Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2015-02-10
ECLI:NL:PHR:2015:165
Strafrecht
27,264 tokens
Conclusie
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 8 april 2013 door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen hetgeen hem onder parketnummer 15-760218-12 onder 1 is tenlastegelegd. Verzoeker is voor het onder dit parketnummer onder 2 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en het onder parketnummer 15-741191-10 onder 1 “diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot 547 dagen jeugddetentie, waarvan 225 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde. Voorts heeft het Hof bevolen dat de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof ter terechtzitting van 17 januari 2013 een verzoek van de verdediging om twee personen als getuige te horen op onjuiste gronden heeft afgewezen, dan wel dat de verdediging door de afwijzing een wezenlijk verdedigingsrecht is onthouden.
4. Ter terechtzitting van 17 januari 2013 heeft het Hof het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot de terechtzitting van het Hof op 25 maart 2013. Daar is het onderzoek, vanwege de gewijzigde samenstelling, opnieuw aangevangen. Dat betekent - nu blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2013 het bepaalde in art. 322, vierde lid, Sv kennelijk niet van toepassing werd geacht gelet op de datum waarop appel is ingesteld en de datum waarop de appelschriftuur is ingediend (kortom, nu geen sprake is van een tijdig ingediende appelschriftuur) - dat in cassatie niet meer kan worden geklaagd over de afwijzende beslissing op de eerdere terechtzitting. Die beslissingen maken in het hier bedoelde geval immers geen deel uit van het onderzoek ter terechtzitting waarop de bestreden uitspraak is gewezen.
5. Het middel faalt.
6. Het tweede middel keert zich tegen de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde met parketnummer 15-741191-10.
7. Ten laste van verzoeker is in die zaak onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 6 oktober 2010 te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [A] B.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)
- met een bivakmuts en/of een capuchon over zijn/hun hoofd(en) en met een mes en/of een bijl, in zijn/hun hand(en) op [slachtoffer] is/zijn afgelopen en
- de bovenarm(en) van [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en
- meermalen tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Geld, geld, geld", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- [slachtoffer] naar de achterin de zaak gelegen kassa/toonbank heeft/hebben geduwd en
- meermalen tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Doe de la open" en/of " Geef de sleutel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- (toen de lade van die kassa open was) geld uit die kassa heeft/hebben gepakt en
- [slachtoffer] met een mes, in haar (rechter)been heeft/hebben gestoken en
- tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Als je de politie belt, komen we je binnen een half uur vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
8. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-1 van (het hof begrijpt) 7 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 97 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 oktober 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben als kassa/servicemedewerkster werkzaam bij [A], gevestigd op het adres [a-straat] 57, [vestigingsplaats]. De officiële bedrijfsnaam is [A] B.V. Op 6 oktober 2010 om 20:55 uur had ik dienst. Ineens kwamen er twee gasten de shop binnengerend. Eén van die gasten kwam voor me staan en greep me met zijn beide handen stevig bij mij schouders vast. De man die me vasthad droeg een capuchon op zijn hoofd. Deze man hoorde ik roepen "Geld, geld, geld".
Die andere man had een bivakmuts op en een bijl in een van zijn handen. Ik duwde de man die me bij mijn schouders vast had van me af. Deze man moest me hierdoor loslaten. Daarbij scheurde de rechtermouw van mijn blouse van boven naar beneden en verloor ik wat knopen. Ook het op de rechtermouw aangenaaide mouwophoudertje scheurde compleet af en viel op de grond. Deze man riep daarop nogmaals van "Geld, geld". Ik zag toen dat deze man iets uit zijn jaszak pakte. Het bleek een mes te zijn. De man had het mes vast in zijn linkerhand. Met zijn rechterhand duwde deze man me vervolgens op mijn rechterbovenarm. Hij kwam achter me te staan en duwde met zijn vrije hand tegen mijn rug. Ik werd geduwd in de richting van de achterin de zaak gelegen kassa/toonbank. Tijdens het lopen naar de kassa voelde ik de punt van het mes halverwege mijn rug en werd ik die kant op geduwd. De man met het mes hoorde ik roepen van "Doe de la open". De andere overvaller herhaalde dat ook nog een keer. Met de sleutel, die in een gleuf in de toonbank naast de rechterkassa lag heb ik de rechterkassalade geopend. Toen de kassalade open was kwam de overvaller met de bijl ook achter de toonbank. De overvaller met het mes haalde vervolgens het munt en papiergeld daaruit. Toen deze kassalade leeg was hoorde ik de overvaller met de bijl roepen " Geef de sleutel". Hij had de bijl nog steeds in zijn rechterhand. Ik heb hem toen de sleutel gegeven, waarna hij de linker kassalade met de sleutel opende. De man met de bijl haalde vervolgens uit deze lade alle kokers, met daarin totaal 178 euro. Ik had gezien dat ze al het geld/kokers in een stoffen tasje deden. Toen ze klaar waren met het leeghalen van de kassa's de overvaller met het mes op gebiedende wijze van "Je portemonnee". Ik voelde op dat moment alsof ik een stomp tegen mijn rechter bovenbeen kreeg. Ik denk dat de overvallers me niet geloofden want zowel de man met de bijl als de man met het mes hoorde ik nogmaals roepen van "Je portemonnee". Vervolgens riep de man met het mes nog "De kluis". De overvaller met het mes vroeg daarna nogmaals om mijn portemonnee. Eén van de twee overvallers hoorde ik toen nog iets roepen in de trend van "Als je de politie belt komen we je binnen een half uur vermoorden". Ik heb 112 gebeld met mijn mobiele nummer. Op dat moment zag ik bloed op mijn rechterbroekspijp ter hoogte van mijn dijbeen. Omdat de wond gehecht moest werden ben ik met de ambulance overgebracht naar de poli van het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk, alwaar de wond is gehecht. Volgens de behandelend arts had het wondje een doorsnee van rond de 3 centimeter en was het ongeveer 2,5 centimeter diep.
Van de overvaller met het mes kan ik u het volgende signalement geven:
- lengte tussen de 1.60 en 1.70 meter.
Conclusie
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 8 april 2013 door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen hetgeen hem onder parketnummer 15-760218-12 onder 1 is tenlastegelegd. Verzoeker is voor het onder dit parketnummer onder 2 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en het onder parketnummer 15-741191-10 onder 1 “diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot 547 dagen jeugddetentie, waarvan 225 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde. Voorts heeft het Hof bevolen dat de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof ter terechtzitting van 17 januari 2013 een verzoek van de verdediging om twee personen als getuige te horen op onjuiste gronden heeft afgewezen, dan wel dat de verdediging door de afwijzing een wezenlijk verdedigingsrecht is onthouden.
4. Ter terechtzitting van 17 januari 2013 heeft het Hof het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot de terechtzitting van het Hof op 25 maart 2013. Daar is het onderzoek, vanwege de gewijzigde samenstelling, opnieuw aangevangen. Dat betekent - nu blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2013 het bepaalde in art. 322, vierde lid, Sv kennelijk niet van toepassing werd geacht gelet op de datum waarop appel is ingesteld en de datum waarop de appelschriftuur is ingediend (kortom, nu geen sprake is van een tijdig ingediende appelschriftuur) - dat in cassatie niet meer kan worden geklaagd over de afwijzende beslissing op de eerdere terechtzitting. Die beslissingen maken in het hier bedoelde geval immers geen deel uit van het onderzoek ter terechtzitting waarop de bestreden uitspraak is gewezen.
5. Het middel faalt.
6. Het tweede middel keert zich tegen de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde met parketnummer 15-741191-10.
7. Ten laste van verzoeker is in die zaak onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 6 oktober 2010 te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [A] B.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)
- met een bivakmuts en/of een capuchon over zijn/hun hoofd(en) en met een mes en/of een bijl, in zijn/hun hand(en) op [slachtoffer] is/zijn afgelopen en
- de bovenarm(en) van [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en
- meermalen tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Geld, geld, geld", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- [slachtoffer] naar de achterin de zaak gelegen kassa/toonbank heeft/hebben geduwd en
- meermalen tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Doe de la open" en/of " Geef de sleutel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- (toen de lade van die kassa open was) geld uit die kassa heeft/hebben gepakt en
- [slachtoffer] met een mes, in haar (rechter)been heeft/hebben gestoken en
- tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Als je de politie belt, komen we je binnen een half uur vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
8. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-1 van (het hof begrijpt) 7 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 97 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 oktober 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben als kassa/servicemedewerkster werkzaam bij [A], gevestigd op het adres [a-straat] 57, [vestigingsplaats]. De officiële bedrijfsnaam is [A] B.V. Op 6 oktober 2010 om 20:55 uur had ik dienst. Ineens kwamen er twee gasten de shop binnengerend. Eén van die gasten kwam voor me staan en greep me met zijn beide handen stevig bij mij schouders vast. De man die me vasthad droeg een capuchon op zijn hoofd. Deze man hoorde ik roepen "Geld, geld, geld".
Die andere man had een bivakmuts op en een bijl in een van zijn handen. Ik duwde de man die me bij mijn schouders vast had van me af. Deze man moest me hierdoor loslaten. Daarbij scheurde de rechtermouw van mijn blouse van boven naar beneden en verloor ik wat knopen. Ook het op de rechtermouw aangenaaide mouwophoudertje scheurde compleet af en viel op de grond. Deze man riep daarop nogmaals van "Geld, geld". Ik zag toen dat deze man iets uit zijn jaszak pakte. Het bleek een mes te zijn. De man had het mes vast in zijn linkerhand. Met zijn rechterhand duwde deze man me vervolgens op mijn rechterbovenarm. Hij kwam achter me te staan en duwde met zijn vrije hand tegen mijn rug. Ik werd geduwd in de richting van de achterin de zaak gelegen kassa/toonbank. Tijdens het lopen naar de kassa voelde ik de punt van het mes halverwege mijn rug en werd ik die kant op geduwd. De man met het mes hoorde ik roepen van "Doe de la open". De andere overvaller herhaalde dat ook nog een keer. Met de sleutel, die in een gleuf in de toonbank naast de rechterkassa lag heb ik de rechterkassalade geopend. Toen de kassalade open was kwam de overvaller met de bijl ook achter de toonbank. De overvaller met het mes haalde vervolgens het munt en papiergeld daaruit. Toen deze kassalade leeg was hoorde ik de overvaller met de bijl roepen " Geef de sleutel". Hij had de bijl nog steeds in zijn rechterhand. Ik heb hem toen de sleutel gegeven, waarna hij de linker kassalade met de sleutel opende. De man met de bijl haalde vervolgens uit deze lade alle kokers, met daarin totaal 178 euro. Ik had gezien dat ze al het geld/kokers in een stoffen tasje deden. Toen ze klaar waren met het leeghalen van de kassa's de overvaller met het mes op gebiedende wijze van "Je portemonnee". Ik voelde op dat moment alsof ik een stomp tegen mijn rechter bovenbeen kreeg. Ik denk dat de overvallers me niet geloofden want zowel de man met de bijl als de man met het mes hoorde ik nogmaals roepen van "Je portemonnee". Vervolgens riep de man met het mes nog "De kluis". De overvaller met het mes vroeg daarna nogmaals om mijn portemonnee. Eén van de twee overvallers hoorde ik toen nog iets roepen in de trend van "Als je de politie belt komen we je binnen een half uur vermoorden". Ik heb 112 gebeld met mijn mobiele nummer. Op dat moment zag ik bloed op mijn rechterbroekspijp ter hoogte van mijn dijbeen. Omdat de wond gehecht moest werden ben ik met de ambulance overgebracht naar de poli van het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk, alwaar de wond is gehecht. Volgens de behandelend arts had het wondje een doorsnee van rond de 3 centimeter en was het ongeveer 2,5 centimeter diep.
