Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2016-04-15
ECLI:NL:PHR:2016:295
Civiel recht
2,625 tokens
Conclusie
1. [eiser 1]
2. Orthocyl B.V.
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerster 2]
Deze zaak betreft (wederom) de vraag of het gerechtshof Amsterdam akte niet-dienen van grieven mocht verlenen op basis van het per 1 januari 2013 geldende pilotreglement.
Feiten
en procesverloop
1.1 Eisers tot cassatie (hierna gezamenlijk: [eisers]) en verweerders in cassatie (hierna gezamenlijk: [verweerders]) zijn op 6 augustus 2007 met elkaar een vennootschap onder firma aangegaan, Orthodontiepraktijk [A] (hierna: de Vof). Door de Vof werd een orthodontiepraktijk uitgeoefend in [plaats].
1.2 De overeenkomst van vennootschap onder firma houdt onder artikel 25 een arbitragebeding in.
1.3 Tussen partijen zijn verschillen van mening ontstaan, waardoor de samenwerking uiteindelijk onmogelijk werd.
1.4 Omtrent het beëindigen van de samenwerking is een procedure gevoerd bij de kantonrechter, locatie Alkmaar. Op 23 februari 2011 is door partijen onder leiding van de kantonrechter als arbiter een schikking tot stand gekomen. De schikking houdt onder meer in dat partijen besluiten een einde te maken aan hun samenwerking per 1 januari 2011, dat [eiser 1] de praktijk in het gehuurde zal voortzetten en dat [eisers] binnen één maand volledige inzage krijgen in de cijfers en bankafschriften van de Vof.
1.5 Bij inleidende dagvaarding van 7 oktober 2011 hebben [eisers] [verweerders] gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar (huidige benaming: rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar) en daarbij veroordeling van [verweerders] gevorderd, verkort weergegeven:
(i) om op straffe van een dwangsom binnen 14 dagen de complete patiëntendossiers van 90 patiënten ter beschikking te stellen;
(ii) om op straffe van een dwangsom binnen 14 dagen de omschreven inventaris en voorraad ter beschikking te stellen;
(iii) tot betaling van een bedrag van € 4.863,00 ter zake van de beëindiging met onmiddellijke ingang van de “terbeschikkingstellingovereenkomst” van mevrouw Troha en haar collega;
(iv) tot betaling van een bedrag van € 879,61 ter zake van betaalde accountantskosten;
(v) tot betaling van een schadebedrag ter zake van de door [eisers] in het verleden gederfde en in de toekomst nog te derven omzet en winst, nader vast te stellen bij staat;
(vi) tot betaling van een voorschot op het gevorderde schadebedrag ter hoogte van € 80.000,- en voorts
(vii) een veroordeling in de kosten van deze procedure, vermeerderd (viii) met wettelijke rente.
Aan deze vorderingen hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat [verweerders] de voor hen uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen.
1.6 [verweerders] hebben allereerst in een incidentele conclusie een exceptie tot onbevoegdheid van de rechtbank opgeworpen, waarbij zij een beroep hebben gedaan op het arbitragebeding in de vennootschapsovereenkomst.
De rechtbank heeft zich bij vonnis van 14 maart 2012 bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering.
Vervolgens hebben [verweerders] inhoudelijk verweer gevoerd en tevens in reconventie veroordeling gevorderd van [eisers] tot betaling van een bedrag van € 7.303,64 vermeerderd met rente en kosten.
1.7 [eisers] hebben bij gelegenheid van de comparitie van partijen op 26 september 2012 een “conclusie van eis terzake van incidentele vordering tot nakoming exhibitieplicht, zoals bedoeld in de artikelen 162 en 843a Rv” ingediend, waarin zij veroordeling van [verweerders] bij incidenteel vonnis hebben gevorderd tot het overleggen van bepaalde in de conclusie genoemde (rekening)afschriften.
Ter comparitie heeft verweerder in cassatie sub 2 (hierna: [verweerster 2]) zich bereid verklaard zijn persoonlijke rekeningoverzichten voor een deskundigenonderzoek ter inzage over te leggen en werd tevens de bereidheid uitgesproken de door [betrokkene] op haar laptop bijgehouden administratie van de Vof over te dragen voor onderzoek.
1.8 De rechtbank heeft ter comparitie een deskundigenonderzoek in het vooruitzicht gesteld, waarna partijen in de gelegenheid zijn gesteld om bij akte de aan de deskundige voor te leggen vragen te formuleren. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 29 mei 2013 overwogen voornemens te zijn een bepaalde in het vonnis genoemde registeraccountant te benoemen en is de zaak verwezen naar de rol voor akte uitlating partijen ten aanzien van de voorgestelde deskundige en de hoogte van het voorschot.
1.9 Na bezwaren van [eisers] heeft de rechtbank bij vonnissen van 11 september 2013 en 20 november 2013 tot tweemaal toe een andere deskundige voorgesteld en heeft de rechtbank uiteindelijk bij vonnis van 8 januari 2014 een deskundigenonderzoek bevolen en een deskundige benoemd, waarbij expliciet voorbij is gegaan aan de door [eisers] bij akte geuite bezwaren tegen het derde voorstel van de rechtbank voor een te benoemen deskundige en tegen het door deze deskundige begrote voorschot (rov. 2.5). De rechtbank heeft bepaald dat het voorschot voor het deskundigenonderzoek ten bedrage van € 50.000,- moet worden voldaan door [eisers], binnen twee weken na een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie.
