Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2015-01-20
ECLI:NL:PHR:2015:387
Strafrecht
4,248 tokens
Conclusie
[klaagster]
1. De Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 21 augustus 2013 het beklag van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing (eventueel onder voorwaarden) van het beslag op de woning [de woning], ongegrond verklaard.
2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.
3. Namens klaagster heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het beklag. In het bijzonder wordt geklaagd dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, althans haar beslissing onvoldoende met redenen heeft omkleed.
4.2. Het namens de klaagster ingediende klaagschrift houdt het volgende in:
“1. Er door de OvJ in Spanje in de strafzaak tegen klaagster met parketnummer 05.900000-10 conservatoir beslag is gelegd op de woning [de woning] (Bijlage 1) die eigendom van klaagster is.
2. Op 22 november 2012 aan de OvJ in de brief met kenmerk JR/999/18 verzocht is om dit beslag op te heffen zodat deze woning verkocht kan worden (Bijlage 2).
3. Dit verzoek op 9 januari 2013 en 7 februari 2013 nader is uitgewerkt in twee brieven aan het BOOM met kenmerk JR/999/23 en JR/999/25 aan het BOOM (Bijlage 3+4).
4. Op 18 februari 2013 dit verzoek namens de OvJ is afgewezen (Bijlage 5).
5. De verdediging heeft op 26 februari 2013 in de brief met kenmerk JR/999/27 nog om meer duidelijkheid ten aanzien van deze afwijzing verzocht (Bijlage 6).
6. De OvJ naar aanleiding van dit schrijven telefonisch heeft kenbaar gemaakt dat de hij beoogde koper [betrokkene 1] niet accepteert onder verwijzing naar de eerder door hem ten aanzien van deze koper geformuleerde verdenking met de mededeling: “dat blijft voor mij staan ik krijg het alleen technisch niet rond”.
7. Klaagster door deze gang van zaken ernstig in haar belangen wordt geschaad omdat bij verkoop van de woning er op dit moment een overwaarde ontstaat. Deze overwaarde met de dag kleiner wordt en dreigt om te slaan in een schuld omdat de hypotheeklasten al geruime tijd niet meer betaald kunnen worden, het noodzakelijke (achterstallig) onderhoud niet meer gepleegd kan worden en de onroerendgoed markt in Spanje zich nog steeds in een neergaande spiraal bevindt.
8. Er voor de OvJ geen enkel risico is omdat zonder enig voorbehoud met de notaris kan worden overeengekomen – en dit ook de wens van klaagster is – dat de volledige koopsom na aftrek van kosten naar het BOOM dient te worden overgemaakt. Het blote argument dat de koper zich mogelijk schuldig zou maken aan witwassen geen enkel hout snijdt omdat de OvJ de strafzaak tegen koper in hetzelfde onderzoek na een zeer grondig en volledig onderzoek ter zake van witwassen geseponeerd heeft wegens onvoldoende bewijs. Bovendien juist helemaal niets verhuld wordt omdat deze transactie in het geheel via de bank verloopt en juist uitermate transparant is.
REDENEN, waarom klaagster zich wendt tot uw rechtbank met het eerbiedig verzoek het beslag op de bovengenoemde woning (onder voorwaarden) op te heffen.”
4.3. Bij de behandeling in raadkamer is door de raadsman van klaagster onder meer het volgende aangevoerd:
“De raadsman merkt vervolgens op:
De officier van justitie heeft een en ander redelijk ruim omschreven, maar dat is de visie van de officier van justitie. De officier van justitie had een aantal voorwaarden gesteld maar de voorwaarde van "Inzicht in de herkomst van het aankoopbedrag" was mij niet bekend. De officier van justitie stelt dat het geheel is gestrand op de persoon van de koper. De koper betreft [betrokkene 1] maar er is op zeker moment ook nog een tweede koper in beeld geweest.
In eerste instantie is de bereidheid van de officier van justitie gevraagd.