Van de overvaller met het mes kan ik u het volgende signalement geven:
- lengte tussen de 1.60 en 1.70 meter.
Conclusie
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 8 april 2013 door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen hetgeen hem onder parketnummer 15-760218-12 onder 1 is tenlastegelegd. Verzoeker is voor het onder dit parketnummer onder 2 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en het onder parketnummer 15-741191-10 onder 1 “diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot 547 dagen jeugddetentie, waarvan 225 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde. Voorts heeft het Hof bevolen dat de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof ter terechtzitting van 17 januari 2013 een verzoek van de verdediging om twee personen als getuige te horen op onjuiste gronden heeft afgewezen, dan wel dat de verdediging door de afwijzing een wezenlijk verdedigingsrecht is onthouden.
4. Ter terechtzitting van 17 januari 2013 heeft het Hof het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot de terechtzitting van het Hof op 25 maart 2013. Daar is het onderzoek, vanwege de gewijzigde samenstelling, opnieuw aangevangen. Dat betekent - nu blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2013 het bepaalde in art. 322, vierde lid, Sv kennelijk niet van toepassing werd geacht gelet op de datum waarop appel is ingesteld en de datum waarop de appelschriftuur is ingediend (kortom, nu geen sprake is van een tijdig ingediende appelschriftuur) - dat in cassatie niet meer kan worden geklaagd over de afwijzende beslissing op de eerdere terechtzitting. Die beslissingen maken in het hier bedoelde geval immers geen deel uit van het onderzoek ter terechtzitting waarop de bestreden uitspraak is gewezen.
5. Het middel faalt.
6. Het tweede middel keert zich tegen de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde met parketnummer 15-741191-10.
7. Ten laste van verzoeker is in die zaak onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 6 oktober 2010 te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [A] B.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)
- met een bivakmuts en/of een capuchon over zijn/hun hoofd(en) en met een mes en/of een bijl, in zijn/hun hand(en) op [slachtoffer] is/zijn afgelopen en
- de bovenarm(en) van [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en
- meermalen tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Geld, geld, geld", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- [slachtoffer] naar de achterin de zaak gelegen kassa/toonbank heeft/hebben geduwd en
- meermalen tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Doe de la open" en/of " Geef de sleutel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- (toen de lade van die kassa open was) geld uit die kassa heeft/hebben gepakt en
- [slachtoffer] met een mes, in haar (rechter)been heeft/hebben gestoken en
- tegen [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Als je de politie belt, komen we je binnen een half uur vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
8. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-1 van (het hof begrijpt) 7 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 97 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 oktober 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben als kassa/servicemedewerkster werkzaam bij [A], gevestigd op het adres [a-straat] 57, [vestigingsplaats]. De officiële bedrijfsnaam is [A] B.V. Op 6 oktober 2010 om 20:55 uur had ik dienst. Ineens kwamen er twee gasten de shop binnengerend. Eén van die gasten kwam voor me staan en greep me met zijn beide handen stevig bij mij schouders vast. De man die me vasthad droeg een capuchon op zijn hoofd. Deze man hoorde ik roepen "Geld, geld, geld".
Die andere man had een bivakmuts op en een bijl in een van zijn handen. Ik duwde de man die me bij mijn schouders vast had van me af. Deze man moest me hierdoor loslaten. Daarbij scheurde de rechtermouw van mijn blouse van boven naar beneden en verloor ik wat knopen. Ook het op de rechtermouw aangenaaide mouwophoudertje scheurde compleet af en viel op de grond. Deze man riep daarop nogmaals van "Geld, geld". Ik zag toen dat deze man iets uit zijn jaszak pakte. Het bleek een mes te zijn. De man had het mes vast in zijn linkerhand. Met zijn rechterhand duwde deze man me vervolgens op mijn rechterbovenarm. Hij kwam achter me te staan en duwde met zijn vrije hand tegen mijn rug. Ik werd geduwd in de richting van de achterin de zaak gelegen kassa/toonbank. Tijdens het lopen naar de kassa voelde ik de punt van het mes halverwege mijn rug en werd ik die kant op geduwd. De man met het mes hoorde ik roepen van "Doe de la open". De andere overvaller herhaalde dat ook nog een keer. Met de sleutel, die in een gleuf in de toonbank naast de rechterkassa lag heb ik de rechterkassalade geopend. Toen de kassalade open was kwam de overvaller met de bijl ook achter de toonbank. De overvaller met het mes haalde vervolgens het munt en papiergeld daaruit. Toen deze kassalade leeg was hoorde ik de overvaller met de bijl roepen " Geef de sleutel". Hij had de bijl nog steeds in zijn rechterhand. Ik heb hem toen de sleutel gegeven, waarna hij de linker kassalade met de sleutel opende. De man met de bijl haalde vervolgens uit deze lade alle kokers, met daarin totaal 178 euro. Ik had gezien dat ze al het geld/kokers in een stoffen tasje deden. Toen ze klaar waren met het leeghalen van de kassa's de overvaller met het mes op gebiedende wijze van "Je portemonnee". Ik voelde op dat moment alsof ik een stomp tegen mijn rechter bovenbeen kreeg. Ik denk dat de overvallers me niet geloofden want zowel de man met de bijl als de man met het mes hoorde ik nogmaals roepen van "Je portemonnee". Vervolgens riep de man met het mes nog "De kluis". De overvaller met het mes vroeg daarna nogmaals om mijn portemonnee. Eén van de twee overvallers hoorde ik toen nog iets roepen in de trend van "Als je de politie belt komen we je binnen een half uur vermoorden". Ik heb 112 gebeld met mijn mobiele nummer. Op dat moment zag ik bloed op mijn rechterbroekspijp ter hoogte van mijn dijbeen. Omdat de wond gehecht moest werden ben ik met de ambulance overgebracht naar de poli van het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk, alwaar de wond is gehecht. Volgens de behandelend arts had het wondje een doorsnee van rond de 3 centimeter en was het ongeveer 2,5 centimeter diep.
Van de overvaller met het mes kan ik u het volgende signalement geven:
- lengte tussen de 1.60 en 1.70 meter.
Conclusie
Zelf ben ik 1.67 lang en de beide overvallers waren kleiner dan ik;
- ik schat de leeftijd tussen de 20 en 30 jaar;
- normaal postuur;
- sprak Nederlands met Turks/Marokkaans accent;
- droeg dacht ik een blauwe spijkerbroek;
- ik weet niet meer of hij nu een jas, een vest of sweatshirt droeg. In ieder geval iets met een capuchon er aan vast. Ik dacht een grijsgekleurd sweatshirt. Had deze capuchon op;
- had een shawl om zijn nek. Het was een effenkleurige, ik dacht donkergekleurd. Zijn gezicht was onbedekt. Van zijn gezicht kan ik me verder weinig herinneren;
- licht getinte huidskleur;
- donkere ogen;
- had een mes bij zich. Het lemmet was ongeveer 15 centimeter lang. Het was bruinig van kleur.
Van de overvaller met de bijl kan ik het volgende vertellen:
- ook deze schat ik tussen de 20 en 30 jaar oud;
- lengte tussen de 1.60 en 1.70 meter;
- sprak Nederlands met Turks/Marokkaans accent;
- droeg een zwarte wollen gebreide bivakmuts met een mond en twee ooggaten;
- droeg een donkerblauw shirt met lange mouwen;
- droeg dacht ik ook een blauwe spijkerbroek;
- had een bijl bij zich met een bruingekleurde houten steel. Het was een handbijl om hout mee te kloven. De lengte daarvan schat ik tussen de 50 en 60 centimeter.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-15 van 13 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina 135 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Bij de benzinepomp genaamd [A], gevestigd aan de [a-straat] te [vestigingsplaats], worden middels een beveiligingsapparaat, zijnde een videorecorder, beelden opgenomen en vastgelegd, van zowel in de shop en van de toegang tot de shop en de pompen behorende bij dit tankstation. De band met de daarop vastgelegde beelden gedurende de overval (het hof begrijpt: op 6 oktober 2010) is door het onderzoeksteam veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant [verbalisant 2], werd bedoelde band, met daarop de beveiligingsbeelden van het tankstation, uitgekeken.
Op de beelden heb ik, verbalisant [verbalisant 2], gezien dat de daders van de overval respectievelijk waren gekleed in:
- eerste overvaller ging gekleed in een donkere broek, met daarop een donkerblauwe trui, met een capuchon, welke trui aan de voorzijde was voorzien van een opdruk in een lichte kleur en hij droeg tevens een zwarte bivakmuts op zijn hoofd;
- de tweede overvaller ging gekleed in een donkere broek met daarop een trui met een capuchon. Deze trui was, blauw/grijs, wit horizontaal gestreept. Tijdens de overval had deze overvaller de capuchon op zijn hoofd, terwijl hij onder deze capuchon tevens een witte kleppet op zijn hoofd had. Verder droeg deze overvaller zwarte sportschoenen met daarop een witte, horizontale streep (soortgelijk aan Nike).
3. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-22 van 25 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 178 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 oktober 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Ik ben werkzaam in de thuiszorg. Ik was op woensdag, 6 oktober 2010 rond 21.00 uur met de auto onderweg naar een cliënt die in het appartementencomplex [B] aan de [a-straat] in Santpoort-Zuid woont. Vanuit Bloemendaal, waar ik woon, ben ik over de Van Dalenlaan Santpoort-Zuid binnengereden. Deze laan gaat voor het NS-station over in de [a-straat]. Toen ik op de [a-straat] reed in de buurt van het zebrapad ter hoogte van de Brederode-Daltonschool zag ik het benzinestation van [A] recht voor me. Ik zag 2 personen via de schuifdeur aan de voorzijde de shop uitrennen en meteen linksaf richting spoor rennen. Tussen het pompstation en het spoor stonden wat auto's geparkeerd en die kant renden ze uit.
4. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-37 van 8 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 211 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 november 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:
V (het hof begrijpt: verbalisant): Het was op woensdag, 6 oktober 2010.
A (het hof begrijpt: getuige): Oké. Het was tussen 21.00 en 22.00 uur. [betrokkene 4] vertelde me dat hij had gehoord dat er mensen over het terrein liepen met een mes. Ik ben toen met [betrokkene 4] naar buiten gegaan. Buiten gekomen bij het voetbalveld zag ik twee mensen bij de bosjes achter het voetbalveld. [betrokkene 4] en ik liepen in de richting van die twee mensen. Ik zag dat die mensen daarop wegrenden verder de bosjes in. We zijn terug naar binnengelopen. [betrokkene 4] en ik zijn daarna weer naar buiten gegaan. In de bosjes bij het volleybalveld zag ik toen weer twee figuren in de bosjes staan. Eén van deze twee figuren keek me recht in de ogen. Meteen daarop zag en hoorde ik dat deze twee figuren wegrenden dieper de bosjes in. Ze hadden allebei donkere kleding met capuchon op.
5. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-36 van 5 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 205 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 november 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:
Een week of drie terug op een doordeweekse dag moet dat geweest zijn. Ik zat die avond rond 21.25 uur op het terras aan de achterzijde van ons paviljoen. In de bosjes/struiken aan de zijde van de Santpoortsedreef zag ik wat figuren lopen. Ik ben hun kant opgelopen. Toen ze mij zagen renden ze verder de bosjes in. Ze droegen allebei zwarte kleding en hadden een capuchon op. Die lange had een vest met wit en grijze horizontale strepen.
6. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-11 van 8 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 125 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op de kruising Middenduinerweg met Santpoortse Dreef te Santpoort-Noord is, aan oostelijke zijde van de Santpoortse Dreef en aan de noordelijke zijde van de Middenduinerweg, een groen gekleurd bankje geplaatst. Aan de voor mij meest linkerzijde op het bankje zag ik een stapeltje kleding liggen. Toen ik, verbalisant, dichterbij kwam zag ik op het "zitvlak" van het bankje een zwarte bivakmuts liggen met een paar zwarte stoffen handschoenen hier bovenop. Op het "ruggedeelte" van het bankje zag ik twee blauw gekleurde truien hangen. Ik, verbalisant, heb hierop de regionale meldkamer van politie Kennemerland gebeld om mijn bevindingen kenbaar te maken en om dienstdoende collegae ter plaats te krijgen om de goederen veilig te stellen en in beslag te nemen. Ik, verbalisant, ben hierop ter plaatse gebleven totdat deze collegae ter plaatse waren. Ik, verbalisant, zag dat deze collegae de goederen hierop op de juiste wijze hebben veiliggesteld en in papieren zakken deden.
7. Een proces-verbaal met nummer 2010109716 van 27 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 157 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Naar aanleiding van de overval op benzinestation [A] te Santpoort-Zuid op 6 oktober 2010 werden er camerabeelden van de bewakingscamera van het benzinestation uitgekeken en vergeleken met de op 7 oktober 2010 daar in de buurt aangetroffen kleding.
Conclusie
Zelf ben ik 1.67 lang en de beide overvallers waren kleiner dan ik;
- ik schat de leeftijd tussen de 20 en 30 jaar;
- normaal postuur;
- sprak Nederlands met Turks/Marokkaans accent;
- droeg dacht ik een blauwe spijkerbroek;
- ik weet niet meer of hij nu een jas, een vest of sweatshirt droeg. In ieder geval iets met een capuchon er aan vast. Ik dacht een grijsgekleurd sweatshirt. Had deze capuchon op;
- had een shawl om zijn nek. Het was een effenkleurige, ik dacht donkergekleurd. Zijn gezicht was onbedekt. Van zijn gezicht kan ik me verder weinig herinneren;
- licht getinte huidskleur;
- donkere ogen;
- had een mes bij zich. Het lemmet was ongeveer 15 centimeter lang. Het was bruinig van kleur.
Van de overvaller met de bijl kan ik het volgende vertellen:
- ook deze schat ik tussen de 20 en 30 jaar oud;
- lengte tussen de 1.60 en 1.70 meter;
- sprak Nederlands met Turks/Marokkaans accent;
- droeg een zwarte wollen gebreide bivakmuts met een mond en twee ooggaten;
- droeg een donkerblauw shirt met lange mouwen;
- droeg dacht ik ook een blauwe spijkerbroek;
- had een bijl bij zich met een bruingekleurde houten steel. Het was een handbijl om hout mee te kloven. De lengte daarvan schat ik tussen de 50 en 60 centimeter.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-15 van 13 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina 135 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Bij de benzinepomp genaamd [A], gevestigd aan de [a-straat] te [vestigingsplaats], worden middels een beveiligingsapparaat, zijnde een videorecorder, beelden opgenomen en vastgelegd, van zowel in de shop en van de toegang tot de shop en de pompen behorende bij dit tankstation. De band met de daarop vastgelegde beelden gedurende de overval (het hof begrijpt: op 6 oktober 2010) is door het onderzoeksteam veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant [verbalisant 2], werd bedoelde band, met daarop de beveiligingsbeelden van het tankstation, uitgekeken.
Op de beelden heb ik, verbalisant [verbalisant 2], gezien dat de daders van de overval respectievelijk waren gekleed in:
- eerste overvaller ging gekleed in een donkere broek, met daarop een donkerblauwe trui, met een capuchon, welke trui aan de voorzijde was voorzien van een opdruk in een lichte kleur en hij droeg tevens een zwarte bivakmuts op zijn hoofd;
- de tweede overvaller ging gekleed in een donkere broek met daarop een trui met een capuchon. Deze trui was, blauw/grijs, wit horizontaal gestreept. Tijdens de overval had deze overvaller de capuchon op zijn hoofd, terwijl hij onder deze capuchon tevens een witte kleppet op zijn hoofd had. Verder droeg deze overvaller zwarte sportschoenen met daarop een witte, horizontale streep (soortgelijk aan Nike).
3. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-22 van 25 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 178 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 oktober 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Ik ben werkzaam in de thuiszorg. Ik was op woensdag, 6 oktober 2010 rond 21.00 uur met de auto onderweg naar een cliënt die in het appartementencomplex [B] aan de [a-straat] in Santpoort-Zuid woont. Vanuit Bloemendaal, waar ik woon, ben ik over de Van Dalenlaan Santpoort-Zuid binnengereden. Deze laan gaat voor het NS-station over in de [a-straat]. Toen ik op de [a-straat] reed in de buurt van het zebrapad ter hoogte van de Brederode-Daltonschool zag ik het benzinestation van [A] recht voor me. Ik zag 2 personen via de schuifdeur aan de voorzijde de shop uitrennen en meteen linksaf richting spoor rennen. Tussen het pompstation en het spoor stonden wat auto's geparkeerd en die kant renden ze uit.
4. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-37 van 8 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 211 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 november 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:
V (het hof begrijpt: verbalisant): Het was op woensdag, 6 oktober 2010.
A (het hof begrijpt: getuige): Oké. Het was tussen 21.00 en 22.00 uur. [betrokkene 4] vertelde me dat hij had gehoord dat er mensen over het terrein liepen met een mes. Ik ben toen met [betrokkene 4] naar buiten gegaan. Buiten gekomen bij het voetbalveld zag ik twee mensen bij de bosjes achter het voetbalveld. [betrokkene 4] en ik liepen in de richting van die twee mensen. Ik zag dat die mensen daarop wegrenden verder de bosjes in. We zijn terug naar binnengelopen. [betrokkene 4] en ik zijn daarna weer naar buiten gegaan. In de bosjes bij het volleybalveld zag ik toen weer twee figuren in de bosjes staan. Eén van deze twee figuren keek me recht in de ogen. Meteen daarop zag en hoorde ik dat deze twee figuren wegrenden dieper de bosjes in. Ze hadden allebei donkere kleding met capuchon op.
5. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-36 van 5 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 205 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 november 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:
Een week of drie terug op een doordeweekse dag moet dat geweest zijn. Ik zat die avond rond 21.25 uur op het terras aan de achterzijde van ons paviljoen. In de bosjes/struiken aan de zijde van de Santpoortsedreef zag ik wat figuren lopen. Ik ben hun kant opgelopen. Toen ze mij zagen renden ze verder de bosjes in. Ze droegen allebei zwarte kleding en hadden een capuchon op. Die lange had een vest met wit en grijze horizontale strepen.
6. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-11 van 8 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 125 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op de kruising Middenduinerweg met Santpoortse Dreef te Santpoort-Noord is, aan oostelijke zijde van de Santpoortse Dreef en aan de noordelijke zijde van de Middenduinerweg, een groen gekleurd bankje geplaatst. Aan de voor mij meest linkerzijde op het bankje zag ik een stapeltje kleding liggen. Toen ik, verbalisant, dichterbij kwam zag ik op het "zitvlak" van het bankje een zwarte bivakmuts liggen met een paar zwarte stoffen handschoenen hier bovenop. Op het "ruggedeelte" van het bankje zag ik twee blauw gekleurde truien hangen. Ik, verbalisant, heb hierop de regionale meldkamer van politie Kennemerland gebeld om mijn bevindingen kenbaar te maken en om dienstdoende collegae ter plaats te krijgen om de goederen veilig te stellen en in beslag te nemen. Ik, verbalisant, ben hierop ter plaatse gebleven totdat deze collegae ter plaatse waren. Ik, verbalisant, zag dat deze collegae de goederen hierop op de juiste wijze hebben veiliggesteld en in papieren zakken deden.
7. Een proces-verbaal met nummer 2010109716 van 27 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 157 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Naar aanleiding van de overval op benzinestation [A] te Santpoort-Zuid op 6 oktober 2010 werden er camerabeelden van de bewakingscamera van het benzinestation uitgekeken en vergeleken met de op 7 oktober 2010 daar in de buurt aangetroffen kleding.
Conclusie
Zelf ben ik 1.67 lang en de beide overvallers waren kleiner dan ik;
- ik schat de leeftijd tussen de 20 en 30 jaar;
- normaal postuur;
- sprak Nederlands met Turks/Marokkaans accent;
- droeg dacht ik een blauwe spijkerbroek;
- ik weet niet meer of hij nu een jas, een vest of sweatshirt droeg. In ieder geval iets met een capuchon er aan vast. Ik dacht een grijsgekleurd sweatshirt. Had deze capuchon op;
- had een shawl om zijn nek. Het was een effenkleurige, ik dacht donkergekleurd. Zijn gezicht was onbedekt. Van zijn gezicht kan ik me verder weinig herinneren;
- licht getinte huidskleur;
- donkere ogen;
- had een mes bij zich. Het lemmet was ongeveer 15 centimeter lang. Het was bruinig van kleur.
Van de overvaller met de bijl kan ik het volgende vertellen:
- ook deze schat ik tussen de 20 en 30 jaar oud;
- lengte tussen de 1.60 en 1.70 meter;
- sprak Nederlands met Turks/Marokkaans accent;
- droeg een zwarte wollen gebreide bivakmuts met een mond en twee ooggaten;
- droeg een donkerblauw shirt met lange mouwen;
- droeg dacht ik ook een blauwe spijkerbroek;
- had een bijl bij zich met een bruingekleurde houten steel. Het was een handbijl om hout mee te kloven. De lengte daarvan schat ik tussen de 50 en 60 centimeter.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-15 van 13 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina 135 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Bij de benzinepomp genaamd [A], gevestigd aan de [a-straat] te [vestigingsplaats], worden middels een beveiligingsapparaat, zijnde een videorecorder, beelden opgenomen en vastgelegd, van zowel in de shop en van de toegang tot de shop en de pompen behorende bij dit tankstation. De band met de daarop vastgelegde beelden gedurende de overval (het hof begrijpt: op 6 oktober 2010) is door het onderzoeksteam veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant [verbalisant 2], werd bedoelde band, met daarop de beveiligingsbeelden van het tankstation, uitgekeken.
Op de beelden heb ik, verbalisant [verbalisant 2], gezien dat de daders van de overval respectievelijk waren gekleed in:
- eerste overvaller ging gekleed in een donkere broek, met daarop een donkerblauwe trui, met een capuchon, welke trui aan de voorzijde was voorzien van een opdruk in een lichte kleur en hij droeg tevens een zwarte bivakmuts op zijn hoofd;
- de tweede overvaller ging gekleed in een donkere broek met daarop een trui met een capuchon. Deze trui was, blauw/grijs, wit horizontaal gestreept. Tijdens de overval had deze overvaller de capuchon op zijn hoofd, terwijl hij onder deze capuchon tevens een witte kleppet op zijn hoofd had. Verder droeg deze overvaller zwarte sportschoenen met daarop een witte, horizontale streep (soortgelijk aan Nike).
3. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-22 van 25 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 178 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 oktober 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Ik ben werkzaam in de thuiszorg. Ik was op woensdag, 6 oktober 2010 rond 21.00 uur met de auto onderweg naar een cliënt die in het appartementencomplex [B] aan de [a-straat] in Santpoort-Zuid woont. Vanuit Bloemendaal, waar ik woon, ben ik over de Van Dalenlaan Santpoort-Zuid binnengereden. Deze laan gaat voor het NS-station over in de [a-straat]. Toen ik op de [a-straat] reed in de buurt van het zebrapad ter hoogte van de Brederode-Daltonschool zag ik het benzinestation van [A] recht voor me. Ik zag 2 personen via de schuifdeur aan de voorzijde de shop uitrennen en meteen linksaf richting spoor rennen. Tussen het pompstation en het spoor stonden wat auto's geparkeerd en die kant renden ze uit.
4. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-37 van 8 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 211 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 november 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:
V (het hof begrijpt: verbalisant): Het was op woensdag, 6 oktober 2010.
A (het hof begrijpt: getuige): Oké. Het was tussen 21.00 en 22.00 uur. [betrokkene 4] vertelde me dat hij had gehoord dat er mensen over het terrein liepen met een mes. Ik ben toen met [betrokkene 4] naar buiten gegaan. Buiten gekomen bij het voetbalveld zag ik twee mensen bij de bosjes achter het voetbalveld. [betrokkene 4] en ik liepen in de richting van die twee mensen. Ik zag dat die mensen daarop wegrenden verder de bosjes in. We zijn terug naar binnengelopen. [betrokkene 4] en ik zijn daarna weer naar buiten gegaan. In de bosjes bij het volleybalveld zag ik toen weer twee figuren in de bosjes staan. Eén van deze twee figuren keek me recht in de ogen. Meteen daarop zag en hoorde ik dat deze twee figuren wegrenden dieper de bosjes in. Ze hadden allebei donkere kleding met capuchon op.
5. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-36 van 5 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 205 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 november 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:
Een week of drie terug op een doordeweekse dag moet dat geweest zijn. Ik zat die avond rond 21.25 uur op het terras aan de achterzijde van ons paviljoen. In de bosjes/struiken aan de zijde van de Santpoortsedreef zag ik wat figuren lopen. Ik ben hun kant opgelopen. Toen ze mij zagen renden ze verder de bosjes in. Ze droegen allebei zwarte kleding en hadden een capuchon op. Die lange had een vest met wit en grijze horizontale strepen.
6. Een proces-verbaal met nummer PL1257 2010109716-11 van 8 oktober 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 125 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op de kruising Middenduinerweg met Santpoortse Dreef te Santpoort-Noord is, aan oostelijke zijde van de Santpoortse Dreef en aan de noordelijke zijde van de Middenduinerweg, een groen gekleurd bankje geplaatst. Aan de voor mij meest linkerzijde op het bankje zag ik een stapeltje kleding liggen. Toen ik, verbalisant, dichterbij kwam zag ik op het "zitvlak" van het bankje een zwarte bivakmuts liggen met een paar zwarte stoffen handschoenen hier bovenop. Op het "ruggedeelte" van het bankje zag ik twee blauw gekleurde truien hangen. Ik, verbalisant, heb hierop de regionale meldkamer van politie Kennemerland gebeld om mijn bevindingen kenbaar te maken en om dienstdoende collegae ter plaats te krijgen om de goederen veilig te stellen en in beslag te nemen. Ik, verbalisant, ben hierop ter plaatse gebleven totdat deze collegae ter plaatse waren. Ik, verbalisant, zag dat deze collegae de goederen hierop op de juiste wijze hebben veiliggesteld en in papieren zakken deden.
7. Een proces-verbaal met nummer 2010109716 van 27 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 157 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Naar aanleiding van de overval op benzinestation [A] te Santpoort-Zuid op 6 oktober 2010 werden er camerabeelden van de bewakingscamera van het benzinestation uitgekeken en vergeleken met de op 7 oktober 2010 daar in de buurt aangetroffen kleding.
Conclusie
De aangetroffen kleding betreft meer dan vermoedelijk de kleding die door overvaller 2 tijdens de overval op het benzinestation werd gedragen, met name het sweatshirt in combinatie met de zwarte handschoenen en de zwarte bivakmuts tonen grote overeenkomsten.
8. Een proces-verbaal met parketnummer 15-741191-10 van 10 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 165 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 6 oktober 2010 werd benzinestation [A] te Santpoort-Zuid overvallen. Op 7 oktober 2010 werden kledingstukken aangetroffen. Van de aangetroffen/ inbeslaggenomen kleding werd onder andere de bivakmuts voor onderzoek op biologische sporten verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. In de bivakmuts werd celmateriaal aangetroffen, waaruit een DNA-profiel werd verkregen. Het DNA-profiel verkregen uit dit celmateriaal werd in december 2010 opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. In mei 2011 vond er een match plaats tussen dit profiel en een verkregen profiel uit referentie-materiaal van een veroordeelde genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats].
9. Een proces-verbaal met nummer PL 126H2010/09716-5 van 31 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 78 e.v.), met als bijlage een rapport van het NFI van 17 mei 2011 op gemaakt door ing. A.P.M. van Dijk, NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek (welk rapport van een bijlage is voorzien).
Genoemd NFI-rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van Van Dijk:
Bijlage Rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van veroordeelde van het NFI van 17 mei 2011
Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAN4818NL van de veroordeelde [verdachte] is een DNA-profiel verkregen dat op 13 mei 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 17210. Het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel AACG1869NL#04, uit DNA profielcluster 17210, kan afkomstig zijn van [verdachte].
De bijlage bij dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
NFI-zaaknummer 2010.10.20.060
Omschrijving onderzoeksmateriaal een bemonstering van een bivakmuts
DNA-identiteitszegel AACG1869NL#04
Delict gewapende overval
Kenmerk aanvrager PL 126H 2010109716-5
Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel
Matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard
10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 april 2012.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Mijn telefoonnummer eindigde op [001]. Ik heb u verteld dat het telefoonnummer dat in het dossier wordt genoemd en dat eindigt op [002] ook van mij is geweest.
Het hof begrijpt als opmerking van de griffier: De oudste rechter concludeert, dat verdachte verklaart dat de telefoonnummers 06-[001] en 06-[002], van verdachte zijn en waren.
11. Een proces-verbaal met parketnummer 15/741191-10 van 10 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 163 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Door mij verbalisant is een zoekslag gedaan in het digitale communicatie sporen systeem van de bekomen historische printgegevens van het onderzoek YM 10 SAX over de periode van 05 oktober 2010, 21.00 uur tot en met 09 oktober 2010, 21.00 uur. Hieruit werd het volgende bekend, dat:
C.
- op 06 oktober 2010, te 16.57.20 uur het telefoonnummer 06-[002] belt;
- het telefoonnummer 06-[002] bij dit contact de zendpaal 732 aanstraalt. Deze zendpaal staat op de Driftlaan te Haarlem.
D.
- op 06 oktober 2010, te 16.58.06 uur het telefoonnummer 06-[002] belt;
- het telefoonnummer 06-[002] bij dit contact de zendpaal 13742 aanstraalt. Deze zendpaal staat op de [a-straat] 72 te Santpoort.
E.
- het telefoonnummer 06-[002] tussen 6 oktober 2010 tussen 16.58.06 uur en 06 oktober 2010, 17.04.09 uur, alleen maar uitgaande contacten heeft;
- al deze contacten gaan over de zendmastpalen 732 en 13742, respectievelijk de zendpalen Driftlaan te Haarlem en [a-straat] 72 te Santpoort;
- het contact op 06 oktober 2010 te 17.04.09 uur het laatste belcontact is op die dag.”
9. Ten aanzien van de bewezenverklaring houdt het bestreden arrest nog het volgende in:
“Feiten en omstandigheden
Uit de aangifte en het proces-verbaal van uitwerking van de videobeelden volgt dat op 6 oktober 2010 twee mannen de shop van benzinestation [A] kwamen binnenrennen. De eerste man had een capuchon op en bleek een mes bij zich te hebben, de tweede man droeg een bivakmuts en had een kleine bijl in zijn hand. De aanwezige medewerkster werd bij haar armen gepakt. Er werd "geld, geld" geroepen. De medewerkster voelde een scherp voorwerp in haar rug prikken en werd door één van de mannen richting de kassa geduwd. De mannen gaan er met de inhoud van de kassa vandoor. De ene jongen had een horizontaal gestreept vest met blauwgrijs en/of wittinten aan en de ander een donkerblauw sweatshirt met op de voorzijde een lichtgekleurde opdruk en een zwarte bivakmuts over zijn hoofd.
Een getuige heeft de overvallers de shop uit zien rennen en linksaf in de richting van het spoor. Twee getuigen zagen tussen 21:00 en 22:00 uur twee verdachte personen tussen de struiken op het terrein van OCK Het Spalier die donker gekleed waren en capuchons droegen. De twee personen vluchtten toen zij werden gezien. De ene jongen droeg een vest met witte en grijze horizontale strepen en de ander een donker vest met op zijn borst een lichtgekleurd logo. Op 7 oktober 2010 werd onder andere een donkerblauwe sweater met witte opdruk en een zwarte bivakmuts gevonden. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het DNA dat is aangetroffen op de bivakmuts matcht met het DNA van de verdachte.
De verdachte maakte gebruik van de telefoonnummers 06-81702055 en 06-[002]. Uit telecomonderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 6 oktober 2010 op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur twee zendmasten in de buurt van het benzinestation aanstraalde. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nooit in Santpoort komt en dat hij zijn telefoon altijd bij zich heeft en nooit uitleent.”
10. Voorts heeft het Hof de gevoerde verweren als volgt samengevat en verworpen en het daaraan gekoppelde verzoek om nader onderzoek afgewezen:
“Gevoerde verweren
De raadsman heeft aangevoerd dat er een discrepantie is in het NFI-rapport tussen enerzijds de conclusie op dossierpagina 80 van het dossier waarin staat dat het DNA afkomstig kán zijn van de verdachte en de conclusie zoals aangegeven op dossierpagina 82 van het dossier waar wordt gesproken over een vrijwel zekere afkomst.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat de zendmast die is aangestraald om drie redenen onjuiste informatie kan verschaffen over de vermeende locatie van verdachte. Ten eerste kan het zijn dat verdachte op het voetbalveld stond, ten tweede kan de verdachte thuis zijn geweest en ten derde kan het signaal van een andere zendmast wegens onderhoud of overbelasting zijn doorgezonden naar de aangestraalde zendmast.
Conclusie
De aangetroffen kleding betreft meer dan vermoedelijk de kleding die door overvaller 2 tijdens de overval op het benzinestation werd gedragen, met name het sweatshirt in combinatie met de zwarte handschoenen en de zwarte bivakmuts tonen grote overeenkomsten.
8. Een proces-verbaal met parketnummer 15-741191-10 van 10 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 165 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 6 oktober 2010 werd benzinestation [A] te Santpoort-Zuid overvallen. Op 7 oktober 2010 werden kledingstukken aangetroffen. Van de aangetroffen/ inbeslaggenomen kleding werd onder andere de bivakmuts voor onderzoek op biologische sporten verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. In de bivakmuts werd celmateriaal aangetroffen, waaruit een DNA-profiel werd verkregen. Het DNA-profiel verkregen uit dit celmateriaal werd in december 2010 opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. In mei 2011 vond er een match plaats tussen dit profiel en een verkregen profiel uit referentie-materiaal van een veroordeelde genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats].
9. Een proces-verbaal met nummer PL 126H2010/09716-5 van 31 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 78 e.v.), met als bijlage een rapport van het NFI van 17 mei 2011 op gemaakt door ing. A.P.M. van Dijk, NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek (welk rapport van een bijlage is voorzien).
Genoemd NFI-rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van Van Dijk:
Bijlage Rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van veroordeelde van het NFI van 17 mei 2011
Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAN4818NL van de veroordeelde [verdachte] is een DNA-profiel verkregen dat op 13 mei 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 17210. Het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel AACG1869NL#04, uit DNA profielcluster 17210, kan afkomstig zijn van [verdachte].
De bijlage bij dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
NFI-zaaknummer 2010.10.20.060
Omschrijving onderzoeksmateriaal een bemonstering van een bivakmuts
DNA-identiteitszegel AACG1869NL#04
Delict gewapende overval
Kenmerk aanvrager PL 126H 2010109716-5
Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel
Matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard
10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 april 2012.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Mijn telefoonnummer eindigde op [001]. Ik heb u verteld dat het telefoonnummer dat in het dossier wordt genoemd en dat eindigt op [002] ook van mij is geweest.
Het hof begrijpt als opmerking van de griffier: De oudste rechter concludeert, dat verdachte verklaart dat de telefoonnummers 06-[001] en 06-[002], van verdachte zijn en waren.
11. Een proces-verbaal met parketnummer 15/741191-10 van 10 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 163 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Door mij verbalisant is een zoekslag gedaan in het digitale communicatie sporen systeem van de bekomen historische printgegevens van het onderzoek YM 10 SAX over de periode van 05 oktober 2010, 21.00 uur tot en met 09 oktober 2010, 21.00 uur. Hieruit werd het volgende bekend, dat:
C.
- op 06 oktober 2010, te 16.57.20 uur het telefoonnummer 06-[002] belt;
- het telefoonnummer 06-[002] bij dit contact de zendpaal 732 aanstraalt. Deze zendpaal staat op de Driftlaan te Haarlem.
D.
- op 06 oktober 2010, te 16.58.06 uur het telefoonnummer 06-[002] belt;
- het telefoonnummer 06-[002] bij dit contact de zendpaal 13742 aanstraalt. Deze zendpaal staat op de [a-straat] 72 te Santpoort.
E.
- het telefoonnummer 06-[002] tussen 6 oktober 2010 tussen 16.58.06 uur en 06 oktober 2010, 17.04.09 uur, alleen maar uitgaande contacten heeft;
- al deze contacten gaan over de zendmastpalen 732 en 13742, respectievelijk de zendpalen Driftlaan te Haarlem en [a-straat] 72 te Santpoort;
- het contact op 06 oktober 2010 te 17.04.09 uur het laatste belcontact is op die dag.”
9. Ten aanzien van de bewezenverklaring houdt het bestreden arrest nog het volgende in:
“Feiten en omstandigheden
Uit de aangifte en het proces-verbaal van uitwerking van de videobeelden volgt dat op 6 oktober 2010 twee mannen de shop van benzinestation [A] kwamen binnenrennen. De eerste man had een capuchon op en bleek een mes bij zich te hebben, de tweede man droeg een bivakmuts en had een kleine bijl in zijn hand. De aanwezige medewerkster werd bij haar armen gepakt. Er werd "geld, geld" geroepen. De medewerkster voelde een scherp voorwerp in haar rug prikken en werd door één van de mannen richting de kassa geduwd. De mannen gaan er met de inhoud van de kassa vandoor. De ene jongen had een horizontaal gestreept vest met blauwgrijs en/of wittinten aan en de ander een donkerblauw sweatshirt met op de voorzijde een lichtgekleurde opdruk en een zwarte bivakmuts over zijn hoofd.
Een getuige heeft de overvallers de shop uit zien rennen en linksaf in de richting van het spoor. Twee getuigen zagen tussen 21:00 en 22:00 uur twee verdachte personen tussen de struiken op het terrein van OCK Het Spalier die donker gekleed waren en capuchons droegen. De twee personen vluchtten toen zij werden gezien. De ene jongen droeg een vest met witte en grijze horizontale strepen en de ander een donker vest met op zijn borst een lichtgekleurd logo. Op 7 oktober 2010 werd onder andere een donkerblauwe sweater met witte opdruk en een zwarte bivakmuts gevonden. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het DNA dat is aangetroffen op de bivakmuts matcht met het DNA van de verdachte.
De verdachte maakte gebruik van de telefoonnummers 06-81702055 en 06-[002]. Uit telecomonderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 6 oktober 2010 op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur twee zendmasten in de buurt van het benzinestation aanstraalde. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nooit in Santpoort komt en dat hij zijn telefoon altijd bij zich heeft en nooit uitleent.”
10. Voorts heeft het Hof de gevoerde verweren als volgt samengevat en verworpen en het daaraan gekoppelde verzoek om nader onderzoek afgewezen:
“Gevoerde verweren
De raadsman heeft aangevoerd dat er een discrepantie is in het NFI-rapport tussen enerzijds de conclusie op dossierpagina 80 van het dossier waarin staat dat het DNA afkomstig kán zijn van de verdachte en de conclusie zoals aangegeven op dossierpagina 82 van het dossier waar wordt gesproken over een vrijwel zekere afkomst.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat de zendmast die is aangestraald om drie redenen onjuiste informatie kan verschaffen over de vermeende locatie van verdachte. Ten eerste kan het zijn dat verdachte op het voetbalveld stond, ten tweede kan de verdachte thuis zijn geweest en ten derde kan het signaal van een andere zendmast wegens onderhoud of overbelasting zijn doorgezonden naar de aangestraalde zendmast.
Conclusie
De aangetroffen kleding betreft meer dan vermoedelijk de kleding die door overvaller 2 tijdens de overval op het benzinestation werd gedragen, met name het sweatshirt in combinatie met de zwarte handschoenen en de zwarte bivakmuts tonen grote overeenkomsten.
8. Een proces-verbaal met parketnummer 15-741191-10 van 10 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 165 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 6 oktober 2010 werd benzinestation [A] te Santpoort-Zuid overvallen. Op 7 oktober 2010 werden kledingstukken aangetroffen. Van de aangetroffen/ inbeslaggenomen kleding werd onder andere de bivakmuts voor onderzoek op biologische sporten verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. In de bivakmuts werd celmateriaal aangetroffen, waaruit een DNA-profiel werd verkregen. Het DNA-profiel verkregen uit dit celmateriaal werd in december 2010 opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. In mei 2011 vond er een match plaats tussen dit profiel en een verkregen profiel uit referentie-materiaal van een veroordeelde genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats].
9. Een proces-verbaal met nummer PL 126H2010/09716-5 van 31 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 78 e.v.), met als bijlage een rapport van het NFI van 17 mei 2011 op gemaakt door ing. A.P.M. van Dijk, NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek (welk rapport van een bijlage is voorzien).
