Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2016-05-10
ECLI:NL:PHR:2016:470
Civiel recht; Insolventierecht
2,277 tokens
Conclusie
[verzoeker],
(hierna: [verzoeker]),
verzoeker tot cassatie,
1. De rechtbank heeft de bij vonnis van 11 november 2014 uitgesproken schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds beëindigd op grond van art. 350 lid 3 sub c (toerekenbare niet nakoming verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling) en d (bovenmatige nieuwe schulden laten ontstaan) Fw zonder toekenning van een schone lei in de zin van art. 358 lid 2 Fw.
2. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd door te oordelen dat i) sprake is van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de informatieverplichting van [verzoeker], ii) hij toerekenbaar bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan en voor het inlopen daarvan voor het einde van de (eventueel verlengde) looptijd van de schuldsaneringsregeling geen deugdelijk onderbouwd plan van aanpak heeft overgelegd. Het hof zag evenmin als de rechtbank aanleiding voor verlenging. De relatief uitvoerige inhoudelijke beoordeling van het hof is als volgt:
“3.8.1. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [verzoeker], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.
3.8.2. Vast staat, temeer nu hij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling heeft erkend, dat [verzoeker] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende informatieplicht structureel en nog immer niet naar behoren nakomt. Het hof gaat hierbij voorbij aan het verweer van [verzoeker] dat hij, nu het zijn bewindvoerder bekend was dat hij niet in staat is om zijn post adequaat af te wikkelen, door de bewindvoerder op een andere wijze had dienen te worden benaderd. Het heeft naar het oordeel van het hof immers nadrukkelijk op de weg van [verzoeker] gelegen om, indien hij zichzelf niet is staat acht om de post te openen, laat staan op een adequate wijze af te wikkelen, hiervoor de hulp van derden in te schakelen, hetgeen evenwel nimmer is geschied. Een en ander klemt des temeer nu de rechtbank [verzoeker] reeds ten tijde van zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling met enige klem heeft geadviseerd om een verzoek tot het benoemen van een beschermingsbewindvoerder in te dienen. Het hof rekent het [verzoeker] hierbij dan ook in hoge mate aan dat hij zelfs na het beëindigingsvonnis van 18 november 2015 verzuimd heeft om alsnog, al dan niet in de vorm van een beschermingsbewind, hulp te zoeken. [verzoeker] heeft de zaken evenwel op zijn beloop gelaten, hetgeen heeft geresulteerd in een verwijtbare voortduring van zijn uiterst gebrekkige nakoming van de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting.
3.8.3. Daarbij komt dat [verzoeker] gedurende zijn schuldsaneringsregeling een aantal nieuwe schulden heeft laten ontstaan welke, gelet op de hoogte van zijn inkomen, naar het oordeel van het hof bovendien als zijnde bovenmatig kunnen worden aangemerkt. Het hof acht het ontstaan van deze schulden [verzoeker] bovendien toerekenbaar nu het ontstaan van in ieder geval de schulden inzake BsGW en zijn proceskostenveroordeling rechtstreeks verband houden met het feit dat [verzoeker] zijn post niet opende. Had [verzoeker] dit wel gedaan had hij ten aanzien van de BsGW schuld immers tijdig een kwijtscheldingsverzoek in kunnen dienen en was hij op de hoogte geweest van de voortgang van de juridische procedure met betrekking tot de huurkwestie waarin hij thans tot betaling van de proceskosten is veroordeeld.
3.8.4. Het hof stelt voorts vast dat [verzoeker] met betrekking tot het inlopen van zijn nieuwe schulden voor het einde van een al dan niet verlengde schuldsaneringsregeling geen deugdelijk onderbouwd plan van aanpak heeft overgelegd. De enkele mededeling van [verzoeker], dat niet nader genoemde familieleden wellicht bereid zouden zijn tot een niet nader gespecificeerde financiële bijdrage, acht het hof hiertoe immers ontoereikend. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat, zoals reeds eerder gesteld, niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [verzoeker] niet kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270).
3.8.5. Nu, tevens doordat hij bekend is althans redelijkerwijs geacht wordt bekend te zijn met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering mede in welk verband het hof naar de processtukken wijst, de geconstateerde tekortkomingen [verzoeker] kunnen worden verweten en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] te verlengen, daargelaten nog dat een concreet financieel plan van aanpak ten aanzien van de nieuwe schulden ontbreekt, althans in hoger beroep niet is overgelegd. Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] tussentijds dient te worden beëindigd.”
3. [verzoeker] is hiervan tijdig in cassatie gekomen. Van het in het cassatieverzoekschrift gemaakte voorbehoud ten aanzien van aanvulling van het rekest op grond van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in hoger beroep, is geen gebruik gemaakt.
4. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, maar die kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
5. Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 3.8.2 met de vaststelling dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in zijn informatieplicht, omdat de bewindvoerder [verzoeker] anders dan bij brief had moeten benaderen nu [verzoeker] niet in staat was post te openen en af te wikkelen, wat het onderdeel kwalificeert als disfunctioneren van de bewindvoerder, welk disfunctioneren de verwijtbaarheid zijdens [verzoeker] zou doen afnemen. De klacht maakt de draai dat het uitgangspunt dat de bewindvoerder de belangen van de schuldeisers behartigt en is belast met beheer en vereffening van de boedel, mee kan brengen dat hij namens de saniet voor betalingen zorgdraagt, om kwijtschelding vraagt en zelfs een beschermingsbewindvoerder laat benoemen.
6. Deze klachten miskennen dat dit niet tot de taak van de bewindvoerder behoort, omdat deze geen (schuld)hulpverlener is. De bewindvoerder is belast met het toezicht op de naleving door de schuldenaar van diens verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien en met het beheer en de vereffening van de boedel. De verantwoordelijkheid voor de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen rust op de schuldenaar. Indien de schuldenaar hulp nodig heeft om zijn verplichtingen na te komen, dient hij deze zelf te zoeken. Personen die niet in staat zijn de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen na te komen, worden immers niet tot de regeling toegelaten (art. 288 lid 1 sub c Fw). Indien [verzoeker] zichzelf niet in staat achtte om zijn post op adequate wijze af te handelen, lag het op zijn weg om hulp te zoeken, bijvoorbeeld door een beschermingsbewind te verzoeken, op welke mogelijkheid hij al bij toelating is gewezen.
Conclusie
11. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Rb Limburg, zittingsplaats Maastricht, 10 november 2015, insolventienummer: C/03/14/757 R.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2016, zaaknummer: 200.180.457/01.
Zie Conclusie A-G Timmerman voor HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7201 en conclusie A-G Huydecoper voor HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF7409; zie ook B. Wessels, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, 2012, p. 187 en A.M.J. van Buchem-Spapens en Th.A. Pouw, Faillissement, surseance van betaling en schuldsanering, Mon. 2013, p. 170 en R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, 1998, p.109-110.
Onder verwijzing naar HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, NJ 2002,259 m.nt. B. Wessels.