Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2017-07-11
ECLI:NL:PHR:2017:1079
Strafrecht
422 tokens
=== CONCLUSIE ===
[klaagster]
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 16 juni 2016 het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen personenauto, merk Golfwagen Variant, met kenteken [AA-00-BB], ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens klager en mr. R.B. Milo, advocaat te Tilburg, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op.
Uit namens mij bij het openbaar ministerie ingewonnen inlichtingen blijkt dat de personenauto op 20 januari 2017 aan klager is teruggegeven. Dit betekent dat het beslag op grond van art. 134 lid 2 onder a Sv is beëindigd. Klager heeft dan ook geen belang bij het cassatieberoep.
5. Namens mr. Milo heeft zijn kantoorgenoot, mr. Brinkman, bij schrijven van 7 juli 2017 gereageerd op de mededeling aan de raadsman dat het beslag was geëindigd. In dat schrijven is de stelling betrokken dat wel (voldoende) belang bestaat bij het cassatieberoep, in verband met de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de art. 552a Sv-procedure. Naar ik meen is dat geen in cassatie te behartigen belang, vgl. HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:289.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR2014:2748 en HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:8.