Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2015-06-09
ECLI:NL:PHR:2015:967
Strafrecht
6. De echtgenoot van de laatstgenoemde, vierde vrouw heeft zich van de “Shuvu Banim” gemeenschap losgemaakt nadat hij [de opgeëiste persoon] en een andere vrouw naakt had gezien in het huis van [de opgeëiste persoon]. Op een in het uitleveringsverzoek niet aangeduide datum heeft [de opgeëiste persoon] twee studenten, tevens volgelingen, opgedragen die man te slaan en diens botten te breken. Begin februari 2013 hebben beide studenten de man op de grond gewerkt en geslagen. Op 15 februari 2013 is diezelfde man bij het verlaten van een synagoge in Jeruzalem door die twee studenten geslagen en geschopt. 7. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte de stukken genoegzaam heeft geoordeeld voor wat betreft de nauwkeurigheid van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht en het tijdstip waarop deze zijn begaan. In het bijzonder wordt erover geklaagd dat de namen van de slachtoffers niet zijn opgenomen en dat niet is aangegeven wanneer [de opgeëiste persoon] de mishandeling met voorbedachten rade zou hebben uitgelokt. 8. Het middel miskent het karakter van de uitleveringsprocedure dat weliswaar ten dienste staat van het strafproces in de verzoekende staat Israël maar hier, in de aangezochte staat, geen strafproces is. Het rechtshulpkarakter van de uitleveringsprocedure verklaart waarom aan de uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, geen al te verstrekkende eisen worden gesteld, zoals het geval zou zijn als het zou gaan om een tenlastelegging in een Nederlands strafproces. In de uitleveringsprocedure komt de Nederlandse rechter geen oordeel toe over wat in Israël te doen gebruikelijk is bij de vermelding van namen van slachtoffers in een strafproces. De opgeëiste persoon kan zich in Israël in het daar tegen hem te voeren strafproces verweren tegen de tegen hem ingebrachte beschuldigingen die op basis van het onderzoek nog verder kunnen worden geconcretiseerd. De uitlevering is immers verzocht ter fine van strafvervolging zodat nader onderzoek niet is uitgesloten. In Israël kan worden verduidelijkt op welke wijze [de opgeëiste persoon] de mishandeling met voorbedachten rade zou hebben uitgelokt, voor zover dat naar Israëlisch recht nodig is. Het oordeel van de rechtbank, dat de stukken genoegzaam zijn wat betreft de nauwkeurigheid waarin de feiten zijn omschreven, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. 9. Het middel faalt. 10. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verzoekende staat geen rechtsmacht toekomt. 11. Ter zitting van de rechtbank van 29 januari 2015 heeft de raadsman aangevoerd dat Israël geen rechtsmacht toekomt met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Kort en zakelijk samengevat wordt daartoe aangevoerd dat een deel van de feiten zich heeft voorgedaan in Oost-Jeruzalem en in een nederzetting (Beitar Illit) die zich bevindt in een van de door Israël bezette gebieden die voor de Zesdaagse Oorlog in 1967 tot het grondgebied van Jordanië werden gerekend, namelijk op de Westelijke Jordaanoever. Ter zitting is bovendien aangevoerd dat [de opgeëiste persoon] niet de Israëlische nationaliteit bezit, zodat de rechtsmacht van de verzoekende staat daarop evenmin kan worden gebaseerd. 12. In het verweer wordt verwezen naar een resolutie van de VN-Veiligheidsraad, een Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof en (de naleving door Israël van) het Oslo-akkoord. Het lijkt mij niet nodig hier de inhoud van het verweer integraal weer te geven. De conclusie houdt in “dat de Israëlische nederzettingen zoals Beitar Illit en de annexatie van Oost Jeruzalem niet enige legale status kan worden toegedicht. Derhalve kan niet worden gezegd dat de Israëlische autoriteiten rechtsmacht hebben ten aanzien van de vermeende gepleegde feiten in Beitar Illit en Jeruzalem.” 13. De rechtbank heeft het verweer verworpen. Als uitgangspunt heeft de rechtbank vooropgesteld dat de Nederlandse rechter die heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van een uitlevering in beginsel geen oordeel toekomt over de rechtsmacht van de verzoekende staat. Daarop is naar de kennelijke opvatting van de rechtbank een uitzondering mogelijk. De rechtbank heeft vervolgens een hoge drempel opgeworpen voor het honoreren van een verweer waarin wordt aangevoerd dat de verzoekende staat geen rechtsmacht heeft met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. 14. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 oktober 1990 dit uitgangspunt inderdaad verwoord en daarbij een “uitzonderlijk geval” aangewezen dat erin is gelegen “dat exact zodanige feiten en omstandigheden behoren te worden aangegeven waaruit een rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat de verzoekende Staat ter zake van het feit waarvoor uitlevering is verzocht, geen rechtsmacht toekomt en derhalve, bij gebleken juistheid van het vermoeden, geen belang meer bij de uitlevering zou hebben.” Ik versta dit arrest aldus dat in zo een uitzonderlijk geval de uitleveringsrechter op dit verweer moet responderen en indien de aangevoerde feiten en omstandigheden naar haar oordeel juist zijn gebleken, de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren. 15. De rechtbank verwijst in haar uitspraak terecht naar dit uitgangspunt en dit bijzondere geval. De rechtbank overweegt in haar uitspraak dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval omdat “de enkele omstandigheid dat de feiten buiten het grondgebied van Israël zouden zijn begaan en dat de opgeëiste persoon niet de Israëlische nationaliteit zou hebben” naar het oordeel van de rechtbank “niet een voren omschreven rechtstreeks en ernstig vermoeden” rechtvaardigen. Op dit oordeel kom ik terug. 16. Na zijn arrest van 16 oktober 1990 heeft de Hoge Raad de eisen die worden gesteld aan het bijzondere geval waarin de uitlevering ontoelaatbaar zou zijn wegens het ontbreken van rechtsmacht, nog iets aangescherpt. In zijn arrest van 5 september 2006 is als voorwaarde gesteld dat het ontbreken van rechtsmacht “hetzij rechtstreeks volgt uit de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, hetzij anderszins, zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf, door de uitleveringsrechter als vaststaand kan worden aangenomen, bijvoorbeeld op grond van hetgeen door of namens de opgeëiste persoon bij de behandeling van het uitleveringsverzoek naar voren is gebracht.” Voor de onderhavige zaak zou dit betekenen dat op grond van hetgeen door de raadsman bij de behandeling van het uitleveringsverzoek naar voren is gebracht “zonder diepgaand onderzoek” als vaststaand kan worden aangenomen dat Israël geen rechtsmacht toekomt. 17. De stelling waarop het verweer berust – dat Israël geen rechtsmacht toekomt doordat de nederzetting en Oost-Jeruzalem niet behoren tot het grondgebied van Israël dat door de internationale gemeenschap waaronder Nederland is erkend – kan door de uitleveringsrechter niet “zonder diepgaand onderzoek” worden beoordeeld laat staan als vaststaand worden aangenomen. Ik zou nog verder willen gaan door te stellen dat de uitleveringsrechter niet de aangewezen rechter is om zich uit te laten over de door de internationale gemeenschap erkende grenzen van de staat Israël. Hier komt bij dat zelfs indien het verweer inhoudelijk juist zou zijn, dit weliswaar zou betekenen dat de rechtsmacht van Israël waarschijnlijk niet op het territorialiteitsbeginsel zou berusten maar daarmee geenszins is gegeven dat Israël überhaupt geen rechtsmacht heeft over de feiten. 18. Een voor de hand liggende grondslag waarop de Israëlische strafwet toepasselijk zou kunnen zijn op buiten Israël begane strafbare feiten is het actief nationaliteitsbeginsel dat aanknoopt bij de nationaliteit van de verdachte (i.c. de opgeëiste persoon [de opgeëiste persoon]). [de opgeëiste persoon] 1. De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlemmermeer, heeft bij uitspraak van 12 februari 2015 de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Israël toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten zoals omschreven in het verzoek tot uitlevering van het ministerie van Justitie van Israël d.d. 23 september 2014 dat aan de uitspraak is gehecht. 2. Namens de verdachte heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. 3. De opgeëiste persoon wordt in het uitleveringsverzoek omschreven als een bekende Orthodoxe rabbijn en geestelijk leider, die het hoofd is van de “Shuvu Banim” Talmud academie in Jeruzalem, die gelieerd is aan de Breslov chassidische sekte. 4. Voordat ik de middelen bespreek, vat ik de feiten samen zoals die in het uitleveringsverzoek zijn weergegeven en waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard.