Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-03-21
ECLI:NL:PHR:2014:420
Civiel recht; Insolventierecht
6,308 tokens
Conclusie
ABN AMRO Bank N.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen,
tegen
UBO 35 B.V.,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Feiten
1.1 Tussen de besloten vennootschap IHDA All Ships B.V. (hierna: IHDA) en de vennootschap onder firma Amulet (hierna: Amulet) is op 18 december 2007 een contract, getiteld “Bouwcontract No. 601”(), gesloten, waarin IHDA de opdracht op zich neemt om een tanker voor de binnenvaart te laten bouwen voor een contractprijs van € 8.650.000,-, die in termijnen zal worden voldaan. Het casco, zo vermeldt het contract, zal in China worden gebouwd, terwijl de afbouw in Nederland onder verantwoordelijkheid van IHDA zal plaatsvinden.
1.2 In juni 2008 heeft verweerster in cassatie (hierna: UBO) van IHDA een door IHDA te bouwen en te leveren casco van een binnenvaartschip gekocht. Op 9 oktober 2008 en op 3 november 2008 heeft UBO in verband daarmee telkens aanbetalingen aan IHDA gedaan, in totaal voor een bedrag van € 357.000,-.
1.3 Eiseres tot cassatie (hierna: de Bank) heeft aan IHDA kredieten verstrekt. In verband daarmee hebben IHDA en de Bank op 16 september 2009 een akte, getiteld “Verpanding bepaalde vordering(en)”, getekend.() De akte is op 19 september 2009 geregistreerd. Tot de door IHDA aan de Bank in stil pand gegeven vorderingen horen “de vordering(en) en rechten welke de Pandgever nu of te eniger tijd heeft of zal verkrijgen uit hoofde van het bouwcontract voor de bouw van een Eco-binnenvaarttanker van 135 x 14.15 x 6.17, d. d. 18-12-2007, zoals aangevuld of gewijzigd van tijd tot tijd, gesloten met V.O.F. Amulet ten bedrage van EUR 8.650.000,“.
1.4 Op 20 november 2009 hebben Amulet en IHDA een akte ondertekend, genaamd Addendum 2 aan het Contract 601 getekend op 17 december 2007.() Op blz. 1 van de akte staat onder meer opgetekend:
De reden waarom dit Addendum no. 2 is opgesteld, is gelegen in het feit dat IHDA niet in staat/van zins is het contract 601 d.d. 18 december 2007 onverkort na te komen.
Feitelijk komt het erop neer dat de levering van een afgebouwde ecotanker wordt omgezet in de levering van een casco.
Hierdoor is V.o.F. Amulet genoodzaakt de afbouw zelf in regie te nemen. Partijen komen in het addendum over de afbouw het nodige overeen ten aanzien van “gereserveerde equipment” en overname van rechten en verplichtingen door IHDA All Ships B.V./IHDA Marine Service B.V. aangegaan ten aanzien van leveranciers. (...)
Indien en voor zover middels Addendum no. 2 artikelen in Overeenkomst 601 d.d. 18 december 2007 niet zijn aangepast of gewijzigd, dan houdt dit niet in dat deze artikelen onverkort van kracht zijn. Partijen hebben met dit addendum de uitdrukkelijke bedoeling om contractuele bepalingen uit contractnummer 601 buiten werking te stellen indien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een “eenvoudig” casco niet van dien hebben.”
terwijl op blz. 2 wordt vermeld dat Verkoper (IHDA) en koper (Amulet) overeenkomen:
- De ECO-Tanker zal door de Verkoper niet worden afgebouwd. Verkoper zal alleen het casco van de ECO-Tanker (…) leveren aan de Koper
- Overdracht van levering van de door de Verkoper reeds ingekochte en gereserveerde Equipment.
waarna aanpassingen van artikelen uit het Bouwcontract 601 volgen, waaronder:
Aanpassing artikel 1.1:
Het CASCO wordt door de Verkoper geleverd aan de Koper inclusief koppelen, restpunten vlg. Annex 4 en restschilderwerk, koproerkleppen, leidingwerk laad-lossysteem excl. Afsluiters, zoals tijdens de afname in China gepresenteerd, voor Euro 3.266.000,-.