Genoemd NFI-rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van Van Dijk:
Bijlage Rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van veroordeelde van het NFI van 17 mei 2011
Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAN4818NL van de veroordeelde [verdachte] is een DNA-profiel verkregen dat op 13 mei 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 17210. Het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel AACG1869NL#04, uit DNA profielcluster 17210, kan afkomstig zijn van [verdachte].
De bijlage bij dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
NFI-zaaknummer 2010.10.20.060
Omschrijving onderzoeksmateriaal een bemonstering van een bivakmuts
DNA-identiteitszegel AACG1869NL#04
Delict gewapende overval
Kenmerk aanvrager PL 126H 2010109716-5
Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel
Matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard
10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 april 2012.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Mijn telefoonnummer eindigde op [001]. Ik heb u verteld dat het telefoonnummer dat in het dossier wordt genoemd en dat eindigt op [002] ook van mij is geweest.
Het hof begrijpt als opmerking van de griffier: De oudste rechter concludeert, dat verdachte verklaart dat de telefoonnummers 06-[001] en 06-[002], van verdachte zijn en waren.
11. Een proces-verbaal met parketnummer 15/741191-10 van 10 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 163 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Door mij verbalisant is een zoekslag gedaan in het digitale communicatie sporen systeem van de bekomen historische printgegevens van het onderzoek YM 10 SAX over de periode van 05 oktober 2010, 21.00 uur tot en met 09 oktober 2010, 21.00 uur. Hieruit werd het volgende bekend, dat:
C.
- op 06 oktober 2010, te 16.57.20 uur het telefoonnummer 06-[002] belt;
- het telefoonnummer 06-[002] bij dit contact de zendpaal 732 aanstraalt. Deze zendpaal staat op de Driftlaan te Haarlem.
D.
- op 06 oktober 2010, te 16.58.06 uur het telefoonnummer 06-[002] belt;
- het telefoonnummer 06-[002] bij dit contact de zendpaal 13742 aanstraalt. Deze zendpaal staat op de [a-straat] 72 te Santpoort.
E.
- het telefoonnummer 06-[002] tussen 6 oktober 2010 tussen 16.58.06 uur en 06 oktober 2010, 17.04.09 uur, alleen maar uitgaande contacten heeft;
- al deze contacten gaan over de zendmastpalen 732 en 13742, respectievelijk de zendpalen Driftlaan te Haarlem en [a-straat] 72 te Santpoort;
- het contact op 06 oktober 2010 te 17.04.09 uur het laatste belcontact is op die dag.”
9. Ten aanzien van de bewezenverklaring houdt het bestreden arrest nog het volgende in:
“Feiten en omstandigheden
Uit de aangifte en het proces-verbaal van uitwerking van de videobeelden volgt dat op 6 oktober 2010 twee mannen de shop van benzinestation [A] kwamen binnenrennen. De eerste man had een capuchon op en bleek een mes bij zich te hebben, de tweede man droeg een bivakmuts en had een kleine bijl in zijn hand. De aanwezige medewerkster werd bij haar armen gepakt. Er werd "geld, geld" geroepen. De medewerkster voelde een scherp voorwerp in haar rug prikken en werd door één van de mannen richting de kassa geduwd. De mannen gaan er met de inhoud van de kassa vandoor. De ene jongen had een horizontaal gestreept vest met blauwgrijs en/of wittinten aan en de ander een donkerblauw sweatshirt met op de voorzijde een lichtgekleurde opdruk en een zwarte bivakmuts over zijn hoofd.
Een getuige heeft de overvallers de shop uit zien rennen en linksaf in de richting van het spoor. Twee getuigen zagen tussen 21:00 en 22:00 uur twee verdachte personen tussen de struiken op het terrein van OCK Het Spalier die donker gekleed waren en capuchons droegen. De twee personen vluchtten toen zij werden gezien. De ene jongen droeg een vest met witte en grijze horizontale strepen en de ander een donker vest met op zijn borst een lichtgekleurd logo. Op 7 oktober 2010 werd onder andere een donkerblauwe sweater met witte opdruk en een zwarte bivakmuts gevonden. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het DNA dat is aangetroffen op de bivakmuts matcht met het DNA van de verdachte.
De verdachte maakte gebruik van de telefoonnummers 06-81702055 en 06-[002]. Uit telecomonderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 6 oktober 2010 op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur twee zendmasten in de buurt van het benzinestation aanstraalde. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nooit in Santpoort komt en dat hij zijn telefoon altijd bij zich heeft en nooit uitleent.”
10. Voorts heeft het Hof de gevoerde verweren als volgt samengevat en verworpen en het daaraan gekoppelde verzoek om nader onderzoek afgewezen:
“Gevoerde verweren
De raadsman heeft aangevoerd dat er een discrepantie is in het NFI-rapport tussen enerzijds de conclusie op dossierpagina 80 van het dossier waarin staat dat het DNA afkomstig kán zijn van de verdachte en de conclusie zoals aangegeven op dossierpagina 82 van het dossier waar wordt gesproken over een vrijwel zekere afkomst.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat de zendmast die is aangestraald om drie redenen onjuiste informatie kan verschaffen over de vermeende locatie van verdachte. Ten eerste kan het zijn dat verdachte op het voetbalveld stond, ten tweede kan de verdachte thuis zijn geweest en ten derde kan het signaal van een andere zendmast wegens onderhoud of overbelasting zijn doorgezonden naar de aangestraalde zendmast.
Conclusie
Daarnaast is een dergelijke bijl overal te koop.
De raadsman heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep verzocht nader onderzoek te doen naar het aanstralen van de zendmast door de mobiele telefoon van de verdachte, naar de bijl en hij heeft verzocht een deskundige van het NFI te horen in verband met de door de verdediging veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport.
Het hof overweegt als volgt.
Met betrekking tot de veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport overweegt het hof dat dit verzoek feitelijke grondslag mist. In de betreffende NFI-rapportage staat op dossierpagina 80 van het dossier dat het DNA in het sporenmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt voor het vermelde spoor verwezen naar de bijlage. In de bijlage op dossierpagina 82 staat de matchkans van dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.
Gezien deze weergave in de NFl-rapportage is het hof van oordeel dat er geen discrepantie is en dat het verzoek van de raadsman voor het horen van een deskundige van het NFI feitelijke grondslag mist. Ook voorts is de noodzaak hiertoe niet gebleken.
Wat betreft de mogelijkheid dat verdachte zich op het voetbalveld bevond, overweegt het hof dat dit niet aannemelijk is gelet op de verklaringen van getuigen dat vriendschappelijke wedstrijden meestal om 19:30 uur aanvangen en de zendmasten op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur aangestraald werden. De toenmalige trainer en de toenmalige teammanager hebben voorts verklaard dat er op de avond van die wedstrijd een Champions League wedstrijd werd gespeeld tussen Barcelona en een andere ploeg. Uit onderzoek is gebleken dat in oktober 2010 alleen op 19 en 20 oktober Champions League-wedstrijden zijn gespeeld en dat Barcelona op 20 oktober heeft gespeeld. Dat verdachte thuis geweest zou zijn op het moment dat de zendmasten aangestraald werden, is ongeloofwaardig. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende zendmasten in de periode van 17 september 2010 tot 6 juni 2011 alléén op 6 oktober 2010, de dag van de overval op het benzinestation, zijn aangestraald door de telefoon van verdachte. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Dit geldt eveneens voor het verzoek tot onderzoek van de bijl. Het hof wijst de verzoeken af nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.”
11. Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verzoeker een van de overvallers was. Hetgeen door en namens verzoeker op de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2013 is aangevoerd in het kader van de bewijsvraag is door het Hof besproken, en verworpen. Daarbij merk ik nog op dat verscheidene feiten die in de toelichting op het middel worden genoemd, niet eerder op de terechtzitting in hoger beroep van het Hof zo expliciet naar voren zijn gebracht. Ik wijs bijvoorbeeld op de stelling dat het niet denkbeeldig is dat “de echte daders” celmateriaal van verzoeker op de aangetroffen kledingstukken hebben aangebracht. Wat betreft het aanstralen van de bedoelde zendmasten zijn niet zozeer de tijdstippen relevant, maar is ’s Hofs feitelijke vaststelling van betekenis dat in de onderzochte periode deze zendmasten enkel op de dag van de overval (6 oktober 2010) zijn aangestraald door de telefoon van verzoeker.
12. Het middel faalt.
13. Het derde middel klaagt dat het Hof de directe uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde heeft bevolen zonder dat uit het arrest blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijk bevel.
14. Art. 77za, eerste lid, Sr luidt:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden, de op grond van artikel 77aa, tweede en derde lid, te verlenen hulp en steun dan wel het op grond van artikel 77aa, vierde lid, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
15. Het Hof heeft ten aanzien van de op te leggen straf het volgende overwogen:
“(…)
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de overval op een benzinestation.
Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een mes en een bijl. Hierbij is de medewerkster van het benzinestation in haar been gestoken. Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en getoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met het feit dat zijn handelen voor het slachtoffer zeer beangstigend moet zijn geweest. De ervaring leert dat dergelijke delicten doorgaans nog geruime tijd nadien gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer met zich meebrengen. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, veroorzaken feiten als het onderhavige onrust in de samenleving en versterken ze gevoelens van onveiligheid. Het hof rekent het de verdachte voorts aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent zijn aandeel.
Daarnaast heeft de verdachte hennep verkocht aan een derde. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen met zich meebrengen voor gebruikers.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van de voorgeleiding van 12 januari 2012, het psychologisch onderzoek pro justitia van 16 maart 2012, het multidisciplinair onderzoek pro justitia van 14 september 2012 en de brief van 29 oktober van [betrokkene 1], behandelcoördinator binnen Amsterbaken waaruit naar voren komt dat de verdachte behoefte heeft aan begeleiding.
Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2013 is de verdachte eerder veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, mede gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.”
16. Verzoeker, op de dag van de overval zestien jaar oud, heeft volgens het Hof zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval. In de motivering van de strafoplegging heeft het Hof nadrukkelijk gelet op:
- de ernst van dit feit;
- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;
- de persoon van verzoeker, waaronder zijn jeugdige leeftijd tempore delicti uiteraard is begrepen, zoals blijkend uit de rapportages en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep waaruit naar voren komt dat verzoeker “behoefte heeft aan begeleiding”;
- het Uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verzoeker eerder is veroordeeld.