De officier van justitie was bereid medewerking te verlenen aan die verkoop. Vervolgens is de officier van justitie gevraagd hoe een en ander geregeld moest worden. Klaagster was op dat moment bezig met twee potentiële kopers. De officier van justitie heeft op enig moment laten weten dat hij een taxatierapport van de woning wilde. Klaagster heeft dat geregeld. Het verkopen van de woning is bedoeld om het oplopen van de schulden een halt toe te roepen en die schuld te beperken. De overwaarde die zou overblijven na de verkoop zou onder het beslag kunnen blijven liggen.
Op zeker moment is ervoor gekozen verder te gaan met [betrokkene 1]. De officier van justitie schetst nu een beeld dat er een relatie zou zijn tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Die relatie bestaat, maar dat is geen strafbare relatie en dat heeft de officier van justitie ook zelf geconstateerd aangezien [betrokkene 1] niet wordt vervolgd. [betrokkene 1] kan en mag in heel Nederland woningen kopen, maar wanneer hij, aldus de officier van justitie, met [betrokkene 2] en/of [klaagster] zaken wil doen dan zegt de officier van justitie daar doen wij niet aan mee. [betrokkene 1] hoeft nergens toestemming voor te vragen. Door de kennisgeving van niet verdere vervolging is [betrokkene 1] een persoon van onbesproken gedrag. [betrokkene 1] koopt en verkoopt panden, maar dat mag niet van de officier van justitie als [klaagster] en/of [betrokkene 2] in beeld komen.
Na een lange aanloopfase zegt de officier van justitie ineens niet langer mee te willen doen en hij vraagt de rechter nu om het daarmee eens te zijn. De officier van justitie zegt niets over een mogelijke gedraging van [betrokkene 1] die te verwachten zou kunnen zijn. Het aankoopbedrag voor de woning komt uit het vermogen van [betrokkene 1] zelf. Er is een taxatierapport overgelegd. Omdat [betrokkene 1] in het verleden kennelijk bij [betrokkene 2] gezeten heeft en dingen gedaan zou hebben die volgens de officier van justitie het daglicht niet konden verdragen, gaat de officier van justitie niet mee in de verkoop van de woning aan [betrokkene 1]. Ondanks het vermoeden dat de officier van justitie richting [betrokkene 1] heeft, besluit hij wel hem niet verder te vervolgen. Vreemd.
Laat [betrokkene 1] die woning toch gewoon kopen. Hij doet niet meer dan een stukje onroerend goed kopen wat hij wellicht gelijk weer verkoopt, verhuurt of voor zichzelf gaat gebruiken. Wat [betrokkene 1] met die woning doet is voor klaagster niet van belang. Klaagster heeft oplopende problemen bij de bank. Tot de naam van [betrokkene 1] naar voren kwam was de officier van justitie bereid mee te werken aan een verkoop en de conclusie van de officier van justitie verbaasde mij dan ook.
Er ligt nu wel een koopcontract tussen klaagster en [betrokkene 1]. Op enig moment zal geleverd moeten worden. De officier van justitie heeft verzocht om een koopcontract. Dat contract is geheel conform de wens van de officier van justities opgemaakt. Er moet nu geleverd worden, maar omdat het aan [betrokkene 1] geleverd moet worden werkt de officier van justitie niet langer mee.
Ik sta hier voor de belangen van klaagster. Met de voorgenomen verkoop aan [betrokkene 1] is niets mis. Er ligt een officieel taxatierapport en een officieel koopcontract. De officier van justitie vraagt veel maar enig recht aan [betrokkene 1] te vragen waar hij het geld voor de aankoop vandaan heeft, heeft hij niet. De officier van justitie zet een onschuldige burger neer als een potentiële boef en enige indicatie dat er iets is mis met deze transactie is er niet.
