Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2016-07-05
ECLI:NL:PHR:2016:910
Strafrecht
663 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 5 juni 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens "poging tot doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Tevens heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de voorwaarden zoals nader in het arrest omschreven, en bevolen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander als in het arrest vermeld.
Namens de verdachte heeft mr. E.J. Kolmeijer, thans advocaat te Rhoon, twee middelen van cassatie voorgesteld.
De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 26 november 2015 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. De termijn voor het indienen van een schriftuur liep zodoende af op 25 januari 2016. De schriftuur is eerst bij de Hoge Raad binnengekomen op 27 januari 2016.
Aan het aldus opgetreden termijnverzuim doet de gang van de schriftuur voorafgaand aan de binnenkomst bij de Hoge Raad niet af. De schriftuur is namelijk weliswaar – terecht - gericht aan de Hoge Raad, maar vermeldt (abusievelijk) het postbusnummer van het Paleis van Justitie te Den Haag. Blijkens twee geplaatste stempels op de envelop behorend bij de schriftuur is deze op 26 januari 2016 bij het Paleis van Justitie te Den Haag en – kennelijk na doorzending – als reeds vermeld op 27 januari 2016 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat laatste tijdstip is doorslaggevend, waarbij opgemerkt kan worden dat, ook als betekenis zou worden toegekend aan de datum van binnenkomst bij het Paleis van Justitie in Den Haag, de schriftuur te laat zou zijn binnengekomen.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8ste druk, p. 96 alsmede HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1343 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:137.