Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-05-13
ECLI:NL:PHR:2014:684
Strafrecht
6,099 tokens
Conclusie
[verdachte]
1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 30 oktober 2012 voor: Als een vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
2. Mr. M.K. Bhadal, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte het beroep op schorsing van de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring heeft verworpen. Het middel heeft betrekking op een uitspraak in kort geding, inhoudende een verbod tot uitzetting en op een bevel van de rechter-commissaris tot medebrenging van verdachte. De uitspraak in kort geding levert volgens de steller van het middel een algemene ongeschreven strafuitsluitingsgrond op, omdat het verblijf van verdachte daardoor als het ware wordt gedoogd en het bevel van de rechter-commissaris is te beschouwen als een ambtelijk bevel als bedoeld in artikel 43 Sr.
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte
"op 7 mei 2010 te Rotterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, te weten bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie (nummer 0010-20-2017) de dato 9 november 2009, tot ongewenst vreemdeling was verklaard."
3.3. Voorts heeft het hof in zijn arrest nog het volgende opgenomen:
"Verweren van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat een veroordeling van de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde achterwege dient te blijven.
Hiertoe heeft hij primair aangevoerd dat:
- de voorzieningenrechter te Haarlem bij uitspraak van 26 augustus 2010 een voorlopige voorziening heeft toegewezen ten aanzien van de verdachte, inhoudende dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring worden geschorst tot vier weken nadat op zijn bezwaar tegen de ongewenstverklaring is beslist;
- de verdachte in de veronderstelling was dat hij de beslissingen omtrent het bezwaar tegen zijn ongewenstverklaring en de voorlopige voorziening hangende het bezwaarschrift hier te lande mocht afwachten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het verzoek om voornoemde voorlopige voorziening ten tijde van het ten laste gelegde (periode van 7 tot en met 9 mei 2010) nog niet was toegewezen en de ongewenstverklaring derhalve nog niet was geschorst. De voorlopige voorziening werd pas drieënhalve maand later, op 26 augustus 2010, toegewezen.
Het hof overweegt voorts dat ook indien de voorlopige voorziening ten tijde van het ten laste gelegde wel al was toegewezen, dit op zichzelf niet afdoet aan de strafbaarheid van verdachtes verblijf in Nederland op dat moment. De uitspraak van de voorzieningenrechter dat hangende het bezwaar tegen de ongewenstverklaring de verdachte niet mag worden uitgezet laat onverlet de verplichting en verantwoordelijkheid van de verdachte om zich inspanning te getroosten aan zijn illegale verblijf Nederland een eind te maken, bijvoorbeeld door te vertrekken naar een derde land.
Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij de beslissingen op het bezwaarschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mocht afwachten, overweegt het hof als volgt.
In de beschikking tot ongewenstverklaring d.d. 9 november 2009 is onder meer het volgende opgenomen:
"Het intrekken van de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring hebben van rechtswege tot gevolg dat betrokkene na bekendmaking van de beschikking niet langer rechtmatig in Nederland verblijft . Betrokkene dient Nederland binnen 24 uur te verlaten en kan daartoe worden uitgezet. Indien betrokkene tijdig bezwaar maakt tegen dit besluit worden de hier genoemde rechtsgevolgen niet opgeschort. Verder verblijf van betrokkene is strafbaar. Daaraan doet niet af de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden".
Deze beschikking is op 16 november 2009 in persoon uitgereikt aan de verdachte, waarbij de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in een voor de verdachte begrijpelijke taal is meegedeeld. Bovendien kon de verdachte op dat moment, dan wel zeer kort daarna, beschikken over rechtsbijstand, aangezien hij blijkens de uitspraken van de bestuursrechter reeds op 17 december 2009 door tussenkomst van dezelfde raadsman als die verdachte thans bijstaat rechtsmiddelen tegen deze beschikking heeft aangewend.
De verdachte heeft voorts op 9 mei 2010 tegenover de politie verklaard dat hij de beschikking tot ongewenstverklaring herkent en dat hij weet dat het strafbaar is om in Nederland te blijven wanneer hij ongewenst vreemdeling is verklaard.