17. Op grond van dit één en ander heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gevreesd voor recidivegevaar. Ik lees de strafmotivering van het Hof aldus dat onmiddellijke hulp- en steunverlening aan verzoeker geboden is. Ik meen dan ook dat de klacht, dat het Hof niet heeft voldaan aan de in artikel 77za, eerste lid, Sr omschreven voorwaarden, doel mist nu de desbetreffende vereisten voldoende duidelijk besloten liggen in de strafmotivering van het Hof.
18. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat verzoeker niet duidelijk is gemaakt wanneer de proeftijd in het onderhavige verband is gaan lopen, zal ik trachten hem daarover enige helderheid te geven. Dadelijk uitvoerbaar van de bijzondere voorwaarde als bedoeld in de bestreden uitspraak betekent eenvoudig: vanaf het moment dat de rechterlijke uitspraak is gedaan. In het dictum doelt het Hof met “gedurende de volledige proeftijd” dus onmiskenbaar op dat aanvangsmoment.
Conclusie
Daarnaast is een dergelijke bijl overal te koop.
De raadsman heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep verzocht nader onderzoek te doen naar het aanstralen van de zendmast door de mobiele telefoon van de verdachte, naar de bijl en hij heeft verzocht een deskundige van het NFI te horen in verband met de door de verdediging veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport.
Het hof overweegt als volgt.
Met betrekking tot de veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport overweegt het hof dat dit verzoek feitelijke grondslag mist. In de betreffende NFI-rapportage staat op dossierpagina 80 van het dossier dat het DNA in het sporenmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt voor het vermelde spoor verwezen naar de bijlage. In de bijlage op dossierpagina 82 staat de matchkans van dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.
Gezien deze weergave in de NFl-rapportage is het hof van oordeel dat er geen discrepantie is en dat het verzoek van de raadsman voor het horen van een deskundige van het NFI feitelijke grondslag mist. Ook voorts is de noodzaak hiertoe niet gebleken.
Wat betreft de mogelijkheid dat verdachte zich op het voetbalveld bevond, overweegt het hof dat dit niet aannemelijk is gelet op de verklaringen van getuigen dat vriendschappelijke wedstrijden meestal om 19:30 uur aanvangen en de zendmasten op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur aangestraald werden. De toenmalige trainer en de toenmalige teammanager hebben voorts verklaard dat er op de avond van die wedstrijd een Champions League wedstrijd werd gespeeld tussen Barcelona en een andere ploeg. Uit onderzoek is gebleken dat in oktober 2010 alleen op 19 en 20 oktober Champions League-wedstrijden zijn gespeeld en dat Barcelona op 20 oktober heeft gespeeld. Dat verdachte thuis geweest zou zijn op het moment dat de zendmasten aangestraald werden, is ongeloofwaardig. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende zendmasten in de periode van 17 september 2010 tot 6 juni 2011 alléén op 6 oktober 2010, de dag van de overval op het benzinestation, zijn aangestraald door de telefoon van verdachte. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Dit geldt eveneens voor het verzoek tot onderzoek van de bijl. Het hof wijst de verzoeken af nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.”
11. Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verzoeker een van de overvallers was. Hetgeen door en namens verzoeker op de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2013 is aangevoerd in het kader van de bewijsvraag is door het Hof besproken, en verworpen. Daarbij merk ik nog op dat verscheidene feiten die in de toelichting op het middel worden genoemd, niet eerder op de terechtzitting in hoger beroep van het Hof zo expliciet naar voren zijn gebracht. Ik wijs bijvoorbeeld op de stelling dat het niet denkbeeldig is dat “de echte daders” celmateriaal van verzoeker op de aangetroffen kledingstukken hebben aangebracht. Wat betreft het aanstralen van de bedoelde zendmasten zijn niet zozeer de tijdstippen relevant, maar is ’s Hofs feitelijke vaststelling van betekenis dat in de onderzochte periode deze zendmasten enkel op de dag van de overval (6 oktober 2010) zijn aangestraald door de telefoon van verzoeker.
12. Het middel faalt.
13. Het derde middel klaagt dat het Hof de directe uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde heeft bevolen zonder dat uit het arrest blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijk bevel.
14. Art. 77za, eerste lid, Sr luidt:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden, de op grond van artikel 77aa, tweede en derde lid, te verlenen hulp en steun dan wel het op grond van artikel 77aa, vierde lid, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
15. Het Hof heeft ten aanzien van de op te leggen straf het volgende overwogen:
“(…)
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de overval op een benzinestation.
Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een mes en een bijl. Hierbij is de medewerkster van het benzinestation in haar been gestoken. Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en getoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met het feit dat zijn handelen voor het slachtoffer zeer beangstigend moet zijn geweest. De ervaring leert dat dergelijke delicten doorgaans nog geruime tijd nadien gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer met zich meebrengen. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, veroorzaken feiten als het onderhavige onrust in de samenleving en versterken ze gevoelens van onveiligheid. Het hof rekent het de verdachte voorts aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent zijn aandeel.
Daarnaast heeft de verdachte hennep verkocht aan een derde. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen met zich meebrengen voor gebruikers.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van de voorgeleiding van 12 januari 2012, het psychologisch onderzoek pro justitia van 16 maart 2012, het multidisciplinair onderzoek pro justitia van 14 september 2012 en de brief van 29 oktober van [betrokkene 1], behandelcoördinator binnen Amsterbaken waaruit naar voren komt dat de verdachte behoefte heeft aan begeleiding.
Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2013 is de verdachte eerder veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, mede gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.”
16. Verzoeker, op de dag van de overval zestien jaar oud, heeft volgens het Hof zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval. In de motivering van de strafoplegging heeft het Hof nadrukkelijk gelet op:
- de ernst van dit feit;
- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;
- de persoon van verzoeker, waaronder zijn jeugdige leeftijd tempore delicti uiteraard is begrepen, zoals blijkend uit de rapportages en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep waaruit naar voren komt dat verzoeker “behoefte heeft aan begeleiding”;
- het Uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verzoeker eerder is veroordeeld.
17. Op grond van dit één en ander heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gevreesd voor recidivegevaar. Ik lees de strafmotivering van het Hof aldus dat onmiddellijke hulp- en steunverlening aan verzoeker geboden is. Ik meen dan ook dat de klacht, dat het Hof niet heeft voldaan aan de in artikel 77za, eerste lid, Sr omschreven voorwaarden, doel mist nu de desbetreffende vereisten voldoende duidelijk besloten liggen in de strafmotivering van het Hof.
18. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat verzoeker niet duidelijk is gemaakt wanneer de proeftijd in het onderhavige verband is gaan lopen, zal ik trachten hem daarover enige helderheid te geven. Dadelijk uitvoerbaar van de bijzondere voorwaarde als bedoeld in de bestreden uitspraak betekent eenvoudig: vanaf het moment dat de rechterlijke uitspraak is gedaan. In het dictum doelt het Hof met “gedurende de volledige proeftijd” dus onmiskenbaar op dat aanvangsmoment.
Conclusie
Daarnaast is een dergelijke bijl overal te koop.
De raadsman heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep verzocht nader onderzoek te doen naar het aanstralen van de zendmast door de mobiele telefoon van de verdachte, naar de bijl en hij heeft verzocht een deskundige van het NFI te horen in verband met de door de verdediging veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport.
Het hof overweegt als volgt.
Met betrekking tot de veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport overweegt het hof dat dit verzoek feitelijke grondslag mist. In de betreffende NFI-rapportage staat op dossierpagina 80 van het dossier dat het DNA in het sporenmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt voor het vermelde spoor verwezen naar de bijlage. In de bijlage op dossierpagina 82 staat de matchkans van dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.
Gezien deze weergave in de NFl-rapportage is het hof van oordeel dat er geen discrepantie is en dat het verzoek van de raadsman voor het horen van een deskundige van het NFI feitelijke grondslag mist. Ook voorts is de noodzaak hiertoe niet gebleken.
Wat betreft de mogelijkheid dat verdachte zich op het voetbalveld bevond, overweegt het hof dat dit niet aannemelijk is gelet op de verklaringen van getuigen dat vriendschappelijke wedstrijden meestal om 19:30 uur aanvangen en de zendmasten op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur aangestraald werden. De toenmalige trainer en de toenmalige teammanager hebben voorts verklaard dat er op de avond van die wedstrijd een Champions League wedstrijd werd gespeeld tussen Barcelona en een andere ploeg. Uit onderzoek is gebleken dat in oktober 2010 alleen op 19 en 20 oktober Champions League-wedstrijden zijn gespeeld en dat Barcelona op 20 oktober heeft gespeeld. Dat verdachte thuis geweest zou zijn op het moment dat de zendmasten aangestraald werden, is ongeloofwaardig. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende zendmasten in de periode van 17 september 2010 tot 6 juni 2011 alléén op 6 oktober 2010, de dag van de overval op het benzinestation, zijn aangestraald door de telefoon van verdachte. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Dit geldt eveneens voor het verzoek tot onderzoek van de bijl. Het hof wijst de verzoeken af nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.”
11. Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verzoeker een van de overvallers was. Hetgeen door en namens verzoeker op de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2013 is aangevoerd in het kader van de bewijsvraag is door het Hof besproken, en verworpen. Daarbij merk ik nog op dat verscheidene feiten die in de toelichting op het middel worden genoemd, niet eerder op de terechtzitting in hoger beroep van het Hof zo expliciet naar voren zijn gebracht. Ik wijs bijvoorbeeld op de stelling dat het niet denkbeeldig is dat “de echte daders” celmateriaal van verzoeker op de aangetroffen kledingstukken hebben aangebracht. Wat betreft het aanstralen van de bedoelde zendmasten zijn niet zozeer de tijdstippen relevant, maar is ’s Hofs feitelijke vaststelling van betekenis dat in de onderzochte periode deze zendmasten enkel op de dag van de overval (6 oktober 2010) zijn aangestraald door de telefoon van verzoeker.
12. Het middel faalt.
13. Het derde middel klaagt dat het Hof de directe uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde heeft bevolen zonder dat uit het arrest blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijk bevel.
14. Art. 77za, eerste lid, Sr luidt:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden, de op grond van artikel 77aa, tweede en derde lid, te verlenen hulp en steun dan wel het op grond van artikel 77aa, vierde lid, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
15. Het Hof heeft ten aanzien van de op te leggen straf het volgende overwogen:
“(…)
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de overval op een benzinestation.
Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een mes en een bijl. Hierbij is de medewerkster van het benzinestation in haar been gestoken. Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en getoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met het feit dat zijn handelen voor het slachtoffer zeer beangstigend moet zijn geweest. De ervaring leert dat dergelijke delicten doorgaans nog geruime tijd nadien gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer met zich meebrengen. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, veroorzaken feiten als het onderhavige onrust in de samenleving en versterken ze gevoelens van onveiligheid. Het hof rekent het de verdachte voorts aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent zijn aandeel.