(...)
en omtrent hetgeen Amulet nog aan IHDA verschuldigd zal zijn wordt bepaald:
Aanschaf casco € 3.236.000,-
Overdracht equipment € 1.041.500,-
Eenmalige korting casco -/- € 500.000,-
Eenmalige korting equipment -/- € 291.500,-
Eerste termijn -/- € 500.000,-
-------------------
Slottermijn € 2.986.000,-
De slottermijn groot Euro 2.986.000,- wordt betaald bij juridische levering en aanvaarding van het CASCO in de haven van Rotterdam. De overige termijnen genoemd in Artikel 7.02 vervallen.
1.5 Amulet en IHDA hebben verder een akte ondertekend, gedateerd op 2 november 2009 en genaamd Annex 7 behorende bij het Contract No. 601, waarin de inkoopverplichtingen worden opgesomd die Amulet van IHDA overneemt voor een totaalbedrag van € 75.000,-. In mei en juni 2010 zijn Amulet en IHDA drie partijenovereenkomsten aangegaan met diverse leveranciers met wie IHDA reeds overeenkomsten in verband met de afbouw van de tanker had gesloten.
1.6 Bij brief van 4 mei 2010 heeft UBO de hiervoor onder 1.2 genoemde met IHDA gesloten overeenkomst ontbonden en IHDA verzocht om de aanbetaalde bedragen, vermeerderd met rente en kosten, aan haar terug te betalen. Hieraan heeft IHDA geen gevolg gegeven.
1.7 UBO heeft op 11 juni 2010 voor haar vordering op IHDA conservatoir derdenbeslag onder Amulet doen leggen op de door Amulet aan IHDA te betalen koopsom. Op die dag heeft zij aan de rechtbank Den Haag, waar zij op 14 mei 2010 het faillissement van IHDA had aangevraagd, bericht dat zij het verzoek tot faillietverklaring van IHDA introk. Op 14 juni 2010 herroept zij de intrekking en vraagt om aanhouding van het verzoek tot faillietverklaring van IHDA.
1.8 UBO geraakt in een discussie met de Bank over het onder IDHA gelegde derdenbeslag. Stellende dat zij een pandrecht heeft op de vordering van IHDA op Amulet, sommeert de Bank UBO om het beslag op te heffen. UBO laat weten aan deze sommatie geen gehoor te zullen geven. De (advocaat van de) Bank stuurt op 14 juni 2010 aan (de advocaat van) UBO een conceptbankgarantie, waarin de Bank zich onherroepelijk garant stelt jegens UBO voor hetgeen deze van IHDA heeft te vorderen. Er wordt nader overleg over deze bankgarantie gevoerd. Na ontvangst van een gewijzigd concept van de bankgarantie, heeft UBO aan de advocaat van de Bank doen berichten dat het derdenbeslag is opgeheven. Vervolgens is er een geschil ontstaan over de vraag of de bankgarantie inhoudt dat de Bank jegens UBO tot betaling onder de garantie slechts is gehouden, indien komt vast te staan dat het pandrecht niet rustte op de vordering waarop door UBO het derdenbeslag had gelegd. In na te noemen procedure wordt onherroepelijk beslist dat de bankgarantie die voorwaarde inhoudt.
1.9 Op 27 juli 2010 heeft de rechtbank Den Haag op verzoek van UBO IHDA in staat van faillissement verklaard.
1.10 Bij inleidende dagvaarding van 12 augustus 2010 heeft de Bank UBO gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Eén van de vorderingen houdt in om voor recht te verklaren dat UBO niet rechtsgeldig althans niet doeltreffend conservatoir derdenbeslag kon leggen onder Amulet voor verhaal van de vordering van UBO op IDHA omdat UBO het pandrecht tegen zich moet laten gelden. Deze vordering is door UBO bestreden.
1.11 Ter zake van de zojuist genoemde vordering overweegt de rechtbank in de rov. 4.8 en 4.9 van haar vonnis van 2 maart 2011 :
“4.8 Naar het oordeel van de rechtbank valt de door Amulet aan IDHA te betalen koopprijs onder het pandrecht van ABN AMRO. Daarbij is het volgend van belang. Partijen zijn het erover eens dat IHDA haar vordering(en) op Amulet uit hoofde van het bouwcontract 601 (…) bij akte van 16 september 2009 (…) aan ABN AMRO heeft verpand. Gebleken is dat IHDA en Amulet de op grond van voornoemd bouwcontract bestaande verplichting tot het leveren van en afgebouwde eco-binnenvaarttanker bij Addendum 2 van 20 november 2009 hebben omgezet in een verplichting tot het leveren van en casco eco-binnenvaarttanker. De rechtsverhouding tussen IHDA en Amulet wordt hierdoor niet zo ingrijpend gewijzigd dat sprake is van een nieuwe verbintenis. IHDA en Amulet hebben er ook voor gekozen om bouwcontract 601 niet te ontbinden, maar daar een addendum bij (te) voegen. Dat Amulet als gevolg van voornoemde omzetting een veel lager bedrag aan IHDA aan IHDA behoefde te voldoen, leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)
. De feiten, die goeddeels zijn ontleend aan het arrest van het Hof Amsterdam van 19 februari 2013 onder 2.2, worden slechts vermeld, voor zover zij in verband met de in cassatie aan de orde gestelde vragen nog van belang zijn.
. In het geding gebracht als productie 7 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg.
. In het geding gebracht als productie 1 bij de Akte houdende producties d.d. 1 september 2010.
. In het geding gebracht als productie 8 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg.
. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1337 jo. blz. 1197.
. Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 157.
. Zie voor recente meer algemene beschouwingen over het thema van bestaande/toekomstige vorderingen mede in het verband van verpanding van dergelijke vorderingen: Asser/Bartels-Van Mierlo-Ploeger, IV* Algemeen Goederenrecht, 2013, nr. 267; Asser/Van Mierlo-Van Velten, Deel 3-VI, 2010, nr. 81; M.E.H. Rongen, Cessie, diss. Radboud Universiteit, 2012, Hfdst. IX.3: Het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen, blz. 1108 e.v; A.J. Verdaas, Stil pandrecht op vordering op naam, diss. Radboud Universiteit, 2008, blz. 156 e.v. Zie verder nog conclusie voor HR. 3 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN9463.
. Zie HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4349, NJ 1982, 615, m.nt. WMK. In rov. 1 merkt de Hoge Raad op dat een toekomstige vordering moet worden onderscheiden van een terstond krachtens overeenkomst ontstane vordering onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde of tot periodieke betalingen.
. Zie HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0247, NJ 1989, 200 m.nt. WMK. De Hoge Raad oordeelt in rov. 3.2 onder meer: “Een vordering als de onderhavige, die afhankelijk is van de wilsverklaringen van de debiteur, ontstaat eerst door aflegging van deze wilsverklaringen. Van een voorwaardelijke vordering is dan geen sprake.”
. Zie HR 30 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5528, NJ 1897, 530, m.nt. W.C.L. van der Grinten. In rov. 3.2 overweegt de Hoge Raad onder meer: “Ook in het geval het gaat om een huurovereenkomst voor bepaalde tijd (…) kunnen de vorderingen ter zake van de huurtermijnen niet gelijk worden gesteld met terstond bij het sluiten van een overeenkomst reeds hun bestaan aanvangende vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling of tot terstond vaststaande periodieke betalingen. Een en ander vloeit uit de aard van de huurovereenkomst (…). Zie de beschouwingen van Rongen naar aanleiding van dit arrest in zijn dissertatie, blz. 1118 e.v. en blz. 1156 e.v. Hij deelt de opvatting van de Hoge Raad inzake toekomstige huurtermijnen niet, althans zet daarbij vraagtekens, en is verder van mening dat uit die opvatting niet dient te worden afgeleid dat in het algemeen geldt dat het recht op een prestatie, die dient te worden verricht als tegenprestatie voor een voorafgaande prestatie – bijvoorbeeld recht op koopprijs na levering van het gekochte –, een toekomstig recht vormt. Dat conclusie wordt, zo schijnt het toe, ook niet algemeen getrokken.
. Zie over het vereiste van rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding meer M.H.E. Rongen, diss., blz. 1209 e.v. en A.J Verdaas, diss., blz. 156 e.v. Laatstgenoemde is van mening dat het vereiste bij verpanding minder strikt is toe te passen dan bij derdenbeslag; zie diss., blz. 160–162.
Feiten
De vordering van IHDA op Amulet ter zake van de te betalen koopprijs vloeit derhalve nog altijd voort uit bouwcontract 601, met als gevolg dat het pandrecht van ABN Amro daarop rust. Het andersluidende standpunt van Ubo 35 wordt daarbij verworpen.”