Op basis van het bovenstaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte op de hoogte was van de inhoud van de beschikking en dat hij wist dat hij onmiddellijk het land moest verlaten, ook indien een rechtsmiddel zou worden ingesteld.
Dat er later een voorlopige voorziening, strekkende tot een verbod op uitzetting tijdens de bezwaarprocedure, is afgegeven doet aan de ongewenstverklaring - en de strafbaarheid daarvan - op 7 mei 2010 niet af, te meer niet omdat deze voorlopige voorziening geen terugwerkende kracht had. Overigens heeft, nadat eerder (de sector bestuursrecht van) de Rechtbank Assen dat op 8 december 2011 had gedaan, de Afdeling bestuursrechtspraak bij beslissing van 23 mei 2012 de bezwaren van verdachte tegen zijn ongewenstverklaring integraal verworpen.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.
Subsidiair is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er sprake was van een overmachtsituatie (in de zin van een noodtoestand) en/of een situatie als bedoeld in artikel 42 Sr, zoals het hof het verweer van de raadsman begrijpt). Daartoe is aangevoerd dat:
- de verdachte op 7 mei 2010 door de parketpolitie als getuige is opgehaald en vervolgens in vreemdelingenbewaring is gesteld zodat het voor de verdachte derhalve feitelijk onmogelijk was om op 9 mei 2010 niet in Nederland te verblijven;
- de verdachte op 7 mei 2010 door een bevel van de rechter-commissaris werd verplicht te verschijnen om te getuigen in een strafzaak, waardoor de verdachte genoodzaakt was om op 7 mei 2010 in Nederland te zijn.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte is bij beschikking van 16 november 2009 ongewenst verklaard, in welke beschikking stond vermeld dat hij binnen 24 uur het land moest verlaten. De verdachte was hiervan op de hoogte.
Op 7 mei 2010 werd verdachte ingevolge het bevel van de rechter-commissaris tot medebrenging van verdachte om als getuige in een strafzaak te verschijnen, op 7 mei 2010 - thuis - aangetroffen. Op dat moment verbleef de verdachte derhalve in strijd met voormelde beschikking tot ongewenstverklaring in Nederland. De verdachte heeft voordat hij werd opgehaald op 7 mei 2010, ruim de tijd gehad om Nederland te verlaten.
Gesteld noch aannemelijk is geworden dat verdachte om reden van deze nog af te leggen getuigenverklaring nog in Nederland verbleef. Evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat verdachte voordat de politie op 7 mei 2010 bij hem aanbelde ervan op de hoogte was dat hij als getuige voor de rechter-commissaris moest verschijnen en/of dat daartoe - na zijn eerdere niet verschijnen - tegen hem een bevel medebrenging was verleend.
Gezien deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden ingezien dat en waarom het door de rechter-commissaris verleende bevel tot medebrenging van verdachte om als getuige te verschijnen in de weg zou staan aan de strafbaarheid van verdachtes verblijf in Nederland op 7 mei 2010.
Conclusie
[verdachte]
1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 30 oktober 2012 voor: Als een vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
2. Mr. M.K. Bhadal, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte het beroep op schorsing van de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring heeft verworpen. Het middel heeft betrekking op een uitspraak in kort geding, inhoudende een verbod tot uitzetting en op een bevel van de rechter-commissaris tot medebrenging van verdachte. De uitspraak in kort geding levert volgens de steller van het middel een algemene ongeschreven strafuitsluitingsgrond op, omdat het verblijf van verdachte daardoor als het ware wordt gedoogd en het bevel van de rechter-commissaris is te beschouwen als een ambtelijk bevel als bedoeld in artikel 43 Sr.
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte
"op 7 mei 2010 te Rotterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, te weten bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie (nummer 0010-20-2017) de dato 9 november 2009, tot ongewenst vreemdeling was verklaard."
3.3. Voorts heeft het hof in zijn arrest nog het volgende opgenomen:
"Verweren van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat een veroordeling van de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde achterwege dient te blijven.
