] , de moeder van [betrokkene 3] , en aangeefster [betrokkene 2] , de moeder van [betrokkene 4] . als getuigen te horen, zoals nader toegelicht in de door de raadsman ter zitting van het hof d.d. 6 juni 2016 overgelegde pleitnota.
Naar het oordeel van het hof bestaat geen noodzaak om de verzochte getuigen alsnog te horen. In het bijzonder niet nu [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zelf reeds uitgebreid zijn gehoord door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de raadsman van verdachte, zodat het niet noodzakelijk is hun moeders als getuigen te horen. Het verzoek wordt dan ook bij gebrek aan noodzakelijkheid, afgewezen."
3.5. Het bewijs van feit 1 heeft het hof aangenomen op basis van negen bewijsmiddelen. Bewijsmiddel 1.2 bevat de verklaring van één van de meisjes ten aanzien van wie feit 1 is begaan. Deze verklaring is voorafgegaan door bewijsmiddel 1.1, de verklaring van de raadsheer-commissaris en griffier, waarin is gerelateerd dat het verhoor van het meisje in een verhoorstudio van de politie te Groningen heeft plaatsgevonden en feitelijk wordt afgenomen door een brigadier van politie, omdat de getuige nog maar 12 jaar oud is. Via audiovisuele middelen hebben raadsheer-commissaris, griffier en de advocaat van verdachte het verhoor bijgewoond en aanvullende vragen kunnen opgeven. Dat verhoor is audiovisueel opgenomen. Bewijsmiddel 2.2 bevat de verklaring van het andere meisje. Bewijsmiddel 2.1 beschrijft dezelfde gang van zaken bij het verhoor van dit meisje van 11 jaar oud. Bewijsmiddel 3 houdt de verklaring in van [betrokkene 1] , de moeder van het eerste meisje. Zij geeft daarin weer wat zij van haar dochter heeft vernomen, dat zij vervolgens samen met anderen ter plekke is gegaan, heeft kunnen vaststellen dat het signalement dat de kinderen hadden gegeven klopte met het signalement van de ter plekke aangetroffen man en dat zij de politie hebben gewaarschuwd die de man heeft meegenomen. Bewijsmiddel 4 bevat de verklaring van de ouders van het andere meisje, die door de moeder van het eerste meisje waren gewaarschuwd. Deze getuigen hebben ook verklaard over de toestand waarin zij hun dochters bij thuiskomst aantroffen.
3.6. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat, ook indien de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, artikel 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist.
3.7. Beide meisjes hebben een verklaring afgelegd. De verklaring van het ene meisje ondersteunt de verklaring van het andere meisje en omgekeerd. Beide meisjes hebben verklaard dat verdachte in zijn auto zat met zijn geslachtsorgaan uit zijn broek. De betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde steunt dus in voldoende mate op andere bewijsmiddelen die betrekking hebben op de door verdachte betwiste onderdelen.
Het middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof is afgeweken van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder in het bijzonder de redenen voor die afwijking aan te geven. Dat standpunt komt erop neer dat verdachte niet opzettelijk kinderpornografisch materiaal op zijn computer in bezit had. Het kan niet anders of er bevond zich nog kinderpornografisch materiaal op de gegevensdragers die verdachte van de politie heeft teruggekregen en die hij zonder acht te slaan op de inhoud weer naar zijn computer heeft gekopieerd.
4.2. Het hof heeft als feit 2 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 31 maart 2013 tot en met 12 augustus 2013 te Delfzijl, een gegevensdrager, te weten een laptop merk Asus, bevattende afbeeldingen, te weten 5 foto's, in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het naakt (laten) poseren van personen die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, waarbij deze personen opgemaakt zijn en/of door het camerastandpunt en/of de onnatuurlijke pose en/of de uitsnede van de afbeelding(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld worden gebracht, waarbij de afbeeldingen aldus een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en/of strekken tot seksuele prikkeling."
4.3. Het verkort arrest noch de bijlage met bewijsmiddelen bevat een afzonderlijke redengeving voor de afwijking van het betoog met betrekking tot het aantreffen van kinderpornografisch materiaal op verdachtes laptop. Dat betoog strekte tot een ontkenning van het opzettelijk in het bezit hebben van kinderpornografische materiaal. In de vorige zaak heeft verdachte van de politie gegevensdragers teruggekregen en heeft toen, in de veronderstelling dat daar zulk materiaal niet op was achtergebleven, bestanden gekopieerd naar zijn nieuwe laptop.
4.4.