Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-11-07
ECLI:NL:PHR:2014:2004
Civiel recht
2,036 tokens
=== VOLLEDIG ===
14/04346
mr. J.C. van Oven
7 november 2014
Standpunt inzake:
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
eisers tot cassatie
(mr. P.J.L.J. Duijsens)
tegen
de gemeente Oosterhout
verweerster in cassatie
niet verschenen.
1. Deze zaak betreft een vordering van verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) tot de vervroegde onteigening, ten behoeve van de realisatie van het bestemmingsplan “De Contreie” en het uitwerkingsplan “De Contreie uitwerkingsplan I”, van het perceel, kadastraal bekend gemeente Oosterhout, sectie [A], nummer [001], ter grootte van 3.21.50 ha (grondplannummer 1). Bij Koninklijk Besluit van 16 oktober 2013, nr. 13.002141, is het perceel aangewezen ter onteigening. In het KB zijn als mede-eigenaren aangewezen wijlen [betrokkene 1] en wijlen [betrokkene 2]. In hun hoedanigheid van gezamenlijke erven van beide kadastrale erfgenamen hebben eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) het geding op voet van art. 20 lid 2 Onteigeningswet (Ow) overgenomen en verweer gevoerd. Bij vonnis van 2 juli 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant de gevorderde vervroegde onteigening uitgesproken. Bij akte houdende verklaring van cassatie van 16 juli 2014 hebben [eiser] c.s. tijdig tegen dit vonnis cassatieberoep ingesteld. De cassatieverklaring hebben zij bij exploot van 30 juli 2014 tijdig aan de Gemeente laten betekenen met dagvaarding in cassatie. De Gemeente is in cassatie, tot dusver, niet verschenen.
2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn mening geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
3. Het eerste middel betreft het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente heeft voldaan aan haar onderhandelingsplicht ingevolge art. 17 Ow (rov. 2.5.3).
4. De eerste klacht tref ik aan in nr. 5, waar aangevoerd wordt dat de Gemeente niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting ex art. 17 Ow, dat de Kroon dit verweer ten onrechte heeft gepasseerd en dat de rechtbank zich ten onrechte aansluit bij het oordeel van de Kroon. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu de rechtbank klaarblijkelijk in het verweer van [eiser] c.s. geen beroep heeft gelezen op de onrechtmatigheid van het Koninklijk Besluit tot onteigening van 16 oktober 2013 omdat de Kroon ten onrechte een op art. 17 Ow stoelend verweer zou hebben gepasseerd. Waar de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow ziet op de periode tussen (het definitief worden van) het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding, is ook zeer duidelijk dat de Kroon zich daarover hoe dan ook niet had kunnen, laat staan behoeven te, buigen.
5. De klachten die in alinea 7 zijn voorgesteld zetten in cassatie het debat voort over de vraag of de Gemeente aan de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow heeft voldaan. De rechtbank stelt in de eerste drie volzinnen van rov. 2.5.3, in cassatie terecht onbestreden, het juridische kader van de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow voorop. Voor het overige ligt de beantwoording van de vraag of voldoende serieus is onderhandeld bij uitstek op het terrein van de feitenrechter, zodat diens oordeel dienaangaande in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De rechtbank heeft geoordeeld (in rov. 2.5.3):
“Door de Gemeente is onbestreden gesteld dat in het kader van de pogingen om de gronden minnelijk te verwerven in de periode oktober 2008 tot en met juni 2012 diverse malen bijeenkomsten tussen partijen hebben plaatsgevonden. Voorts is door de Gemeente onbestreden gesteld dat zij bij brieven van 7 juli 2010, 3 november 2010, 28 december 2011, 19 april 2012, 29 april 2013, 26 juni 2013, 13 september 2013, en 15 november 2013 schriftelijke aanbiedingen heeft gedaan. De onderhandelingen zijn (ruim) vóór de datum van het verzoek tot aanwijzing ter onteigening van 28 februari 2012 aangevangen en de Gemeente heeft ook nadat het besluit tot onteigening is genomen en voordat de dagvaarding tot onteigening is uitgebracht nog een bod gedaan. [eiser] c.s. heeft zijn stelling dat de Gemeente keer op keer niet bereid is geweest een marktconforme prijs te betalen niet nader onderbouwd. Het feit dat de Gemeente € 300.000 lager bood dan de WSG die € 2.850.000 zou hebben geboden, het tot stand komen van die koopovereenkomst wordt overigens door de Gemeente betwist, houdt, gelet op het procentueel geringe verschil, niet in dat het bod van de Gemeente niet marktconform was. Dat zelfde geldt voor de twee opvolgende biedingen die de Gemeente heeft gedaan en herhaald. De Gemeente heeft onbestreden gesteld dat haar biedingen waren gebaseerd op taxaties verricht door een landelijk erkend taxatiebureau met als uitgangspunt een waardering op onteigeningsbasis als bedoeld in art. 40b Ow. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de Gemeente niet voldoende serieus heeft onderhandelden en in het kader van de onderhandelingen geen oog heeft gehad voor de gerechtvaardigde belangen van [eiser] c.s.”
