Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2011-04-19
ECLI:NL:PHR:2011:BP2428
Strafrecht
1,900 tokens
=== CONCLUSIE ===
[Verdachte]
1. De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 6 oktober 2009 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Namens verzoeker heeft mr. J.S.W. Boorsma, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de inhoud van 's hofs proces-verbaal terechtzitting van 6 oktober 2009 weer, hetwelk - voor zover relevant - het volgende inhoudt:
"De verdachte, gedagvaard als:
naam: [verdachte],
voornamen: [voornamen],
(...)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - evenmin ter terechtzitting aanwezig.
De voorzitter stelt de griffier in de gelegenheid telefonisch contact op te nemen met voornoemde raadsman, teneinde te informeren naar de reden van diens afwezigheid.
De raadsman deelt tijdens het telefoongesprek mede dat de verdachte niet ter terechtzitting van heden kan verschijnen nu hij op deze dag tijdens een inburgeringsceremonie zijn Nederlands paspoort uitgereikt zal krijgen.
De raadsman geeft daarbij te kennen zelf niet ter terechtzitting aanwezig te zijn, omdat hij in de veronderstelling was dat door een medewerker van zijn kantoor op voorhand om aanhouding van de behandeling van de zaak was gevraagd. Dit is kennelijk niet gebeurd, aldus de raadsman.
De raadsman verzoekt alsnog de behandeling van de zaak aan te houden.
De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak. Indien de raadsman in de veronderstelling was dat er een aanhoudingsverzoek was gedaan had hij behoren na te vragen of dit verzoek op voorhand was gehonoreerd. Nu hij verzuimd heeft dit op voorhand te doen en ook niet ter terechtzitting is verschenen om aldaar te vernemen of de behandeling van de zaak wordt aangehouden, dient dit voor rekening van de raadsman te komen. De advocaat-generaal ziet overigens geen reden om de behandeling van de zaak aan te houden.
De voorzitter stelt vast dat zich in het dossier geen aanhoudingsverzoek bevindt. De voorzitter ziet op grond van het aanhoudingsbeleid noch overigens reden om de behandeling van de zaak aan te houden en wijst als beslissing van het hof het verzoek daartoe af.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte."
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het door het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) vastgestelde 'Landelijk Aanhoudingsprotocol', waarnaar door het hof kennelijk wordt verwezen ('aanhoudingsbeleid'), is geschonden, welk protocol volgens de steller van het middel immers 'recht' is in de zin van art. 79 RO.
5. Dit middel faalt, nu dat protocol niet als zodanig onder voornoemde bepaling valt.(1)
6. Het tweede middel behelst de grief dat het hof het door de verdediging gedane aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen, doordat de voorzitter heeft vastgesteld dat zich in het dossier geen aanhoudingsverzoek bevindt, terwijl dit verzoek wel degelijk door de raadsman is gedaan, namelijk telefonisch tijdens de terechtzitting.
7. De vaststelling van de voorzitter dat zich in het dossier geen aanhoudingsverzoek bevindt, heeft - anders dan het middel stelt - betrekking op de veronderstelling van de raadsman van verzoeker dat door een medewerker van zijn kantoor op voorhand om aanhouding was gevraagd, hetgeen niet was gebeurd. De vaststelling dat zich in het dossier geen (schriftelijk) aanhoudingsverzoek bevindt, is dus niet onbegrijpelijk. Door niettemin het verzoek tot aanhouding af te wijzen, heeft het hof het door de raadsman telefonisch gedane verzoek kennelijk wel als zodanig aangemerkt en daarop acht geslagen. In zoverre is 's hofs afwijzing toereikend gemotiveerd.
8. Is de afwijzing voor het overige voldoende (begrijpelijk) met redenen omkleed? Bij de beoordeling van deze vraag moet worden vooropgesteld dat bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting de rechter in feitelijke aanleg een afweging dient te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.(2)
9. Bij het voorgaande moet het arrest van HR 9 mei 2000, LJN AA5730, NJ 2002, 466 m.nt. Knigge(3) in ogenschouw worden genomen. Daaraan is het nu volgende ontleend. Een verdachte die een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak doet of laat doen, mag er in beginsel niet van uitgaan dat zijn verzoek zonder meer zal worden ingewilligd. Het staat immers ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte worden gevergd dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet doorgaan van de behandeling van de zaak, althans dat hij er zorg voor draagt dat hij daaromtrent kan worden geïnformeerd alsook dat hij ter staving van het verzoek alsnog de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan zijn verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.
10. Kennelijk heeft het hof, dat het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen, geoordeeld dat aan een ander belang dan het belang van verzoeker om in zijn aanwezigheid te worden berecht, voorrang moest worden gegeven. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd evenmin onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat, zo de raadsman in de veronderstelling was dat door een medewerker van zijn kantoor op voorhand om aanhouding van de behandeling van de zaak was verzocht (hetgeen niet is gebeurd), van hem mocht worden gevergd dat hij zich op de hoogte had gesteld van het al dan niet doorgaan van de behandeling van de zaak. Nu de raadsman er geen zorg voor heeft gedragen dat hij daaromtrent kon worden geïnformeerd, door bijvoorbeeld zelf ter terechtzitting te verschijnen (waartoe hij behoorlijk was opgeroepen) om aldaar te vernemen of de behandeling van de zaak werd aangehouden, dient dit verzuim voor rekening van de raadsman te komen.
11. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
12. Het derde middel klaagt erover dat het hof ten onrechte de - volgens de steller van het middel gemachtigde - raadsman niet de gelegenheid heeft geboden 'ter terechtzitting' het woord (tot verdediging) te voeren, maar hem slechts 'telefonisch' het woord heeft laten voeren. Nu het Wetboek van Strafvordering geen bepalingen bevat omtrent telefonisch gevoerde verweren, kon het hof zijn beslissing tot verstekverlening niet (enkel) op het telefoongesprek baseren, meent de steller van het middel.
13. In HR 23 oktober 2001, LJN AD4727, NJ 2002, 77 (rov. 4.8) m.nt. Reijntjes is uitgemaakt dat een raadsman die niet op de voet van art.