4.9 Gelet op het vorenstaande, kan ABN Amro haar pandrecht tegen Ubo 35 inroepen, terwijl Ubo het door haar gelegde conservatoir beslag niet aan ABN Amro kan tegenwerpen. (…).”
1.12 In het door haar bij het hof te Amsterdam ingestelde (principaal) appel bestrijdt UBO de hiervoor geciteerde rov. 4.8 en 4.9 met de door haar aangevoerde grieven II t/m VI. In zijn arrest d.d. 19 februari 2013 oordeelt het hof dat deze grieven doel treffen (rov. 2.4 t/m 2.8). Anders dan de rechtbank, komt het hof tot het oordeel, “dat hetgeen in november 2009 nader is overeengekomen een zodanige wijziging heeft teweeggebracht in het karakter van de rechtsverhouding tussen Amulet en IHDA, dat vanaf november 2009 sprake is van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW dan voordien.” In het dictum vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en geeft een verklaring voor recht die erop neerkomt dat het pandrecht van ABN Amro niet rust op de vordering van IDHA op Amulet, waarop UBO rechtsgeldig en doeltreffend conservatoir derdenbeslag heeft gelegd.
1.13 De Bank is van dit arrest van het hof tijdig in cassatie gekomen. Tegen de niet verschenen UBO is verstek verleend. De Bank heeft haar standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het in cassatie voorgedragen cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. De klachten in deze onderdelen raken alle artikel 3:239 lid 1 BW waarin, voor zover hier van belang, is bepaald: “Een pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat niet aan toonder of order luidt, (…) kan ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.” Hierna volgen eerst enige opmerkingen van meer algemene aard in verband met deze bepaling.
2.1.1
De slotpassage (“mits dit recht op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan bestaande rechtsverhouding”) is in artikel 3:239 lid 1 BW alsnog opgenomen om het stelsel dat onder het ‘oude BW’ voor de cessie tot zekerheid gold in ere te herstellen ter tegemoetkoming aan de door het Genootschap van Bedrijfsjuristen geuite wens om geen verschuivingen in het bestaande financieringspatroon in de hand te werken.() Elders wordt als ratio achter de passage ook nog vermeld “de behoefte om tegen zekerheid van toekomstige goederen over een langere periode krediet te kunnen verkrijgen zonder dat dit de bedrijfsvoering van de schuldenaar te veel aan banden legt. De bedoeling is de kredietgever een verhaalsmogelijkheid te geven op wat te zijner tijd – op het moment dat verhaal nodig blijkt – aan goederen voorhanden is. (…) Het verhaal kan immers plaatsvinden op de inmiddels gevormde nieuwe voorraad, de nieuwe machines, de nieuwe vorderingen.”()
Een met genoemde slotpassage overeenkomende formulering komt men ook tegen in artikel 475 lid 1 Rv (beslag onder derde op vorderingen die de geëxecuteerde op derde heeft) en in lid 3 van artikel 94 BW (‘stille’ cessie van rechten op naam).
