Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-09-23
ECLI:NL:PHR:2014:2459
Strafrecht
8,928 tokens
Conclusie
[klager 1],
[klaagster 2] en [klaagster 3]
1. De Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 25 maart 2014 het namens de klagers ingediende klaagschrift deels gegrond verklaard en de opheffing gelast van de ten laste van de klagers gelegde conservatoire beslagen op voorwerpen voor zover deze tezamen het bedrag van €829.115,27 te boven gaan en een vergoeding toegekend voor de bijstand van een raadsman bij de indiening en behandeling van het klaagschrift ten laste van de Staat van €540,-.
2. Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. M. Kattouw, cassatieberoep ingesteld.
3. De plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, mr. H.H.J. Knol, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de klagers heeft mr. I. Jadib, advocaat te ‘s-Gravenhage, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.
4.1. Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank de toepasselijke maatstaf van artikel 94a Sv bij haar beslissing tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag heeft miskend.
4.2. Uit de in de bestreden beschikking onder de kop ‘Inhoudelijke beoordeling’ vervatte standpunten van de klagers en van de Officier van Justitie kan een goede weergave van de gang van zaken worden afgeleid:
“Standpunt klagers
Namens klagers is aangevoerd dat ten laste van klagers verschillende beslagen zijn gelegd ten behoeve van verhaal van een ontnemingsvordering tegen klager sub 1 ([klager 1]). Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [klager 1] wordt blijkens de ontnemingsrapportage geschat op een bedrag van € 2.202.225,27 dat is samengesteld uit een bedrag van € 1.600.000 en een bedrag van € 602.225,27. In het in de onderliggende strafzaak door de rechtbank Haarlem gewezen vonnis van 27 januari 2012 is [klager 1] vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het thans in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000. Uit het arrest van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland en het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2009 (LJN BG4270) volgt dat de onschuldpresumptie aan ontneming van voornoemd bedrag in de weg staat. Dit leidt er in de visie van klagers toe dat zich met betrekking tot het in de ontnemingsprocedure tegen klager sub 1 ([klager 1]) gevorderde bedrag van € 1.600.000 het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager sub 1 een verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De ten laste van klagers gelegde beslagen dienen dan ook beperkt te worden tot een bedrag van € 602.225,27. De in een kwestie als deze toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat mede in aanmerking nemend het summiere karakter van de beklagprocedure, de beklagrechter niet vooruit dient te lopen op de uitkomst van het in de hoofdzaak te geven oordeel nu het op dit moment absoluut niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan [klager 1] een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.
Klager sub 1 is immers bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 veroordeeld voor meerdere feiten waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld en vrijgesproken ter zake van de hem ten laste gelegde criminele organisatie [A], waarbij geldt dat het openbaar ministerie van deze uitspraak in hoger beroep is gegaan. Het beperkte toetsingskader van de onderhavige beklagprocedure staat volgens de officier van justitie niet toe dat een oordeel wordt gegeven over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In het geval ervan moet worden uitgegaan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel "slechts" het bedrag betreft dat binnen [B] BV is verkregen, wijst de officier van justitie op het feit dat zij de raadsman van klager sub 1 bij email van 9 december 2013 heeft laten weten dat het voordeel binnen [B] BV in de ontnemingsrapportage te laag is berekend en dat de vordering - naar de rechtbank aanneemt bij gelegenheid van een volgende terechtzitting in de ontnemingsprocedure - zal worden verhoogd met een bedrag van € 226.890.
Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 januari 2006, LJN AU4691 (het zogeheten Cumberbatch-arrest) stelt de officier van justitie zich voorts op het standpunt dat ook indien ervan uitgegaan zou moeten worden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de vrijspraak van de ten laste gelegde deelneming aan de criminele organisatie (voorlopig) geschat zou moeten worden op een bedrag van € 829.115,27, niet van belang is dat de totale waarde van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen op een hoger bedrag wordt geschat. Het beslag dient immers tot het veiligstellen van het verhaal van een vordering.