Daarnaast heeft de verdachte hennep verkocht aan een derde. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen met zich meebrengen voor gebruikers.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van de voorgeleiding van 12 januari 2012, het psychologisch onderzoek pro justitia van 16 maart 2012, het multidisciplinair onderzoek pro justitia van 14 september 2012 en de brief van 29 oktober van [betrokkene 1], behandelcoördinator binnen Amsterbaken waaruit naar voren komt dat de verdachte behoefte heeft aan begeleiding.
Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2013 is de verdachte eerder veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, mede gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.”
16. Verzoeker, op de dag van de overval zestien jaar oud, heeft volgens het Hof zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval. In de motivering van de strafoplegging heeft het Hof nadrukkelijk gelet op:
- de ernst van dit feit;
- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;
- de persoon van verzoeker, waaronder zijn jeugdige leeftijd tempore delicti uiteraard is begrepen, zoals blijkend uit de rapportages en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep waaruit naar voren komt dat verzoeker “behoefte heeft aan begeleiding”;
- het Uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verzoeker eerder is veroordeeld.
17. Op grond van dit één en ander heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gevreesd voor recidivegevaar. Ik lees de strafmotivering van het Hof aldus dat onmiddellijke hulp- en steunverlening aan verzoeker geboden is. Ik meen dan ook dat de klacht, dat het Hof niet heeft voldaan aan de in artikel 77za, eerste lid, Sr omschreven voorwaarden, doel mist nu de desbetreffende vereisten voldoende duidelijk besloten liggen in de strafmotivering van het Hof.
18. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat verzoeker niet duidelijk is gemaakt wanneer de proeftijd in het onderhavige verband is gaan lopen, zal ik trachten hem daarover enige helderheid te geven. Dadelijk uitvoerbaar van de bijzondere voorwaarde als bedoeld in de bestreden uitspraak betekent eenvoudig: vanaf het moment dat de rechterlijke uitspraak is gedaan. In het dictum doelt het Hof met “gedurende de volledige proeftijd” dus onmiskenbaar op dat aanvangsmoment.
Conclusie
Het stellen van een dergelijke bijzondere voorwaarde is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld om te voorkomen dat de veroordeelde zich door het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie kan onttrekken aan justitieel toezicht. Deze proeftijd wijkt om die reden af van de proeftijd van twee jaren die aan de algemene voorwaarden is gekoppeld. Daaruit vloeit vanzelfsprekend voort dat het zich in een geval als het onderhavige niet houden aan een bijzondere voorwaarde strafrechtelijke consequenties met zich kan dragen. Overigens attendeer ik erop dat de Rechtbank Haarlem al in haar vonnis heeft bepaald dat de door haar opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Reeds gedurende de tijd na het wijzen van dit vonnis was verzoeker dus al gehouden zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden.
19. Waarom en hoe het bevel van het Hof tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde aan het instellen van cassatie in de weg zou staan, vermag ik niet in te zien. Het door de steller van het middel ingeroepen art. 77y Sr maakt dit niet anders.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 18 april 2013 beroep in cassatie ingesteld. Gezien een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 13 februari 2014. Daarmee is de hier toepasselijke inzendtermijn van zes maanden overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, behoort niet meer tot de mogelijkheden.
22. Het middel slaagt.
23. De eerste drie middelen falen, waarbij het eerste middel en het tweede middel kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO. Het vierde middel slaagt. De Hoge Raad kan het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
In het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2013 valt te lezen dat de appelschriftuur is ontvangen op (dinsdag) 11 december 2012. Uit de akte rechtsmiddel blijkt dat het beroep tegen het vonnis is ingesteld op (vrijdag) 23 november 2012. In weerwil van de steller van het middel, blijkt uit de stukken van het geding niet dat de faxbrief d.d. 7 december waarbij de appelschriftuur naar de griffie van het gerechtshof zou zijn gestuurd, ook op die datum bij de griffie van de rechtbank – gelet op art. 410, eerste lid, Sv is hier de dag van indiening van de appelschriftuur ter griffie van de rechtbank bepalend - is ingediend. Kennelijk doelde de voorzitter van het Hof met het noemen van de datum 11 december 2012 op de ontvangst door de griffie van de rechtbank.
Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 (rov. 2.64 en 2.65), NJ 2014/441 m.nt. Borgers.
Met inbegrip van hier weggelaten voetnoten.
De mogelijkheid om een bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren kent zijn evenknie voor het volwassenstrafrecht in art. 14e Sr.
Vgl. voor een vergelijkbaar geval HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910 m.b.t. art. 14e Sr.
Zie ook HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910.
Kamerstukken II 2009/10, 32 123, VI, 65 en 70. Zie ook Verpalen in T&C-Sr, tiende druk, 2014, aant. 1 bij art. 77za Sr.
T&C-Sr, tiende druk, 2014, aant. 1 van Verpalen bij art. 77za Sr.
Conclusie
Het stellen van een dergelijke bijzondere voorwaarde is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld om te voorkomen dat de veroordeelde zich door het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie kan onttrekken aan justitieel toezicht. Deze proeftijd wijkt om die reden af van de proeftijd van twee jaren die aan de algemene voorwaarden is gekoppeld. Daaruit vloeit vanzelfsprekend voort dat het zich in een geval als het onderhavige niet houden aan een bijzondere voorwaarde strafrechtelijke consequenties met zich kan dragen. Overigens attendeer ik erop dat de Rechtbank Haarlem al in haar vonnis heeft bepaald dat de door haar opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Reeds gedurende de tijd na het wijzen van dit vonnis was verzoeker dus al gehouden zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden.
19. Waarom en hoe het bevel van het Hof tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde aan het instellen van cassatie in de weg zou staan, vermag ik niet in te zien. Het door de steller van het middel ingeroepen art. 77y Sr maakt dit niet anders.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 18 april 2013 beroep in cassatie ingesteld. Gezien een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 13 februari 2014. Daarmee is de hier toepasselijke inzendtermijn van zes maanden overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, behoort niet meer tot de mogelijkheden.
22. Het middel slaagt.
23. De eerste drie middelen falen, waarbij het eerste middel en het tweede middel kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO. Het vierde middel slaagt. De Hoge Raad kan het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
In het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2013 valt te lezen dat de appelschriftuur is ontvangen op (dinsdag) 11 december 2012. Uit de akte rechtsmiddel blijkt dat het beroep tegen het vonnis is ingesteld op (vrijdag) 23 november 2012. In weerwil van de steller van het middel, blijkt uit de stukken van het geding niet dat de faxbrief d.d. 7 december waarbij de appelschriftuur naar de griffie van het gerechtshof zou zijn gestuurd, ook op die datum bij de griffie van de rechtbank – gelet op art. 410, eerste lid, Sv is hier de dag van indiening van de appelschriftuur ter griffie van de rechtbank bepalend - is ingediend. Kennelijk doelde de voorzitter van het Hof met het noemen van de datum 11 december 2012 op de ontvangst door de griffie van de rechtbank.
Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 (rov. 2.64 en 2.65), NJ 2014/441 m.nt. Borgers.
Met inbegrip van hier weggelaten voetnoten.
De mogelijkheid om een bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren kent zijn evenknie voor het volwassenstrafrecht in art. 14e Sr.
Vgl. voor een vergelijkbaar geval HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910 m.b.t. art. 14e Sr.
Zie ook HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910.
Kamerstukken II 2009/10, 32 123, VI, 65 en 70. Zie ook Verpalen in T&C-Sr, tiende druk, 2014, aant. 1 bij art. 77za Sr.
T&C-Sr, tiende druk, 2014, aant. 1 van Verpalen bij art. 77za Sr.
Conclusie
Het stellen van een dergelijke bijzondere voorwaarde is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld om te voorkomen dat de veroordeelde zich door het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie kan onttrekken aan justitieel toezicht. Deze proeftijd wijkt om die reden af van de proeftijd van twee jaren die aan de algemene voorwaarden is gekoppeld. Daaruit vloeit vanzelfsprekend voort dat het zich in een geval als het onderhavige niet houden aan een bijzondere voorwaarde strafrechtelijke consequenties met zich kan dragen. Overigens attendeer ik erop dat de Rechtbank Haarlem al in haar vonnis heeft bepaald dat de door haar opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Reeds gedurende de tijd na het wijzen van dit vonnis was verzoeker dus al gehouden zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden.
19. Waarom en hoe het bevel van het Hof tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde aan het instellen van cassatie in de weg zou staan, vermag ik niet in te zien. Het door de steller van het middel ingeroepen art. 77y Sr maakt dit niet anders.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 18 april 2013 beroep in cassatie ingesteld. Gezien een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 13 februari 2014. Daarmee is de hier toepasselijke inzendtermijn van zes maanden overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, behoort niet meer tot de mogelijkheden.
22. Het middel slaagt.
23. De eerste drie middelen falen, waarbij het eerste middel en het tweede middel kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO. Het vierde middel slaagt. De Hoge Raad kan het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
In het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2013 valt te lezen dat de appelschriftuur is ontvangen op (dinsdag) 11 december 2012. Uit de akte rechtsmiddel blijkt dat het beroep tegen het vonnis is ingesteld op (vrijdag) 23 november 2012. In weerwil van de steller van het middel, blijkt uit de stukken van het geding niet dat de faxbrief d.d. 7 december waarbij de appelschriftuur naar de griffie van het gerechtshof zou zijn gestuurd, ook op die datum bij de griffie van de rechtbank – gelet op art. 410, eerste lid, Sv is hier de dag van indiening van de appelschriftuur ter griffie van de rechtbank bepalend - is ingediend. Kennelijk doelde de voorzitter van het Hof met het noemen van de datum 11 december 2012 op de ontvangst door de griffie van de rechtbank.
Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 (rov. 2.64 en 2.65), NJ 2014/441 m.nt. Borgers.
Met inbegrip van hier weggelaten voetnoten.
De mogelijkheid om een bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren kent zijn evenknie voor het volwassenstrafrecht in art. 14e Sr.
Vgl. voor een vergelijkbaar geval HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910 m.b.t. art. 14e Sr.
Zie ook HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910.
Kamerstukken II 2009/10, 32 123, VI, 65 en 70. Zie ook Verpalen in T&C-Sr, tiende druk, 2014, aant. 1 bij art. 77za Sr.
T&C-Sr, tiende druk, 2014, aant. 1 van Verpalen bij art. 77za Sr.