Hiertoe heeft hij primair aangevoerd dat:
- de voorzieningenrechter te Haarlem bij uitspraak van 26 augustus 2010 een voorlopige voorziening heeft toegewezen ten aanzien van de verdachte, inhoudende dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring worden geschorst tot vier weken nadat op zijn bezwaar tegen de ongewenstverklaring is beslist;
- de verdachte in de veronderstelling was dat hij de beslissingen omtrent het bezwaar tegen zijn ongewenstverklaring en de voorlopige voorziening hangende het bezwaarschrift hier te lande mocht afwachten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het verzoek om voornoemde voorlopige voorziening ten tijde van het ten laste gelegde (periode van 7 tot en met 9 mei 2010) nog niet was toegewezen en de ongewenstverklaring derhalve nog niet was geschorst. De voorlopige voorziening werd pas drieënhalve maand later, op 26 augustus 2010, toegewezen.
Het hof overweegt voorts dat ook indien de voorlopige voorziening ten tijde van het ten laste gelegde wel al was toegewezen, dit op zichzelf niet afdoet aan de strafbaarheid van verdachtes verblijf in Nederland op dat moment. De uitspraak van de voorzieningenrechter dat hangende het bezwaar tegen de ongewenstverklaring de verdachte niet mag worden uitgezet laat onverlet de verplichting en verantwoordelijkheid van de verdachte om zich inspanning te getroosten aan zijn illegale verblijf Nederland een eind te maken, bijvoorbeeld door te vertrekken naar een derde land.
Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij de beslissingen op het bezwaarschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mocht afwachten, overweegt het hof als volgt.
In de beschikking tot ongewenstverklaring d.d. 9 november 2009 is onder meer het volgende opgenomen:
"Het intrekken van de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring hebben van rechtswege tot gevolg dat betrokkene na bekendmaking van de beschikking niet langer rechtmatig in Nederland verblijft . Betrokkene dient Nederland binnen 24 uur te verlaten en kan daartoe worden uitgezet. Indien betrokkene tijdig bezwaar maakt tegen dit besluit worden de hier genoemde rechtsgevolgen niet opgeschort. Verder verblijf van betrokkene is strafbaar. Daaraan doet niet af de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden".
Deze beschikking is op 16 november 2009 in persoon uitgereikt aan de verdachte, waarbij de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in een voor de verdachte begrijpelijke taal is meegedeeld. Bovendien kon de verdachte op dat moment, dan wel zeer kort daarna, beschikken over rechtsbijstand, aangezien hij blijkens de uitspraken van de bestuursrechter reeds op 17 december 2009 door tussenkomst van dezelfde raadsman als die verdachte thans bijstaat rechtsmiddelen tegen deze beschikking heeft aangewend.
De verdachte heeft voorts op 9 mei 2010 tegenover de politie verklaard dat hij de beschikking tot ongewenstverklaring herkent en dat hij weet dat het strafbaar is om in Nederland te blijven wanneer hij ongewenst vreemdeling is verklaard.
Op basis van het bovenstaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte op de hoogte was van de inhoud van de beschikking en dat hij wist dat hij onmiddellijk het land moest verlaten, ook indien een rechtsmiddel zou worden ingesteld.
Dat er later een voorlopige voorziening, strekkende tot een verbod op uitzetting tijdens de bezwaarprocedure, is afgegeven doet aan de ongewenstverklaring - en de strafbaarheid daarvan - op 7 mei 2010 niet af, te meer niet omdat deze voorlopige voorziening geen terugwerkende kracht had. Overigens heeft, nadat eerder (de sector bestuursrecht van) de Rechtbank Assen dat op 8 december 2011 had gedaan, de Afdeling bestuursrechtspraak bij beslissing van 23 mei 2012 de bezwaren van verdachte tegen zijn ongewenstverklaring integraal verworpen.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.
Subsidiair is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er sprake was van een overmachtsituatie (in de zin van een noodtoestand) en/of een situatie als bedoeld in artikel 42 Sr, zoals het hof het verweer van de raadsman begrijpt). Daartoe is aangevoerd dat:
- de verdachte op 7 mei 2010 door de parketpolitie als getuige is opgehaald en vervolgens in vreemdelingenbewaring is gesteld zodat het voor de verdachte derhalve feitelijk onmogelijk was om op 9 mei 2010 niet in Nederland te verblijven;
- de verdachte op 7 mei 2010 door een bevel van de rechter-commissaris werd verplicht te verschijnen om te getuigen in een strafzaak, waardoor de verdachte genoodzaakt was om op 7 mei 2010 in Nederland te zijn.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte is bij beschikking van 16 november 2009 ongewenst verklaard, in welke beschikking stond vermeld dat hij binnen 24 uur het land moest verlaten. De verdachte was hiervan op de hoogte.
