Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2016-01-26
ECLI:NL:PHR:2016:154
Strafrecht
2,019 tokens
=== VOLLEDIG ===
Nr. 14/06236 H
Zitting: 26 januari 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Nadere conclusie inzake:
[aanvrager]
De aanvrager van herziening is bij vonnis van 14 september 2007 in de zaak met parketnummer 14/700166-07 door de politierechter in de Rechtbank te Alkmaar veroordeeld tot een geldboete van € 390, te vervangen door 7 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, wegens overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 op 10 december 2006. Het vonnis is onherroepelijk geworden.
Namens de aanvrager heeft Mr. T.N. van Riel, advocaat te Alkmaar, een verzoek tot herziening van het vonnis ingediend vanwege een persoonsverwisseling, omdat iemand anders zich als aanvrager heeft voorgedaan tijdens de aanhouding op 10 december 2006.
Op 12 mei 2015 heb ik geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat deze op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
In zijn arrest van 15 september 2015 heeft de Hoge Raad in verband met de beoordeling van de proceshouding van de aanvrager drie vragen gesteld aan de raadsvrouw van aanvrager met het verzoek deze schriftelijk te beantwoorden:
“(a) waarom de aanvrager - na aanhouding van de zaak met het oog op het onderzoek van het door hem gevoerde verweer - niet is verschenen op de nadere terechtzitting van de Politierechter,
(b) waarom hij ondanks de niet-honorering van het in eerste aanleg gevoerde verweer, geen grieven heeft voorgesteld na het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter noch ter terechtzitting van het Hof is verschenen, en
(c) hoe het tijdsverloop is te verklaren tussen het opmaken van het proces-verbaal van 3 juni 2010 waarop de aanvraag steunt, en de indiening van de aanvraag, die op 12 december 2014 - dus bijna drie-en-een-half jaar later - bij de Hoge Raad is ingekomen.”
In hetzelfde arrest heeft de Hoge Raad mij gevraagd bij de verbalisante [verbalisant 1] bij aanvullend proces-verbaal haar redenen van wetenschap te doen geven wat betreft haar verklaring dat zij "met 100 percent zekerheid [kan] zeggen" dat de aanvrager niet de persoon is die zij in de nacht van 10 december 2006 bij een alcoholcontrole heeft aangehouden.
Ik zal eerst de nadere informatie die is binnengekomen met betrekking tot de proceshouding van de aanvrager bespreken en daarna de redenen van wetenschap van [verbalisant 1].
Proceshouding aanvrager
5. Op 25 oktober 2015 heeft de raadsvrouw van aanvrager schriftelijk en gedocumenteerd op de drie bovengemelde vragen met betrekking tot de proceshouding van aanvrager gereageerd. Hieruit komt naar voren dat de verstandelijke vermogens van aanvrager beperkt zijn, hetgeen wordt onderbouwd door de omstandigheid dat aanvrager in de periode 2006-2010 speler was in het Nederlands ID-voetbalelftal, dat bestaat uit de beste Nederlandse voetbalspelers met een IQ van maximaal 75 en door de resultaten van een psychologisch onderzoek dat op 11 juni 2012 heeft plaatsgevonden en dat is overgelegd als bijlage 3. Deze resultaten bevestigen dat aanvrager functioneert op een zwakbegaafd niveau. Informatief is het citaat dat de raadsvrouw aanhaalt uit dit onderzoek:
‘Zijn kennis van het hoe en waarom van alledaagse situaties en afspraken is beperkt (...). Bij moeilijke taken geeft hij snel op en vertoont hij weinig doorzettingsvermogen.’ (bijlage 3, pagina 5, gearceerde tekst).