2.1.2
De slotpassage in lid 1 van artikel 3:239 BW impliceert dat aan de vraag of een (vorderings)recht op naam rechtstreeks uit een ten tijde van het vestigen van het pandrecht bestaande rechtsverhouding wordt verkregen pas relevant is, wanneer het betrokken (vorderings)recht nog niet op genoemd tijdstip bestaat, dus als toekomstig in de zin van nog te ontstaan is te beschouwen.() Of het betrokken (vorderings)recht op naam al bestaat of nog moet ontstaan zal in belangrijke mate hiervan afhangen of er tussen de betrokken partijen al een verbintenis bestaat waaraan de ene partij jegens de andere partij aanstonds een recht op een presteren (geven, doen of laten) van die andere partij ontleend. Aan het aannemen van een dergelijke verbintenis staat niet reeds in de weg dat aan de verbintenis een opschortende voorwaarde of termijn is verbonden. Er is ook dan al sprake van een verbintenis waaruit een (vorderings)recht tegenover een ander voortvloeit, maar de werking van de verbintenis is in die zin opgeschort dat het recht nog niet is uit te oefenen (artikelen 6:21 en 22 BW). Het (vorderings)recht bestaat wel maar is dan nog niet opeisbaar.() Het kan echter ook zo zijn dat tussen partijen wel al een rechtsverhouding bestaat maar dat toch nog meer gebeurtenissen dienen plaats te vinden, voordat een gebondenheid jegens elkaar kan worden aangenomen in een mate dat gezegd kan worden dat de ene partij tegenover de ander een (al dan niet aanstonds uit te oefenen) (vorderings)recht heeft. Voordat die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, is er nog slechts sprake van een toekomstig (vorderings)recht. Hier valt onder meer te denken aan de gevallen waarin een partij nog nader blijk dient te geven van zijn wil om tot iets gerechtigd te geraken of om zich jegens de ander te binden.() Als toekomstig (vorderings)recht is ook aangemerkt het recht op huurtermijnen met betrekking tot in het kader van en bestaande huur/verhuurrelatie nog te verschaffen huurgenot.()
2.1.3
Is een (vorderings)recht op naam als toekomstig aan te merken dan hangt de mogelijkheid van het vestigen van een stil pandrecht op dat (vorderings)recht hiervan af of dat recht ten tijde van het vestigen van het pandrecht rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding. De wetgever heeft niet echt duidelijk aangegeven wat onder een rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding is te verstaan. Gewezen wordt in dat verband op de huurovereenkomst: het recht op huurtermijnen voor nog te ontvangen huurgenot en te voldoen nadat de huur daadwerkelijk is genoten vormt een toekomstig recht. In het licht van dit voorbeeld zal ‘onder rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding’ zijn te verstaan dat de factoren, die het toekomstige recht alsnog doen ontstaan, een grondslag of verankering hebben in een rechtsverhouding die al ten tijde van de verpanding bestaat. Een toekomstige huurtermijn is stil te verpanden omdat het verschaffen van het aan die termijn gerelateerde huurgenot resulteert uit het naleven van een verplichting daartoe, die zijn grond vindt in een ten tijde van het vestigen van het pandrecht al bestaande contractuele rechtsverhouding van huur en verhuur.()
Onderdelen 1 t/m 4
2.2
De aangevoerde klachten laten zich herleiden tot deze kernklacht dat het hof met zijn oordeel, dat – gelet op wat in november 2009 tussen IHDA en Amulet nader is overeengekomen – de vordering, waarop UBO beslag heeft gelegd, op het tijdstip van de vestiging ten behoeve van de Bank van het pandrecht nog niet bestond en evenmin rechtstreeks is verkregen uit een op dat tijdstip bestaande rechtsverhouding, een oordeel geeft dat stoelt op een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende gemotiveerd is.
2.3
Gesteld is en uit met name het Addendum 2 van 20 november 2009 blijkt ook, dat IHDA en Amulet met hun in november 2009 gemaakte afspraken niet beoogd hebben het Bouwcontract 601 uit 2007 geheel te doen vervallen en daarvoor een nieuw bouwcontract in de plaats te stellen. De in november 2009 gemaakte afspraken strekten ertoe, kort weergegeven, om de in het Bouwcontract 601 opgenomen opdracht af te slanken. Gehandhaafd bleef het laten bouwen te China en overbrengen naar Nederland van het casco van de ECO-tanker; de afbouw van de ECO-tanker in Nederland verviel daarentegen.
Feiten
De oorspronkelijke opdracht/koopsom, waarin reeds een vergoeding zat voor het bouwen van het casco in China en het daarna afleveren van het casco in Nederland, diende vanwege de onmiskenbaar aanmerkelijke vermindering van de aanvankelijke omvang van de opdracht/koop te worden aangepast. Die aanpassing werd in het Addendum 2 doorgevoerd door de vergoeding voor het in China laten bouwen en vervolgens het afleveren van het casco in Nederland nu apart te bepalen. Die prijsaanpassing taste evenwel niet aan de verplichting van IDHA uit het Bouwcontract 601 om een casco in China te laten bouwen en dat casco naar Nederland over te brengen en ook niet de verplichting van Amulet uit het Bouwcontract 601 om een vergoeding daarvoor aan IHDA te betalen. Dit vindt bevestiging in de passage op blz. 1 van het Addendum 2: “Partijen hebben met dit addendum de uitdrukkelijke bedoeling om contractuele bepalingen uit contractnummer 601 buiten werking te stellen indien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een “eenvoudig” casco niet van doen hebben” (onderstreping toegevoegd – AG). In hetgeen het hof op blz. 5 onderaan en blz. 6 bovenaan van zijn arrest overweegt, is een bevestiging en zeker niet een verwerping van het vorenstaande te vinden.