De omstandigheid dat ook door andere schuldeisers, onder wie bijvoorbeeld de fiscus, beslag kan worden gelegd op het desbetreffende in beslag genomen voorwerp en dat de verkoopopbrengst van het voorwerp dan met andere beslagleggers moet worden gedeeld, is daarbij een niet te verwaarlozen aspect. Van disproportionaliteit is geen sprake, ook niet indien uitgegaan zou worden van alleen het voordeel dat binnen [B] BV is verkregen. In dat geval bedraagt de vordering immers ongeveer € 830.000 tegenover een geschatte waarde aan beslag van € 1,3 miljoen.”
4.3. De Rechtbank heeft het beklag deels gegrond verklaard en daartoe als volgt overwogen:
“Als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan, dat op rechtmatige wijze ten laste van klager sub 1 voorwerpen conservatoir in beslag zijn genomen en dat de beslagen nog voortduren.
Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid Sv dient de rechter te onderzoeken:
a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Enerzijds is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de hiervoor weergegeven maatstaf niet - zonder meer - een (ambtshalve) onderzoek behelst naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag. Anderzijds heeft te gelden dat omstandigheden van het geval een dergelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang. In de bij deze rechtbank aanhangige ontnemingsprocedure heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van 29 november 2013 onder meer het volgende overwogen:
‘Voor de rechtbank is uitgangspunt dat zij als ontnemingsrechter gebonden is aan haar oordeel in de hoofdzaak. Ook zonder nadere toelichting op dat vonnis is niet voor discussie vatbaar dat de rechtbank betrokkene heeft vrijgesproken van (onder meer) deelneming aan een van de twee ten laste gelegde criminele organisaties ([A]).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het klaagschrift gegrond;
gelast de opheffing van de ten laste van klager sub 1 gelegde conservatoire beslagen op voorwerpen (als opgenomen in paragraaf 6.1 van het rapport ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel), voor zover deze tezamen het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan;
kent aan klager sub 1 met betrekking tot de bijstand van een raadsman bij de indiening en behandeling van het klaagschrift een vergoeding ten laste van de Staat toe van € 540,00 (zegge: vijfhonderdenveertig euro).
(…)”
4.4. Aan het vorenstaande kan worden ontleend dat de beslagen zijn gegrond op artikel 94a Sv. Uit de hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen van de Rechtbank blijkt dat zij – in oorsprong - de juiste maatstaf voor ogen heeft gehad. Echter door vervolgens in aanmerking te nemen de hierboven geciteerde overwegingen uit een tussenbeslissing van de in eerste aanleg aanhangige ontnemingszaak tegen klager [klager 1] alsmede het vonnis van de Rechtbank in de strafzaak tegen klager waarbij hij is vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000, en te komen tot het oordeel ‘dat zich hier het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte de verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen’, heeft de Rechtbank de toepasselijke maatstaf miskend. De door haar te hanteren maatstaf was immers of zich al dan niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Met haar oordeel is de Rechtbank bovendien voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure door ten gronde getreden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak en ontnemingszaak tegen de klager. De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ter zake van de feiten waarvoor deze klager door de Rechtbank is vrijgesproken, terwijl het nog maar de vraag is of de gegeven vrijspraken in hoger beroep overeind zullen blijven, nu vaststaat dat de Officier van Justitie in de strafzaak hoger beroep heeft ingesteld tegen de gegeven vrijspraken en de ontnemingsprocedure tevens nog aanhangig is. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de overwegingen van de Rechtbank omtrent de door haar aangenomen disproportionaliteit van het beslag gelet op hetgeen ik hiervoor heb gesteld ‘in de lucht hangen’, nu dat oordeel niet berust op een daaraan voorafgaande toetsing van het beslag aan de toepasselijke maatstaf. De logica vereist immers dat eerst nadat de drempel van die ‘niet hoogst onwaarschijnlijkheidsmaatstaf’ is gepasseerd (onder omstandigheden) de proportionaliteit van de uitkomst aan de orde kan komen.
4.5. Het middel is gegrond.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen voor zover deze beslagen als geheel het bedrag van €602.225,27 te boven gaan en tot toewijzing van een vergoeding voor de kosten voor het opstellen, indienen en het behandelen van het onderhavige klaagschrift in raadkamer, welke kosten forfaitair zijn begroot op €540,-.
Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2, 2.9 en 2.11, en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:976.
Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6164 en HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2010:BB9890.
Conclusie
[klager 1],
[klaagster 2] en [klaagster 3]
1. De Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 25 maart 2014 het namens de klagers ingediende klaagschrift deels gegrond verklaard en de opheffing gelast van de ten laste van de klagers gelegde conservatoire beslagen op voorwerpen voor zover deze tezamen het bedrag van €829.115,27 te boven gaan en een vergoeding toegekend voor de bijstand van een raadsman bij de indiening en behandeling van het klaagschrift ten laste van de Staat van €540,-.
2. Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. M. Kattouw, cassatieberoep ingesteld.
3. De plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, mr. H.H.J. Knol, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de klagers heeft mr. I. Jadib, advocaat te ‘s-Gravenhage, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.
4.1. Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank de toepasselijke maatstaf van artikel 94a Sv bij haar beslissing tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag heeft miskend.
4.2. Uit de in de bestreden beschikking onder de kop ‘Inhoudelijke beoordeling’ vervatte standpunten van de klagers en van de Officier van Justitie kan een goede weergave van de gang van zaken worden afgeleid:
“Standpunt klagers
Namens klagers is aangevoerd dat ten laste van klagers verschillende beslagen zijn gelegd ten behoeve van verhaal van een ontnemingsvordering tegen klager sub 1 ([klager 1]). Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [klager 1] wordt blijkens de ontnemingsrapportage geschat op een bedrag van € 2.202.225,27 dat is samengesteld uit een bedrag van € 1.600.000 en een bedrag van € 602.225,27. In het in de onderliggende strafzaak door de rechtbank Haarlem gewezen vonnis van 27 januari 2012 is [klager 1] vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het thans in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000. Uit het arrest van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland en het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2009 (LJN BG4270) volgt dat de onschuldpresumptie aan ontneming van voornoemd bedrag in de weg staat. Dit leidt er in de visie van klagers toe dat zich met betrekking tot het in de ontnemingsprocedure tegen klager sub 1 ([klager 1]) gevorderde bedrag van € 1.600.000 het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager sub 1 een verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De ten laste van klagers gelegde beslagen dienen dan ook beperkt te worden tot een bedrag van € 602.225,27. De in een kwestie als deze toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat mede in aanmerking nemend het summiere karakter van de beklagprocedure, de beklagrechter niet vooruit dient te lopen op de uitkomst van het in de hoofdzaak te geven oordeel nu het op dit moment absoluut niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan [klager 1] een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.
Klager sub 1 is immers bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 veroordeeld voor meerdere feiten waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld en vrijgesproken ter zake van de hem ten laste gelegde criminele organisatie [A], waarbij geldt dat het openbaar ministerie van deze uitspraak in hoger beroep is gegaan. Het beperkte toetsingskader van de onderhavige beklagprocedure staat volgens de officier van justitie niet toe dat een oordeel wordt gegeven over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In het geval ervan moet worden uitgegaan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel "slechts" het bedrag betreft dat binnen [B] BV is verkregen, wijst de officier van justitie op het feit dat zij de raadsman van klager sub 1 bij email van 9 december 2013 heeft laten weten dat het voordeel binnen [B] BV in de ontnemingsrapportage te laag is berekend en dat de vordering - naar de rechtbank aanneemt bij gelegenheid van een volgende terechtzitting in de ontnemingsprocedure - zal worden verhoogd met een bedrag van € 226.890.
Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 januari 2006, LJN AU4691 (het zogeheten Cumberbatch-arrest) stelt de officier van justitie zich voorts op het standpunt dat ook indien ervan uitgegaan zou moeten worden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de vrijspraak van de ten laste gelegde deelneming aan de criminele organisatie (voorlopig) geschat zou moeten worden op een bedrag van € 829.115,27, niet van belang is dat de totale waarde van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen op een hoger bedrag wordt geschat. Het beslag dient immers tot het veiligstellen van het verhaal van een vordering.
