Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-09-16
ECLI:NL:PHR:2014:1976
Strafrecht
2,036 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 oktober 2013 de verdachte ter zake van “als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 4a van die wet opgelegde verplichting niet nakomen” veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis en voorts tot hechtenis voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3. Volgens het eerste middel is het Hof ‘ten onrechte overgegaan tot inhoudelijke behandeling buiten rekwirant en raadsman, althans dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding rust op gronden die de niet kunnen dragen, althans de hiertoe aangedragen motivering van het gerechtshof onbegrijpelijk is’. Blijkens de toelichting is het Hof bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek tekort geschoten door geen of onvoldoende rekening te houden met de belangen van verdachte en in het bijzonder het belang van een zorgvuldige voorbereiding van de strafzaak. Ik begrijp het middel zo dat het verdedigingsbelang zich tegen de behandeling van de zaak verzet zodat het Hof diende aan te houden, althans dat bij de beslissing om niet aan te houden het verdedigingsbelang onvoldoende is meegewogen.
4. Voor zover in de toelichting op het middel daarnaar wordt verwezen houdt het bestreden arrest inzake het aanhoudingsverzoek van 4 juli 2013 het volgende in:
‘’De verdachte heeft in de appelschriftuur van 4 juli 2013 verzocht om aanhouding van de zaak, teneinde de beslissing op het ingestelde beroep tegen de afwijzende bestuursrechtelijke beslissing op het verzoek tot vrijstelling van de leerplicht ex artikel 11, sub g, van de Leerplichtwet af te wachten.
Het hof overweegt allereerst dat de verdachte en diens raadsman nadat zij op juiste wijze zijn opgeroepen voor de behandeling van de zaak ter zitting van het hof en nadat het aanhoudingsverzoek niet (op voorhand) was toegewezen, op de zitting niet zijn verschenen om aldaar het verzoek nader toe te lichten.
Het hof wijst het verzoek af en overweegt daarbij enerzijds dat verdachte geen stukken ter onderbouwing van het verzoek heeft overgelegd met nadere informatie over de aard en omvang van de bestuursrechtelijke procedure en anderzijds ziet het hof geen direct verband tussen de kennelijk op artikel 1 1, sub g ziende afgewezen (tijdelijke) verlofaanvraag en de onderhavige strafzaak, nu het verweer van verdachte in deze strafzaak ziet op een langere periode gebaseerd op de vrijstellingsgrond ‘verhindering wegens ziekte’ als bedoeld in artikel 11, sub d van de Leerplichtwet.’’
5. Voor zover in de toelichting op het middel daarnaar wordt verwezen houdt het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 3 oktober 2013 inzake de aanhoudingsverzoeken van 3 oktober 2013 en 30 september 2013 het volgende in:
‘’De voorzitter deelt mede de korte inhoud [van] de per fax binnengekomen schriftelijke verklaring van de raadsman van de verdachte d.d. 3 oktober 2013, waarin deze meedeelt dat op uitdrukkelijk verzoek van de verdachte niemand ter terechtzitting zal verschijnen. Voorts deelt de raadsman mee onder verwijzing naar artikel 6 EVRM (opnieuw) om aanhouding te verzoeken, omdat het tot op heden niet mogelijk is geweest om de zaak deugdelijk voor te bereiden.
De voorzitter deelt mee de korte inhoud van een tweetal faxberichten van de raadsman d.d. 20 september 2013 en 30 september 2013. De voorzitter deelt voorts het volgende mede. Naar aanleiding van het op vrijdag 20 september 2013 om 18.00 uur bij de strafgriffie van het gerechtshof binnengekomen (herhaalde) verzoek om de schaduwstukken, zijn deze op maandag 23 september 2013 aan de raadsman verstuurd. Op 27 september 2013 heeft de advocaat-generaal per e-mail aan de raadsman laten weten dat hij zich niet tegen het aanhoudingsverzoek zou verzetten, maar dat de raadsman er niet van uit mag gaan dat het hof het verzoek tot aanhouding van de raadsman op voorhand zal toewijzen. De raadsman heeft de schaduwstukken (blijkens zijn schrijven van 30 september 2013) op 24 september 2013 ontvangen. De raadsman heeft desondanks op 30 september opnieuw om aanhouding van de zaak verzocht, omdat hij een goede voorbereiding niet mogelijk achtte. De griffier heeft daarop telefonisch laten weten aan het kantoor van de raadsman dat het verzoek tot aanhouding op voorhand niet wordt toegewezen, omdat de raadsman naar het oordeel van het hof gelet op de aard en omvang van de zaak genoeg tijd had om de zaak deugdelijk voor te bereiden.
(…)
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee, dat het hof geen aanleiding ziet om op het eerder ingenomen standpunt terug te komen en het verzoek tot aanhouding derhalve afwijst.
Ten overvloede merkt de voorzitter op dat zich in het dossier een brief bevindt van de administratie Sectie Familie en Jeugd van de rechtbank Noord-Holland, waaruit blijkt dat een kopie van het dossier reeds op 12 augustus 2013 aan de verdachte is verstrekt op zijn verzoek.’’
6. Voor de beoordeling van het middel zijn het eerste en derde lid van art. 265 Sv van belang in samenhang met het eerste lid van art. 413 Sv.
‘’Artikel 265
1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. Ingeval door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Vierde Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven moet een termijn van ten minste vier dagen verlopen.
(…)
3. Bij gebreke van het een of ander schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Is dit laatste het geval en verzoekt de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel, dan schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet.
Artikel 413
1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Artikel 265, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
(…)’’.
7. In HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0154 overwoog de Hoge Raad het volgende:
‘’3.5. Hetgeen ter terechtzitting dient te geschieden bij gebreke van de in art. 265, tweede lid, Sv gegeven toestemming tot verkorting van de termijn voor dagvaarding, is geregeld in het derde lid van art. 265 Sv. Uitgangspunt is dat de rechter verplicht is het onderzoek te schorsen. Als de verdachte is verschenen bestaat die verplichting niet, tenzij de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel verzoekt. Een dergelijk verzoek kan slechts worden afgewezen op de aan het slot van dat artikellid genoemde grond.
Die regeling strekt ertoe te verzekeren dat de verdachte niet wordt beknot in zijn recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn noch in de tijd die nodig is om zijn verdediging voor te bereiden, in het geval de voor dagvaarding voorgeschreven termijn niet in acht is genomen en de verdachte voor die verkorting geen toestemming heeft gegeven.
Redelijke wetstoepassing brengt daarom mee aan te nemen dat indien in een dergelijk geval de verdachte ter terechtzitting niet is verschenen, maar wel een op de voet van art. 279 Sv voor hem optredende raadsman de rechter niet gehouden is het onderzoek te schorsen, tenzij de gemachtigde raadsman uitstel verzoekt op de grond dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig wenst te zijn en/of op de grond dat uitstel is geboden in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging. Voor afwijzing van een op eerstgenoemde grond gedaan verzoek is geen plaats. Bij de beslissing op een verzoek dat enkel stoelt op de als tweede genoemde grond is het slot van het derde lid van art. 265 Sv van overeenkomstige toepassing.’’
8.