2.4
Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat en waarom er, voor wat betreft de bouw te China van een casco en het overbrengen van dat casco naar Nederland, vanaf november 2009 een andere rechtsverhouding tussen IDHA en Amulet is ontstaan. Mede hierdoor valt evenmin in te zien dat en waarom de vordering, die IDHA op 11 juni 2010 – de dag waarop UBO onder Amulet derdenbeslag legde – op Amulet had ter zake van de vergoeding voor de bouw en levering van het casco, rechtens niet kan worden beschouwd als de vordering, die IHDA op Amulet ter zake van de vergoeding voor de bouw en levering van het casco had op 19 september 2009 – de dag waarop de door de Bank en IHDA op 16 september 2009 ondertekende akte “Verpanding bepaalde vorderingen’’ werd geregistreerd. Het feit dat de vergoeding voor het casco na 16 september 2009 in verband met gewijzigde omstandigheden nader is bepaald – gelet op de overeengekomen kortingen zelfs neerkomend op, zo lijkt het, een lagere vergoeding –, levert geen voldoende grond op om uit te gaan van een geheel nieuwe, te weten uit een andere rechtsverhouding voortvloeiende, vordering van IHDA op Amulet op 11 juni 2010. Afgezien van de hoogte van de vergoeding, hield die de vordering immers op 11 juni 2010 nog steeds direct verband met dezelfde verplichting van IDHA (het bouwen van een casco te China en het afleveren van dat casco in Nederland) uit hetzelfde contract (Bouwcontract 601).
2.5
Het voorgaande komt hierop neer dat het niet kunnen tegenwerpen door de Bank aan UBO van het pandrecht niet, zoals het hof oordeelt, hierop kan worden gebaseerd dat de vordering, waarop UBO op 11 juni 2010 derdenbeslag heeft gelegd, een vordering is uit een rechtsverhouding tussen IDHA en Amulet, die een andere rechtsverhouding in de zin van artikel 3:239 lid 1 BW is dan de rechtsverhouding tussen deze partijen, waaruit de vordering voortsproot waarop op 19 september 2009 ten behoeve van de Bank een pandrecht is gevestigd. De vordering, waarop UBO derdenbeslag heeft gelegd, is in een direct verband blijven staan met dat gedeelte van het Bouwcontract 601, dat betrekking heeft op het laten bouwen van het casco voor een ECO-tanker te China en het overbrengen van het casco naar Nederland. Voor wat die prestaties betreft, hebben IHDA en Amulet immers het Bouwcontract in november 2009 niet willen doen vervallen. Het uit dat contract voor IDHA voortvloeiende recht op een vergoeding voor die door haar te verrichten prestaties bleef als zodanig ook bestaan; alleen de hoogte van de vergoeding diende nader te worden vastgesteld. Binnen het verband van artikel 3:239 lid 1 BW noopt het feit dat een ander, in werkomvang en in financieel opzicht groter gedeelte van het Bouwcontract 601 in november 2009 verviel, niet tot een andere conclusie. Hierbij is nog het volgende in aanmerking te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de Bank uit hoofde van de in september 2009 tot stand gebrachte stille verpanding een pandrecht had verkregen op het vorderingsrecht van IHDA ter zake van de vergoeding voor de werkzaamheden, die zij onder het toen nog niet aangepaste Bouwcontract 601 zou verrichten. Niet valt in te zien waarom het pandrecht in november 2009 in zijn geheel zou zijn komen te vervallen, terwijl het recht op een vergoeding uit hoofde van het Bouwcontract 601 niet verviel voor zover IHDA onder dat contract gehouden bleef de niet vervallen verklaarde prestaties uit te voeren. Voor dat gedeelte van de vergoeding bleef het pandrecht onverminderd zijn betekenis als zekerheid voor al eerder verstrekt krediet behouden.
2.5
Gelet op het bovenstaande, vormt het bestreden oordeel van het hof ofwel een oordeel waaruit van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 3:239 lid 1 BW blijkt ofwel een oordeel dat niet met voldoende redenen omkleed is.