De omstandigheid dat ook door andere schuldeisers, onder wie bijvoorbeeld de fiscus, beslag kan worden gelegd op het desbetreffende in beslag genomen voorwerp en dat de verkoopopbrengst van het voorwerp dan met andere beslagleggers moet worden gedeeld, is daarbij een niet te verwaarlozen aspect. Van disproportionaliteit is geen sprake, ook niet indien uitgegaan zou worden van alleen het voordeel dat binnen [B] BV is verkregen. In dat geval bedraagt de vordering immers ongeveer € 830.000 tegenover een geschatte waarde aan beslag van € 1,3 miljoen.”
4.3. De Rechtbank heeft het beklag deels gegrond verklaard en daartoe als volgt overwogen:
“Als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan, dat op rechtmatige wijze ten laste van klager sub 1 voorwerpen conservatoir in beslag zijn genomen en dat de beslagen nog voortduren.
Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid Sv dient de rechter te onderzoeken:
a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Enerzijds is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de hiervoor weergegeven maatstaf niet - zonder meer - een (ambtshalve) onderzoek behelst naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag. Anderzijds heeft te gelden dat omstandigheden van het geval een dergelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang. In de bij deze rechtbank aanhangige ontnemingsprocedure heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van 29 november 2013 onder meer het volgende overwogen:
‘Voor de rechtbank is uitgangspunt dat zij als ontnemingsrechter gebonden is aan haar oordeel in de hoofdzaak. Ook zonder nadere toelichting op dat vonnis is niet voor discussie vatbaar dat de rechtbank betrokkene heeft vrijgesproken van (onder meer) deelneming aan een van de twee ten laste gelegde criminele organisaties ([A]).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het klaagschrift gegrond;
gelast de opheffing van de ten laste van klager sub 1 gelegde conservatoire beslagen op voorwerpen (als opgenomen in paragraaf 6.1 van het rapport ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel), voor zover deze tezamen het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan;
kent aan klager sub 1 met betrekking tot de bijstand van een raadsman bij de indiening en behandeling van het klaagschrift een vergoeding ten laste van de Staat toe van € 540,00 (zegge: vijfhonderdenveertig euro).
(…)”
4.4. Aan het vorenstaande kan worden ontleend dat de beslagen zijn gegrond op artikel 94a Sv. Uit de hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen van de Rechtbank blijkt dat zij – in oorsprong - de juiste maatstaf voor ogen heeft gehad. Echter door vervolgens in aanmerking te nemen de hierboven geciteerde overwegingen uit een tussenbeslissing van de in eerste aanleg aanhangige ontnemingszaak tegen klager [klager 1] alsmede het vonnis van de Rechtbank in de strafzaak tegen klager waarbij hij is vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000, en te komen tot het oordeel ‘dat zich hier het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte de verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen’, heeft de Rechtbank de toepasselijke maatstaf miskend. De door haar te hanteren maatstaf was immers of zich al dan niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Met haar oordeel is de Rechtbank bovendien voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure door ten gronde getreden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak en ontnemingszaak tegen de klager. De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ter zake van de feiten waarvoor deze klager door de Rechtbank is vrijgesproken, terwijl het nog maar de vraag is of de gegeven vrijspraken in hoger beroep overeind zullen blijven, nu vaststaat dat de Officier van Justitie in de strafzaak hoger beroep heeft ingesteld tegen de gegeven vrijspraken en de ontnemingsprocedure tevens nog aanhangig is. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de overwegingen van de Rechtbank omtrent de door haar aangenomen disproportionaliteit van het beslag gelet op hetgeen ik hiervoor heb gesteld ‘in de lucht hangen’, nu dat oordeel niet berust op een daaraan voorafgaande toetsing van het beslag aan de toepasselijke maatstaf. De logica vereist immers dat eerst nadat de drempel van die ‘niet hoogst onwaarschijnlijkheidsmaatstaf’ is gepasseerd (onder omstandigheden) de proportionaliteit van de uitkomst aan de orde kan komen.
4.5. Het middel is gegrond.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen voor zover deze beslagen als geheel het bedrag van €602.225,27 te boven gaan en tot toewijzing van een vergoeding voor de kosten voor het opstellen, indienen en het behandelen van het onderhavige klaagschrift in raadkamer, welke kosten forfaitair zijn begroot op €540,-.
Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2, 2.9 en 2.11, en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:976.
Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6164 en HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2010:BB9890.
Conclusie
[klager 1],
[klaagster 2] en [klaagster 3]
1. De Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 25 maart 2014 het namens de klagers ingediende klaagschrift deels gegrond verklaard en de opheffing gelast van de ten laste van de klagers gelegde conservatoire beslagen op voorwerpen voor zover deze tezamen het bedrag van €829.115,27 te boven gaan en een vergoeding toegekend voor de bijstand van een raadsman bij de indiening en behandeling van het klaagschrift ten laste van de Staat van €540,-.
2. Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. M. Kattouw, cassatieberoep ingesteld.
3. De plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, mr. H.H.J. Knol, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de klagers heeft mr. I. Jadib, advocaat te ‘s-Gravenhage, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.
4.1. Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank de toepasselijke maatstaf van artikel 94a Sv bij haar beslissing tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag heeft miskend.
4.2. Uit de in de bestreden beschikking onder de kop ‘Inhoudelijke beoordeling’ vervatte standpunten van de klagers en van de Officier van Justitie kan een goede weergave van de gang van zaken worden afgeleid:
“Standpunt klagers
Namens klagers is aangevoerd dat ten laste van klagers verschillende beslagen zijn gelegd ten behoeve van verhaal van een ontnemingsvordering tegen klager sub 1 ([klager 1]). Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [klager 1] wordt blijkens de ontnemingsrapportage geschat op een bedrag van € 2.202.225,27 dat is samengesteld uit een bedrag van € 1.600.000 en een bedrag van € 602.225,27. In het in de onderliggende strafzaak door de rechtbank Haarlem gewezen vonnis van 27 januari 2012 is [klager 1] vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het thans in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000. Uit het arrest van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland en het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2009 (LJN BG4270) volgt dat de onschuldpresumptie aan ontneming van voornoemd bedrag in de weg staat. Dit leidt er in de visie van klagers toe dat zich met betrekking tot het in de ontnemingsprocedure tegen klager sub 1 ([klager 1]) gevorderde bedrag van € 1.600.000 het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager sub 1 een verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De ten laste van klagers gelegde beslagen dienen dan ook beperkt te worden tot een bedrag van € 602.225,27. De in een kwestie als deze toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat mede in aanmerking nemend het summiere karakter van de beklagprocedure, de beklagrechter niet vooruit dient te lopen op de uitkomst van het in de hoofdzaak te geven oordeel nu het op dit moment absoluut niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan [klager 1] een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.
Klager sub 1 is immers bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 veroordeeld voor meerdere feiten waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld en vrijgesproken ter zake van de hem ten laste gelegde criminele organisatie [A], waarbij geldt dat het openbaar ministerie van deze uitspraak in hoger beroep is gegaan. Het beperkte toetsingskader van de onderhavige beklagprocedure staat volgens de officier van justitie niet toe dat een oordeel wordt gegeven over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In het geval ervan moet worden uitgegaan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel "slechts" het bedrag betreft dat binnen [B] BV is verkregen, wijst de officier van justitie op het feit dat zij de raadsman van klager sub 1 bij email van 9 december 2013 heeft laten weten dat het voordeel binnen [B] BV in de ontnemingsrapportage te laag is berekend en dat de vordering - naar de rechtbank aanneemt bij gelegenheid van een volgende terechtzitting in de ontnemingsprocedure - zal worden verhoogd met een bedrag van € 226.890.
Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 januari 2006, LJN AU4691 (het zogeheten Cumberbatch-arrest) stelt de officier van justitie zich voorts op het standpunt dat ook indien ervan uitgegaan zou moeten worden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de vrijspraak van de ten laste gelegde deelneming aan de criminele organisatie (voorlopig) geschat zou moeten worden op een bedrag van € 829.115,27, niet van belang is dat de totale waarde van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen op een hoger bedrag wordt geschat. Het beslag dient immers tot het veiligstellen van het verhaal van een vordering.