1.10 Bij brief van 27 januari 2014 hebben [eisers] verzocht de procedure wegens “recente gebeurtenissen”, namelijk de mogelijkheid dat [verweerster 2] alsnog “tot inkeer” komt, enige maanden “op te schorten” althans een nieuwe comparitie te gelasten.
[verweerders] hebben de gestelde gebeurtenissen betwist en bezwaar gemaakt tegen opschorting van de procedure dan wel het houden van een comparitie.
De rechtbank heeft bij brief van 18 februari 2014 afwijzend op het verzoek van [eisers] beslist en hen verzocht het voorschot binnen 14 dagen te betalen.
Betaling van het voorschot heeft niet plaatsgevonden.
1.11 De rechtbank heeft vervolgens op 4 juni 2014 eindvonnis gewezen, waarin de rechtbank heeft overwogen (in rov. 2.2) dat zij ervan uit gaat dat [eisers] geen prijs stelt op het deskundigenonderzoek en dat daaruit volgt dat, waar voor de beoordeling van de stellingen van partijen een deskundigenonderzoek noodzakelijk was, het niet houden van het onderzoek voor rekening en risico van [eisers] komt.
De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen in conventie afgewezen en [eisers] veroordeeld in de proceskosten.
Ten aanzien van de vordering in reconventie overweegt de rechtbank (in rov. 2.6) dat, hoewel dit niet uitdrukkelijk uit eerdere tussenvonnissen blijkt, [verweerders] zijn vordering in reconventie tijdens de op 26 september 2012 gehouden comparitie van partijen heeft gewijzigd in een voorwaardelijke vordering in reconventie. De rechtbank wijst ook deze vordering af en compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
1.12 [eisers] zijn bij dagvaarding van 11 juli 2014 van de vonnissen van 29 mei 2013, 11 september 2013, 20 november 2013, 8 januari 2014 en 4 juni 2014 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.
Op 16 september 2014 hebben zij een herstelexploot doen uitbrengen.
De zaak is aangebracht op de rol van 30 september 2014.
[eisers] hebben, na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, alsnog de inleidende dagvaarding en de originele appeldagvaarding overgelegd.
Vervolgens is op 27 november 2014 verstek verleend tegen [verweerders] en is de zaak op de rol van 2 december 2014 verwezen naar de rol van 13 januari 2015 voor het nemen van memorie van grieven.
Op de rol van 13 januari 2015 is verval verleend van het recht van appellanten op het nemen van een memorie van grieven.
1.13 Het hof heeft [eisers] vervolgens bij arrest van 10 februari 2015 bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.14 [eisers] hebben tegen dit arrest alsmede de daaraan ten grondslag liggende rolbeslissing van 13 januari 2015 tijdig cassatieberoep ingesteld.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
[eisers] hebben afgezien van een schriftelijke toelichting.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel klaagt dat het hof [eisers] zonder enige waarschuwing niet ontvankelijk heeft verklaard hetgeen gezien het arrest van Uw Raad van 17 april 2015niet had gemogen. Daartoe wordt betoogd dat het hier een identieke zaak betreft.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2015 alsmede van de rolbeslissing van 13 januari 2015 en tot terugwijzing naar dit hof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Pilot gerechtshof Amsterdam, Aanpassing van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij gerechtshoven.
Voor zover thans van belang. De weergave van de feiten in 1.1-1.4 is ontleend aan rov. 2.1-2.2 van het vonnis van de rechtbank Alkmaar (huidige benaming: rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar) van 29 mei 2013.
Sterk verkort. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1.1-1.4 van het vonnis van 14 maart 2012, rov. 3.1- 3.5 van het vonnis van 29 mei 2013, rov. 1.1-1.3 van het vonnis van 11 september 2013, rov. 2.1-2.3 van het vonnis van 20 november 2013, rov. 2.1-2.3 van het vonnis van 8 januari 2014 en 2.1 van het vonnis van 4 juni 2014. Zie voor het procesverloop in hoger beroep rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2015.
Zie het vonnis van de rb. Noord-Holland van 29 mei 2013, rov. 3.1.
Zie rov. 2.1 vonnis van de rb. Noord-Holland van 4 juni 2014.
De cassatiedagvaarding is op 11 mei 2015 uitgebracht. Aangezien de laatste dag van de cassatietermijn (10 mei 2015) op een zondag viel, is de cassatietermijn op grond van art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet met een dag verlengd, als gevolg waarvan de cassatiedagvaarding op 11 mei 2015 tijdig is uitgebracht.
ECLI:NL:HR:2015:1075, RvdW 2014/565, JIN 2015/133 m.nt. N. de Boer. Zie voor een bespreking van de arresten van de Hoge Raad over de pilotreglementen van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Amsterdam tevens de annotatie van H.W. Wiersma bij HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2464, JBPr 2016/4.
In mijn op 5 februari jl. genomen conclusie in de zaak 15/02096.
Gewezen na de datum van het arrest van het hof in de onderhavige zaak.