Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2012-11-09
ECLI:NL:PHR:2012:BY3118
Civiel recht
1. [Verzoekster 1] en 2. [Verzoekster 2] (hierna gezamenlijk: verzoeksters) tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat) 1. Bij beschikking van 7 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek van verzoeksters tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) afgewezen. Tegen deze beschikking hebben verzoeksters tijdig beroep in cassatie ingesteld. 2. In cassatie is onbestreden het oordeel van de rechtbank dat [verzoekster 1] op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132) op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en de Nederlandse nationaliteit heeft verloren (rov. 5.1). Het verkrijgen van een Nederlands paspoort is niet een van de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen (rov. 5.2). 3. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. De klacht over een besluit van de gemeente Rotterdam treft geen doel, omdat over een dergelijk besluit in cassatie niet kan worden geklaagd en overigens de rechtbank haar beschikking niet op dit besluit heeft gebaseerd. De klacht dat geen optieverklaring behoefde te worden afgelegd indien de moeder van [verzoekster 1] de Nederlandse nationaliteit bezat, bestrijdt niet het in rov. 5.4 gegeven oordeel over art. 6 resp. art. 27 RWN (oud). Daarmee blijft het oordeel van de rechtbank overeind dat verzoekers niet op grond van de optieverklaring de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. Aangezien rov. 5.4 voor de afwijzende beschikking een zelfstandig dragende grond is, hebben de verzoekers geen belang bij de overige tegen rov. 5.3 gerichte klachten. 4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G