Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2016-02-16
ECLI:NL:PHR:2016:404
Strafrecht
1,925 tokens
=== CONCLUSIE ===
[klaagster]
1. De Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 17 april 2015 het door klaagster ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.
2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.
3. Namens klaagster heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, een middel van cassatie ingediend.
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat klaagster niet als verschoningsgerechtigde kan worden aangemerkt en dat het beklag om die reden ongegrond is.
4.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:
“De beoordeling
(…)
De rechtbank is van oordeel dat klaagster als belanghebbende in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering is aan te merken, reeds nu de voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft in het bedrijfspand van klaagster, derhalve onder klaagster, in beslag zijn genomen. Ook overigens zijn geen beletselen voor de ontvankelijkheid van klaagster gebleken. Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de in beslag genomen voorwerpen voorwerpen betreffen die in gebruik zijn bij [betrokkene 11] , van beroep advocaat en als vennoot verbonden aan klaagster. Ook [betrokkene 11] heeft met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen bij deze rechtbank een klaagschrift ingediend, geregistreerd onder raadkamernummer 14/1927. Zij heeft zich ten aanzien van de beslagen voorwerpen op het standpunt gesteld dat die voorwerpen vallen onder haar geheimhoudingsplicht en heeft zich ten aanzien van die voorwerpen beroepen op haar verschoningsrecht.
Klaagster heeft zich in deze procedure eveneens op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de beslagen voorwerpen het verschoningsrecht van toepassing is, alsmede dat dit verschoningsrecht in dit geval dient te prevaleren boven het door de officier van justitie gestelde belang van de waarheidsvinding. Aldus is ook in deze procedure het verschoningsrecht aan de orde gesteld.
Uit eerdere rechtspraak volgt voorts dat in een beklagprocedure waarin het verschoningsrecht in het geding is, alleen de verschoningsgerechtigde zelf als belanghebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 februari 2013, ECL1:NL:HR:2013:BX4284.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld wie ten aanzien van de beslagen voorwerpen als verschoningsgerechtigde moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval [betrokkene 11] als verschoningsgerechtigde te worden aangemerkt. Het verschoningsrecht komt immers toe aan de beroepsbeoefenaar, in dit geval de advocaat, als zodanig en niet aan het samenwerkingsverband waarvan de desbetreffende beroepsbeoefenaar deel uitmaakt.
Vervolgens rijst de vraag welke gevolgen het oordeel dat [betrokkene 11] , derhalve niet klaagster, de verschoningsgerechtigde is in deze procedure eventueel dient te hebben. Dit is in het bijzonder van belang nu de rechtbank heeft geconstateerd dat de door klaagster in deze procedure aangevoerde argumenten alle hun grondslag vinden in het gestelde verschoningsrecht. De niet-ontvankelijkheid van klaagster kan niet het gevolg zijn, omdat klaagster zoals hiervoor overwogen beslagene is en reeds op die grond als belanghebbende is aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank brengt voornoemd arrest van de Hoge Raad der Nederlanden echter wel mee dat klaagster zich in de gegeven situatie niet met vrucht kan beroepen op argumenten die hun grondslag vinden in het gestelde verschoningsrecht. Het is enkel aan de verschoningsgerechtigde zelf, in dit geval [betrokkene 11] , om - op de wijze zoals haar goeddunkt - op te komen voor het gestelde verschoningsrecht. Zij heeft dat ook gedaan door zelf een klaagschrift in te dienen. In deze situatie is geen ruimte voor een tweede partij - in dit geval klaagster - om eveneens op te komen voor dit verschoningsrecht.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door klaagster aangevoerde argumenten in deze procedure niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beklag. Een nadere bespreking van deze argumenten zal daarom achterwege worden gelaten.
Het beklag zal derhalve ongegrond worden verklaard.”
4.3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Klaagster is het advocatenkantoor waar tijdens een doorzoeking op 10 april 2014 in het kader van het strafrechtelijke opsporingsonderzoek “Rykiel” stukken en digitale bestanden in beslag zijn genomen. In dit onderzoek is [betrokkene 11] , die als medeaandeelhoudster en als advocaat verbonden is aan klaagster, een van de verdachten.
De onder klaagster inbeslaggenomen stukken en digitale bestanden waren - zo heeft de Rechtbank vastgesteld overeenkomstig hetgeen door klaagster in haar klaagschrift is aangevoerd - in gebruik bij [betrokkene 11] in haar hoedanigheid van advocaat.
Klaagster en [betrokkene 11] hebben ieder een klaagschrift ingediend. Beide klaagschriften strekken onder meer tot - kort gezegd - opheffing van het gelegde beslag op de grond dat het beslagene object is van [betrokkene 11] verschoningsrecht. In de zaak van [betrokkene 11] met nummer 15/02125 Bv, waarin ik heden eveneens concludeer, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
4.4. Volgens de steller van het middel heeft de Rechtbank miskend dat zowel klaagster als [betrokkene 11] als verschoningsgerechtigde zijn aan te merken.
4.5. Voor zover de Rechtbank met haar overweging dat “in het onderhavige geval [betrokkene 11] als verschoningsgerechtigde dient te worden aangemerkt, aangezien het verschoningsrecht immers toekomt aan de beroepsbeoefenaar (i.c. de advocaat) als zodanig en niet aan het samenwerkingsverband waarvan de desbetreffende beroepsbeoefenaar deel uitmaakt”, als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat aan klaagster als rechtspersoon geen zelfstandig verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv toekomt, is dat oordeel juist. Voor zover het middel hier van een andere opvatting uitgaat, faalt het.
4.6. Voor zover het middel erover klaagt dat de Rechtbank met haar overweging dat er geen ruimte is voor klaagster om naast [betrokkene 11] een beroep te doen op het verschoningsrecht, eraan voorbij ziet dat aan klaagster een afgeleid verschoningsrecht toekomt, geldt het volgende op.
4.7. In zijn beschikking van 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714 - waar het eveneens ging om een beslagene die zich op een afgeleid verschoningsrecht beriep - heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:
“3.3.3. De aard van de hier aan de orde zijnde afgeleide bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of stukken en gegevens object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9693, NJ 1994/552).
(…)
3.6. Indien ook de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, een klaagschrift heeft ingediend waarin is aangevoerd dat een geheimhouder een verschoningsrecht heeft op de uitgeleverde stukken of gegevens, doet zich de situatie voor dat in twee beklagprocedures het verschoningsrecht aan de orde is.
In de beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, dient het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt te worden genomen.