Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2015-12-18
ECLI:NL:PHR:2015:2486
Civiel recht
2,408 tokens
Conclusie
[eiser]
tegen
Webpoort B.V. h.o.d.n. [A]
Deze zaak betreft de vraag of het gerechtshof de per fax ingediende memorie van grieven buiten behandeling mocht laten.
Feiten
en procesverloop
1.1 Op 8 oktober 2008 zijn eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) en verweerder in cassatie (hierna: Webpoort) overeengekomen dat Webpoort een website (eurohobbynet.com) zou ontwerpen voor [eiser] voor de prijs van € 14.607,25 inclusief btw. De tussen partijen gemaakte betalingsafspraak was dat [eiser] 10% zou aanbetalen, 60% zou betalen bij oplevering van de website en 30% als de website na oplevering goed zou functioneren.
1.2 Bij e-mail van 23 april 2009 aan Webpoort heeft [eiser] zijn eerder mondeling en schriftelijke geuite ontevredenheid over de prestaties van Webpoort herhaald en heeft [eiser] Webpoort verzocht en - voor zover nodig gesommeerd – “uiterlijk op 1 mei 2009 schriftelijk te reageren op deze ingebrekestelling”.
1.3 Webpoort heeft bij e-mail van 4 mei 2009 als volgt gereageerd:
“Op dit moment kan ik niet anders zeggen dat ik er een behoorlijk potje van heb gemaakt en kan begrijpen dat je waarschijnlijk behoorlijk de p... in hebt dat er op dit moment nog zo weinig vooruitgang is geboekt. Kan wel met allemaal excuses aankomen, maar dat maakt denk ik weinig meer uit ”.
1.4 Op 20 mei 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de coach van [eiser], [betrokkene 1], en [betrokkene 2] van Webpoort, waarna de toen gemaakte afspraken bij e-mail van de coach van 25 mei 2009 zijn bevestigd. Onderdeel daarvan was dat de website op 20 juni 2009 zou worden opgeleverd.
1.6 Webpoort heeft [eiser] bij brief van 26 mei 2010 gemeld dat de website klaar was om online te plaatsen en heeft daarbij verzocht om de laatste termijn van € 3.651,81 inclusief btw te voldoen.
1.7 Bij brief van 21 juni 2010 aan Webpoort heeft [eiser] op deze brief gereageerd en daarin onder meer geschreven dat er nog meer dan 500 tekortkomingen zijn die voor een deel al eerder zijn vermeld en heeft hij de opdracht ingetrokken, de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en verzocht de al door hem betaalde bedragen te retourneren.
1.8 Bij vonnis van 28 april 2011 heeft de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam de vordering van Webpoort tot betaling door [eiser] van het restant bedrag van € 3.651,81 afgewezen met compensatie van de kosten. Van dit vonnis is geen beroep ingesteld.
1.9 [eiser] heeft Webpoort bij dit geding inleidende dagvaarding van 15 april 2013 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, sectie Kanton, locatie Hoorn en heeft daarbij primair ontbinding gevorderd van de tussen partijen gesloten overeenkomst met veroordeling van Webpoort tot betaling van een bedrag van € 10.225,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en subsidiair veroordeling van Webpoort tot betaling van een bedrag van € 10.225,08 wegens toerekenbare tekortkoming.
Webpoort heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
1.10 Nadat bij vonnis van 29 juli 2013 een comparitie van partijen was gelast, die op 30 oktober 2013 heeft plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij vonnis van 25 november 2013 voor recht verklaard dat de tussen partijen gesloten overeenkomst op 21 juni 2010 (buitengerechtelijk) is ontbonden en de zaak voor het overige naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser] om zijn schade nader te onderbouwen.
1.11 Vervolgens heeft de kantonrechter bij vonnis van 28 april 2014 de gevorderde schadevergoeding afgewezen omdat deze bij akte niet nader is onderbouwd.
1.12 [eiser] is bij dagvaarding van 28 juli 2014 van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.
1.13 De zaak is aangebracht op de rol van 7 oktober 2014.
Tegen Webpoort is op diezelfde roldatum verstek verleend.
1.14 [eiser] heeft bij H5-formulier van 13 november 2014 het hof verzocht een uitstel van zes weken te verlenen voor het nemen van grieven.
Dit uitstelverzoek is op 14 november 2014 door de rolgriffier afgewezen, omdat het verzoek niet voldeed aan artikel 2.28 van het Pilot Reglement (PR).
Bij H16-formulier van 17 november 2014 heeft [eiser] met instemming van de wederpartij om uitstel verzocht.