De omstandigheid dat ook door andere schuldeisers, onder wie bijvoorbeeld de fiscus, beslag kan worden gelegd op het desbetreffende in beslag genomen voorwerp en dat de verkoopopbrengst van het voorwerp dan met andere beslagleggers moet worden gedeeld, is daarbij een niet te verwaarlozen aspect. Van disproportionaliteit is geen sprake, ook niet indien uitgegaan zou worden van alleen het voordeel dat binnen [B] BV is verkregen. In dat geval bedraagt de vordering immers ongeveer € 830.000 tegenover een geschatte waarde aan beslag van € 1,3 miljoen.”
4.3. De Rechtbank heeft het beklag deels gegrond verklaard en daartoe als volgt overwogen:
“Als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan, dat op rechtmatige wijze ten laste van klager sub 1 voorwerpen conservatoir in beslag zijn genomen en dat de beslagen nog voortduren.
Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid Sv dient de rechter te onderzoeken:
a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Enerzijds is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de hiervoor weergegeven maatstaf niet - zonder meer - een (ambtshalve) onderzoek behelst naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag. Anderzijds heeft te gelden dat omstandigheden van het geval een dergelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang. In de bij deze rechtbank aanhangige ontnemingsprocedure heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van 29 november 2013 onder meer het volgende overwogen:
‘Voor de rechtbank is uitgangspunt dat zij als ontnemingsrechter gebonden is aan haar oordeel in de hoofdzaak. Ook zonder nadere toelichting op dat vonnis is niet voor discussie vatbaar dat de rechtbank betrokkene heeft vrijgesproken van (onder meer) deelneming aan een van de twee ten laste gelegde criminele organisaties ([A]).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het klaagschrift gegrond;
gelast de opheffing van de ten laste van klager sub 1 gelegde conservatoire beslagen op voorwerpen (als opgenomen in paragraaf 6.1 van het rapport ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel), voor zover deze tezamen het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan;
kent aan klager sub 1 met betrekking tot de bijstand van een raadsman bij de indiening en behandeling van het klaagschrift een vergoeding ten laste van de Staat toe van € 540,00 (zegge: vijfhonderdenveertig euro).
(…)”
4.4. Aan het vorenstaande kan worden ontleend dat de beslagen zijn gegrond op artikel 94a Sv. Uit de hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen van de Rechtbank blijkt dat zij – in oorsprong - de juiste maatstaf voor ogen heeft gehad. Echter door vervolgens in aanmerking te nemen de hierboven geciteerde overwegingen uit een tussenbeslissing van de in eerste aanleg aanhangige ontnemingszaak tegen klager [klager 1] alsmede het vonnis van de Rechtbank in de strafzaak tegen klager waarbij hij is vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000, en te komen tot het oordeel ‘dat zich hier het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte de verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen’, heeft de Rechtbank de toepasselijke maatstaf miskend. De door haar te hanteren maatstaf was immers of zich al dan niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Met haar oordeel is de Rechtbank bovendien voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure door ten gronde getreden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak en ontnemingszaak tegen de klager. De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ter zake van de feiten waarvoor deze klager door de Rechtbank is vrijgesproken, terwijl het nog maar de vraag is of de gegeven vrijspraken in hoger beroep overeind zullen blijven, nu vaststaat dat de Officier van Justitie in de strafzaak hoger beroep heeft ingesteld tegen de gegeven vrijspraken en de ontnemingsprocedure tevens nog aanhangig is. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de overwegingen van de Rechtbank omtrent de door haar aangenomen disproportionaliteit van het beslag gelet op hetgeen ik hiervoor heb gesteld ‘in de lucht hangen’, nu dat oordeel niet berust op een daaraan voorafgaande toetsing van het beslag aan de toepasselijke maatstaf. De logica vereist immers dat eerst nadat de drempel van die ‘niet hoogst onwaarschijnlijkheidsmaatstaf’ is gepasseerd (onder omstandigheden) de proportionaliteit van de uitkomst aan de orde kan komen.
4.5. Het middel is gegrond.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen voor zover deze beslagen als geheel het bedrag van €602.225,27 te boven gaan en tot toewijzing van een vergoeding voor de kosten voor het opstellen, indienen en het behandelen van het onderhavige klaagschrift in raadkamer, welke kosten forfaitair zijn begroot op €540,-.
Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2, 2.9 en 2.11, en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:976.
Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6164 en HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2010:BB9890.