U kent het dossier. De officier van justitie heeft bij een van de bedrijf beslag gelegd ter waarde van 4,5 miljoen euro. Na verkoop bleef daar slechts 1,1 miljoen euro van over. Na aftrek van diverse kosten blijft er van die 4,5 miljoen slechts 160,000 euro over. De bank staat elke maand weer bij klaagster op de stoep omdat er niet betaald wordt. Er kan niet betaald worden. Er is nu een oplossing binnen handbereik en wat maakt het uit voor de officier van justitie om die oplossing te aanvaarden?”
4.4.
Beoordeling
(…)
Strafvorderlijk belang
Het onderzoek ter terechtzitting tegen klaagster is op 11 mei 2011 aangevangen. Ter terechtzitting d.d. 28 november 2012 heeft de officier van justitie een vordering nadere omschrijving tenlastelegging ingediend welke vordering de rechtbank heeft toegewezen. De officier van justitie verwijt klaagster dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feiten 1 en 2) en valsheid in geschrift (feit 3).
Met betrekking tot de inbeslagname van de woning op zich, het klassiek beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering en het conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, wordt door klaagster geen verweer gevoerd. De raadkamer zijn anderszins geen feiten of omstandigheden bekend die, binnen het kader van de marginale toetsing, ertoe zouden moeten leiden dat het beslag op de woning, gelet op het strafvorderlijk belang, zou moeten worden opgeheven.
Dit maakt dat de raadkamer van oordeel is dat zich op dit moment nog steeds de omstandigheid voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter, later oordelend over de strafzaak tegen klaagster de woning zal verbeurd verklaren dan wel dat er een voordeelsontneming wordt uitgesproken.
De raadkamer merkt nog op dat het niet aan deze kamer is die, conform artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering slechts marginaal toetst of er voldoende strafvorderlijk belang is het beslag te laten voortduren, zich te mengen in een geschil tussen klaagster en de officier van justitie betreffende de verkoop van een pand waarop het beslag rust.
De raadkamer zal derhalve beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.
Dictum
Verklaart het klaagschrift ongegrond.”
4.5.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat op de woning zowel op grond van art. 94 Sv als op grond van art. 94a Sv beslag is gelegd. Voor een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag geldt dat geoordeeld kan worden dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter het desbetreffende voorwerp zal verbeurdverklaren. Voor een op voet van art. 94a Sv gelegd beslag geldt dat, indien sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, het belang van de strafvordering bij handhaving van het beslag aanwezig kan worden geoordeeld als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd. Geconcludeerd kan derhalve worden dat de Rechtbank de hier toepasselijke maatstaven heeft gehanteerd. Dat wordt door het middel ook niet betwist.
4.6.
De vraag waarop het aankomt, is of het oordeel van de Rechtbank juist is dat het niet aan de beklagrechter is om “zich te mengen in een geschil tussen klaagster en de officier van justitie betreffende de verkoop van een pand waarop het beslag rust”. In dit verband is van belang dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in het kader van het conservatoir beslag geldt dat de toe te passen maatstaf niet uitsluit dat de Rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hetzelfde geldt naar mag worden aangenomen als het gaat om een op voet van art. 94 Sv gelegd beslag.
4.7.
Art. 118a Sv biedt ingeval van conservatoir beslag de mogelijkheid van teruggave onder zekerheidsstelling. Als de beslagene aanbiedt om voldoende zekerheid te stellen, lijkt mij dat een schoolvoorbeeld van een geval waarin voortzetting van het beslag strijdt met de eis van subsidiariteit. Over de weigering van de OvJ om op het aanbod in te gaan, moet dan ook op voet van art. 552a Sv geklaagd kunnen worden. Dat wordt niet anders als niet voor de figuur van zekerheidsstelling wordt gekozen, maar voor die van vervangend beslag op de koopsom. Ik merk daarbij op dat die figuur, anders dan de teruggave onder zekerheidsstelling, ook bij beslag ex art. 94 Sv mogelijk lijkt te zijn.
4.8.
De vraag is wat de “daarmee overeenkomende last” zou moeten zijn als de rechtbank het beklag in een geval als het onderhavige gegrond verklaart. Art. 552a Sv voorziet, anders dan art. 353 Sv, niet expliciet in de mogelijkheid om teruggave onder zekerheidsstelling te gelasten. Analoge toepassing van art. 353 Sv op de beklagprocedure lijkt daarbij niet goed te verdedigen. Het komt mij voor dat de beklagrechter die bevindt dat het voortduren van het beslag in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel, de behandeling van het beklag voor een bepaalde termijn dient aan te houden om de OvJ in de gelegenheid te stellen met de beslagene tot een vergelijk te komen. Oordeelt de rechtbank na ommekomst van die termijn dat het aan de OvJ is te wijten dat het niet tot een bevredigende oplossing is gekomen, dan kan zij het beklag zonder meer gegrond verklaren en teruggave gelasten. De (dreigende) last tot teruggave fungeert dan dus als de bekende stok achter de deur.
4.9.
De Rechtbank heeft het voorgaande miskend. Gelet op hetgeen namens klaagster is aangevoerd, was er voor de Rechtbank alle reden om te onderzoeken of de voortzetting van het beslag in overeenstemming was met in het bijzonder de eis van subsidiariteit. Ik merk daarbij op dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van de strafvordering gelegen was in het veiligstellen van de executie. Dat is in het kader van de inbeslagneming een legitiem belang. De reden waarom de OvJ zich tegen de verkoop verzette, heeft met dat legitieme belang niets van doen. Daarom riekt dat verzet naar détournement de pouvoir. Bovendien staat dat verzet, gezien de kennisgeving van niet verdere vervolging die de koper heeft gekregen, op gespannen voet met de onschuldpresumptie.
4.10.
Het middel is terecht voorgesteld.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66. Zie verder ook: HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311; HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977; HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:833, NJ 2014/278 m.nt. B.F. Keulen; HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, NJ 2008/63.
Zie in het bijzonder HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9296, waarin de Hoge Raad het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de proportionaliteit op begrijpelijkheid toetste.
Vgl. A-G Van Dorst, punt 9.1 van de conclusie die voorafging aan HR 2 maart 1999, NJ 1999/416; R.M. Vennix, Boef en beslag, p. 279; Wöretshofer in: Melai/Groenhuijsen, aant. 10 op art. 118a en eveneens in: T&C Strafvordering, aant. op 118a.
Hier doet zich overigens wel het probleem voor of de opbrengst van de verkoop door de beslagene gelijk gesteld kan worden met het verbeurd te verklaren voorwerp. Als het gaat om een voorwerp waarmee het feit is begaan, lijkt mij dat bijvoorbeeld problematisch (terwijl het oorspronkelijke voorwerp na verkoop niet meer aan de verdachte toebehoort, zodat ook verbeurdverklaring op voet van art. 34 Sr niet mogelijk lijkt te zijn). Als de woning kan worden aangemerkt als een voorwerp met betrekking tot welke het witwassen waarvan de klaagster wordt verdacht, is begaan, kan mogelijk wel gezegd worden dat dit witwassen ook met betrekking tot de opbrengst van die woning is begaan. Dit alles kan hier verder blijven rusten, omdat de OvJ zich niet op deze grond tegen de verkoop van de woning heeft verzet en het bovendien de vraag is of handhaving van het beslag op deze grond in het onderhavige geval (waarin ook sprake is van conservatoir beslag) in overeenstemming zou zijn met de eis van proportionaliteit.
Art. 353 Sv heeft, gezien het eerste lid van het artikel, alleen betrekking op beslag ex art. 94 Sv. De strekking van de zekerheidsstelling is bovendien een andere dan die van art. 118a Sv. Zie Wöretshofer in: Melai/Groenhuijsen, aant. 6 op art. 353.
Dat zou anders zijn als de OvJ op grond van de nauwe relatie tussen de koper en de beslagene vreesde voor een te lage opbrengst.