Daarop is uitstel verleend voor het nemen van een memorie van grieven tot 13 januari 2015.
1.15 [eiser] heeft op de rol van 13 januari 2015 geen memorie van grieven genomen.
De op 9 januari 2015 per telefax ter griffie van het hof binnengekomen memorie van grieven is, gelet op het bepaalde in artikel 2.1 PR, niet in behandeling genomen.
1.16 Het verstek is gezuiverd op 13 januari 2015.
1.17 Het hof heeft [eiser] bij arrest van 10 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.
1.18 [eiser] heeft tegen dit arrest tijdig cassatieberoep ingesteld.
Webpoort is in cassatie niet verschenen.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel klaagt dat het hof in zijn rolbeschikking van 13 januari 2015 en in zijn arrest ten onrechte de op 9 januari 2015 per telefax ter griffie van het hof binnengekomen memorie van grieven niet in behandeling heeft genomen op basis van art. 2.1 van het pilotreglement en verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2015.
2.2
In dit arrest heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:
“3.4.1 Bij de op 1 januari 2002 in werking getreden wetgeving houdende de vernieuwing van het burgerlijk procesrecht is in art. 33 Rv de in de voorafgaande jaren door de Hoge Raad ontwikkelde rechtspraak met betrekking tot het indienen per fax van verzoekschriften gecodificeerd en geldend gemaakt voor alle procedures, instanties en processtukken. (…)
3.4.2
Bij de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer (Stb. 2008, 100) is art. 33 Rv gewijzigd. Het luidt thans, voor zover hier van belang:
“1. Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement. (…) De voorgaande zinnen gelden mede voor de indiening van processtukken ter griffie en de verzending van processtukken door de griffier.
(…) ”
In de memorie van toelichting is onder meer vermeld:
“Ook de verzending per fax is een vorm van elektronisch verkeer. Tegenwoordig zijn er meer en meer mengvormen waarbij fax en computer met elkaar worden gecombineerd en kunnen faxdocumenten geheel papierloos worden verwerkt.” (Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 3, p. 13).
In die memorie is overigens geen afzonderlijke aandacht besteed aan het per fax verzenden van stukken aan griffies. Wel is opgemerkt dat het de bedoeling is dat op termijn ook processtukken elektronisch kunnen worden verzonden (memorie van toelichting, p. 14). In de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 1 oktober 2007, waarbij het ontwerp voor de algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van art. 33 lid 2 Rv aan de Tweede Kamer werd voorgelegd (Kamerstukken II, 2007-2008, 30 815, nr. 9), alsmede in de nota van toelichting bij die amvb (Besluit van 3 juli 2008, Stb. 2008, 275) is opgemerkt:
“Het besluit ziet niet op de verzending van overige berichten, zoals processtukken. Deze stukken dienen vooralsnog op de gebruikelijke wijze aan een gerecht te worden doen toegekomen.”
3.4.3
Noch in de hiervoor geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis, noch elders, wordt aandacht geschonken aan de omstandigheid dat de indiening van processtukken per fax krachtens de rechtspraak van de Hoge Raad reeds omstreeks vijftien jaar — sedert HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR1992:ZC0778, NJ 1993/569 — en inmiddels ook sinds enkele jaren wettelijk, mogelijk was. Tegen de achtergrond van een van de doelstellingen van de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer, welke doelstelling juist een verruiming van de mogelijkheden van elektronisch verkeer beoogde, moet daarom worden aangenomen dat de wetgever met de wijziging van art.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de rolbeschikking van 13 januari 2015 en het arrest van 10 februari 2015 van het gerechtshof Amsterdam en tot terugwijzing naar dit hof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Hoewel de zaak zich beperkt tot beantwoording van een processuele vraag en het hof daarom ook geen feiten heeft vastgesteld, vat ik de feiten samen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Hoorn in zijn vonnis van 25 november 2013 onder 2-9 heeft opgenomen.
Voor zover thans van belang. Zie de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, sectie Kanton, locatie Hoorn van 29 juli 2013, 25 november 2013 (p. 1) en 28 april 2014 (rov. 1-2) en rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2015.
De cassatiedagvaarding is op 11 mei 2015 uitgebracht. Nu 10 mei 2015 op een zondag viel, is de cassatiedagvaarding op grond van art. 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet tijdig ingediend.
ECLI:NL:HR:2015:1078, NJ 2015/209.
Pilot gerechtshof Amsterdam, Aanpassing van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, per 1 januari 2013.