En:
‘Opdrachten en instructies zullen eenvoudig, letterlijk en concreet moeten zijn. Geef informatie niet te snel en in kleine eenheden en herhaal instructies regelmatig.’ (bijlage 3, pagina 6, gearceerde tekst)
6. Bovendien verbleef aanvrager volgens zijn raadsvrouw tijdens de strafzaak niet op het toenmalige GBA-adres omdat die woning onbewoonbaar was en leidde hij een min of meer zwervend bestaan. Uit de informatie die de raadsvrouw verstrekt blijkt ook dat aanvrager ten tijde van de strafzaak geen advocaat heeft ingeschakeld, wellicht wederom vanwege zijn beperkte verstandelijke vermogens. Dit verklaart waarom aanvrager niet op de door de Hoge Raad in zijn vragen onder a en b genoemde terechtzittingen is verschenen c.q. een memorie van grieven heeft ingediend of laten indienen en waarom het zo lang geduurd heeft voordat er een herzieningsverzoek is ingediend.
7. Uiteindelijk heeft de aanvrager zich in de tweede helft 2014 gewend tot zijn huidige raadsvrouw welke vervolgens voortvarend tewerk is gegaan. Zij heeft op 2 september 2014 het dossier opgevraagd en om een afschrift van het aanvullend proces-verbaal van 3 juni 2010 verzocht. Na verstrekking van deze stukken, waarvan het laatste stuk door het OM op 5 november 2014 is toegezonden, is de aanvraag tot herziening op 12 december 2014 ingediend.
8. Mijn conclusie ten aanzien van de proceshouding van aanvrager is dat deze hem, op grond van de door de raadsvrouw verstrekte informatie, waaraan gelet op de bijgevoegde stukken naar mijn mening niet getwijfeld hoeft te worden, in het kader van onderhavige herzieningsprocedure niet kan worden tegengeworpen. Deze informatie maakt inzichtelijk waarom aanvrager niet op de zittingen bij de politierechter en het hof is verschenen en waarom er in hoger beroep geen grieven zijn ingediend. Zij verklaren ook het tijdsverloop tussen het opmaken van het proces-verbaal van 3 juni 2010 en de indiening van de herzieningsaanvraag op 12 december 2014.
Redenen van wetenschap van verbalisante [verbalisant 1]
9. Zoals door de Hoge Raad verzocht heb ik op 16 september 2015 via het College van procureurs-generaal verzocht om een proces-verbaal van verbalisante [verbalisant 1] omtrent haar redenen van wetenschap dat zij "met 100 percent zekerheid [kan] zeggen" dat de aanvrager niet de persoon is die zij in de nacht van 10 december 2006 bij een alcoholcontrole heeft aangehouden.
10. Hierop heeft [verbalisant 1] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat op 11 november 2015 aan de Hoge Raad is toegezonden, waarin zij op ambtseed verklaart:
“Op 3 juni 2010 heb ik een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt met betrekking tot een negatieve herkenning van [aanvrager] op 5 mei 2015. Zie hiervoor proces-verbaal van bevindingen PL10AL-2010059174-2. Dit proces-verbaal van bevindingen was abusievelijk niet ondertekend. Hiervan heb ik een nieuw proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat eerder genoemd proces-verbaal door mij op ambtseed was opgemaakt. Zie hiervoor proces-verbaal PL1100-2015096202-03.
De Hoge Raad heeft aan mij verzocht een proces-verbaal op te maken, waarom ik destijds met 100 percent zekerheid kan zeggen dat [aanvrager] niet de persoon is geweest die ik in de nacht van 10 december 2006 heb aangehouden. Daar deze incidenten respectievelijk 5 en 9 jaar geleden hebben afgespeeld kan ik niet meer zeggen dat ik weet hoe de persoon er 9 jaar geleden heeft uitgezien. Ook kan ik niet meer zeggen dat ik zeker weet dat [aanvrager] niet de bestuurder is geweest die ik op 10 december 20106 heb aangehouden.”
11. De vraag is hoe dit nu geïnterpreteerd moet worden. Ik leid hieruit af dat [verbalisant 1] blijft bij hetgeen zij op 3 juni 2010 heeft verklaard en naderhand op ambtseed nog een keer heeft bevestigd, namelijk dat zij met 100 procent zekerheid kan stellen dat de aanvrager niet de persoon is die zij in de nacht van 10 december 2006 bij een alcoholcontrole heeft aangehouden, maar dat zij nu niet meer kan aangeven waarop zij deze wetenschap indertijd heeft gebaseerd. Wat dat betreft kan ik mij vinden in de lezing die de raadsvrouw hiervan in haar reactie d.d.