Voorts is de rechtbank in rov. 2.5.3 - nu het geciteerde oordeel de conclusie dat de Gemeente voldoende serieus heeft onderhandeld zelfstandig draagt: ten overvloede - nog ingegaan op betogen van [eiser] c.s. met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel en de dreiging waaronder [eiser] c.s. bij de onderhandelingen zou hebben gestaan doordat een voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten op de te onteigenen grond lag. De klachten in nr. 7 zijn gericht tegen het antwoord van de rechtbank op die betogen, en kunnen dus bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
6. Een laatste klacht zou kunnen worden gelezen in nr. 10, culminerend in de stelling dat de rechtbank heeft miskend (en dat daarom haar oordeel onvoldoende is gemotiveerd) dat niet valt uit te sluiten dat de onteigeningsprocedure voorkomen had kunnen worden als de Gemeente een bieding zou hebben gedaan op basis van de in het grondexploitatieplan voor de onteigening begrote bedrag. Het is evident dat ook deze klacht faalt, reeds omdat die - evenals de klachten van nr. 7 doen - afstuit op gebrek aan belang, maar ook omdat de klacht feitelijke grondslag mist nu de rechtbank zich over het door de klacht bedoelde punt in het geheel niet heeft uitgelaten (en m.i. ook niet behoefde uit te laten).
7. Het tweede middel betreft het debat over de vraag naar de noodzaak van de onteigening in verband met de urgentie van de realisering van het bestemmingsplan ter plaatse van het onteigende. De Kroon heeft zich in het onteigeningsbesluit van 16 oktober 2013 uitgelaten over de door [eiser] c.s. naar voren gebrachte zienswijze dat de onteigening prematuur is omdat op de te onteigenen percelen geen woningen maar openbare groenvoorzieningen zullen worden gerealiseerd die pas in de verre toekomst zullen worden ontwikkeld als de woningen zullen worden uitgegeven. Die zienswijze is verworpen omdat de Kroon op grond van mededelingen van de Gemeente tijdens de hoorzitting voldoende aannemelijk achtte dat binnen een termijn van vijf jaar een aanvang zal worden gemaakt met het werk en/of de werkzaamheden waarvoor de onteigening noodzakelijk is, waaraan de Kroon nog toevoegde dat gebleken is dat de gronden van [eiser] c.s. deel uitmaken van de groene buffer De Kreek, die noodzakelijk is voor de waterhuishouding en waarvan de aanleg voorzien wordt in 2014. Nadat [eiser] c.s. in de gerechtelijke onteigeningsprocedure opnieuw de noodzaak en urgentie van de onteigening hadden betwist heeft de rechtbank geoordeeld (rov. 2.6.3) dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de Gemeente binnen vijf jaar een begin zal maken met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigening noodzakelijk is en dat dus sprake is van de voor onteigening vereiste urgentie.
8. De klachten van het middel sturen aan (nr. 16 en 17 van het middel) op een nieuwe beoordeling door Uw Raad van de door de Kroon verworpen zienswijze. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats. Het middel betoogt voorts (nr.