Op 7 mei 2010 werd verdachte ingevolge het bevel van de rechter-commissaris tot medebrenging van verdachte om als getuige in een strafzaak te verschijnen, op 7 mei 2010 - thuis - aangetroffen. Op dat moment verbleef de verdachte derhalve in strijd met voormelde beschikking tot ongewenstverklaring in Nederland. De verdachte heeft voordat hij werd opgehaald op 7 mei 2010, ruim de tijd gehad om Nederland te verlaten.
Gesteld noch aannemelijk is geworden dat verdachte om reden van deze nog af te leggen getuigenverklaring nog in Nederland verbleef. Evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat verdachte voordat de politie op 7 mei 2010 bij hem aanbelde ervan op de hoogte was dat hij als getuige voor de rechter-commissaris moest verschijnen en/of dat daartoe - na zijn eerdere niet verschijnen - tegen hem een bevel medebrenging was verleend.
Gezien deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden ingezien dat en waarom het door de rechter-commissaris verleende bevel tot medebrenging van verdachte om als getuige te verschijnen in de weg zou staan aan de strafbaarheid van verdachtes verblijf in Nederland op 7 mei 2010.
Conclusie
[verdachte]
1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 30 oktober 2012 voor: Als een vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
2. Mr. M.K. Bhadal, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte het beroep op schorsing van de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring heeft verworpen. Het middel heeft betrekking op een uitspraak in kort geding, inhoudende een verbod tot uitzetting en op een bevel van de rechter-commissaris tot medebrenging van verdachte. De uitspraak in kort geding levert volgens de steller van het middel een algemene ongeschreven strafuitsluitingsgrond op, omdat het verblijf van verdachte daardoor als het ware wordt gedoogd en het bevel van de rechter-commissaris is te beschouwen als een ambtelijk bevel als bedoeld in artikel 43 Sr.
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte
"op 7 mei 2010 te Rotterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, te weten bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie (nummer 0010-20-2017) de dato 9 november 2009, tot ongewenst vreemdeling was verklaard."
3.3. Voorts heeft het hof in zijn arrest nog het volgende opgenomen:
"Verweren van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat een veroordeling van de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde achterwege dient te blijven.
Hiertoe heeft hij primair aangevoerd dat:
- de voorzieningenrechter te Haarlem bij uitspraak van 26 augustus 2010 een voorlopige voorziening heeft toegewezen ten aanzien van de verdachte, inhoudende dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring worden geschorst tot vier weken nadat op zijn bezwaar tegen de ongewenstverklaring is beslist;
- de verdachte in de veronderstelling was dat hij de beslissingen omtrent het bezwaar tegen zijn ongewenstverklaring en de voorlopige voorziening hangende het bezwaarschrift hier te lande mocht afwachten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het verzoek om voornoemde voorlopige voorziening ten tijde van het ten laste gelegde (periode van 7 tot en met 9 mei 2010) nog niet was toegewezen en de ongewenstverklaring derhalve nog niet was geschorst. De voorlopige voorziening werd pas drieënhalve maand later, op 26 augustus 2010, toegewezen.
Het hof overweegt voorts dat ook indien de voorlopige voorziening ten tijde van het ten laste gelegde wel al was toegewezen, dit op zichzelf niet afdoet aan de strafbaarheid van verdachtes verblijf in Nederland op dat moment. De uitspraak van de voorzieningenrechter dat hangende het bezwaar tegen de ongewenstverklaring de verdachte niet mag worden uitgezet laat onverlet de verplichting en verantwoordelijkheid van de verdachte om zich inspanning te getroosten aan zijn illegale verblijf Nederland een eind te maken, bijvoorbeeld door te vertrekken naar een derde land.
Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij de beslissingen op het bezwaarschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mocht afwachten, overweegt het hof als volgt.
In de beschikking tot ongewenstverklaring d.d. 9 november 2009 is onder meer het volgende opgenomen:
"Het intrekken van de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring hebben van rechtswege tot gevolg dat betrokkene na bekendmaking van de beschikking niet langer rechtmatig in Nederland verblijft . Betrokkene dient Nederland binnen 24 uur te verlaten en kan daartoe worden uitgezet. Indien betrokkene tijdig bezwaar maakt tegen dit besluit worden de hier genoemde rechtsgevolgen niet opgeschort. Verder verblijf van betrokkene is strafbaar. Daaraan doet niet af de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden".
Deze beschikking is op 16 november 2009 in persoon uitgereikt aan de verdachte, waarbij de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in een voor de verdachte begrijpelijke taal is meegedeeld. Bovendien kon de verdachte op dat moment, dan wel zeer kort daarna, beschikken over rechtsbijstand, aangezien hij blijkens de uitspraken van de bestuursrechter reeds op 17 december 2009 door tussenkomst van dezelfde raadsman als die verdachte thans bijstaat rechtsmiddelen tegen deze beschikking heeft aangewend.
De verdachte heeft voorts op 9 mei 2010 tegenover de politie verklaard dat hij de beschikking tot ongewenstverklaring herkent en dat hij weet dat het strafbaar is om in Nederland te blijven wanneer hij ongewenst vreemdeling is verklaard.
Op basis van het bovenstaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte op de hoogte was van de inhoud van de beschikking en dat hij wist dat hij onmiddellijk het land moest verlaten, ook indien een rechtsmiddel zou worden ingesteld.
Dat er later een voorlopige voorziening, strekkende tot een verbod op uitzetting tijdens de bezwaarprocedure, is afgegeven doet aan de ongewenstverklaring - en de strafbaarheid daarvan - op 7 mei 2010 niet af, te meer niet omdat deze voorlopige voorziening geen terugwerkende kracht had. Overigens heeft, nadat eerder (de sector bestuursrecht van) de Rechtbank Assen dat op 8 december 2011 had gedaan, de Afdeling bestuursrechtspraak bij beslissing van 23 mei 2012 de bezwaren van verdachte tegen zijn ongewenstverklaring integraal verworpen.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.
Subsidiair is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er sprake was van een overmachtsituatie (in de zin van een noodtoestand) en/of een situatie als bedoeld in artikel 42 Sr, zoals het hof het verweer van de raadsman begrijpt). Daartoe is aangevoerd dat:
- de verdachte op 7 mei 2010 door de parketpolitie als getuige is opgehaald en vervolgens in vreemdelingenbewaring is gesteld zodat het voor de verdachte derhalve feitelijk onmogelijk was om op 9 mei 2010 niet in Nederland te verblijven;
- de verdachte op 7 mei 2010 door een bevel van de rechter-commissaris werd verplicht te verschijnen om te getuigen in een strafzaak, waardoor de verdachte genoodzaakt was om op 7 mei 2010 in Nederland te zijn.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte is bij beschikking van 16 november 2009 ongewenst verklaard, in welke beschikking stond vermeld dat hij binnen 24 uur het land moest verlaten. De verdachte was hiervan op de hoogte.
Op 7 mei 2010 werd verdachte ingevolge het bevel van de rechter-commissaris tot medebrenging van verdachte om als getuige in een strafzaak te verschijnen, op 7 mei 2010 - thuis - aangetroffen. Op dat moment verbleef de verdachte derhalve in strijd met voormelde beschikking tot ongewenstverklaring in Nederland. De verdachte heeft voordat hij werd opgehaald op 7 mei 2010, ruim de tijd gehad om Nederland te verlaten.
Gesteld noch aannemelijk is geworden dat verdachte om reden van deze nog af te leggen getuigenverklaring nog in Nederland verbleef. Evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat verdachte voordat de politie op 7 mei 2010 bij hem aanbelde ervan op de hoogte was dat hij als getuige voor de rechter-commissaris moest verschijnen en/of dat daartoe - na zijn eerdere niet verschijnen - tegen hem een bevel medebrenging was verleend.
Gezien deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden ingezien dat en waarom het door de rechter-commissaris verleende bevel tot medebrenging van verdachte om als getuige te verschijnen in de weg zou staan aan de strafbaarheid van verdachtes verblijf in Nederland op 7 mei 2010.