Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2010-05-18
ECLI:NL:PHR:2010:BL9130
Strafrecht
[De opgeëiste persoon] 1. De rechtbank te Middelburg heeft op 17 november 2009 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Argentinië toelaatbaar verklaard. 2. Hiertegen heeft mr. C.E.J. Kouijzer, advocaat te Middelburg, cassatie ingesteld. Mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie. 3.1. Het eerste middel klaagt over het verzuim de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen te vermelden, zoals bij toelaatbaarverklaring wordt voorgeschreven door artikel 28 lid 3 Uitleveringswet. In het bijzonder zou een vermelding van het toepasselijke Opiumwetmisdrijf ontbreken. 3.2. Deze klacht mist m.i. feitelijke grondslag. Toegegeven, de bestreden uitspraak bevat geen als zodanig gerubriceerde opsomming van toepasselijke bepalingen. Onder het kopje 'dubbele strafbaarheid' op bladzijde 3 van de bestreden uitspraak is echter wel (overbodig, maar toch) een kwalificatie opgenomen van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht. Die kwalificatie bevat de vermelding van artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet. Daarmee heeft de rechtbank m.i. in voldoende mate voorzien in de door de steller van het middel opgeworpen kwestie. 3.3. Mocht de Hoge Raad de klacht niettemin gegrond bevinden, dan kan de Hoge Raad het verzuim eenvoudig herstellen(1), onder vermelding van de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. In dat geval kan ook artikel 47 Sr worden aangehaald, aangezien de rechtbank de opgeëiste persoon als medepleger heeft aangemerkt. 4.1. Het tweede middel keert zich tegen de door de rechtbank uitgesproken toelaatbaarverklaring. Het verdrag waaraan het uitleveringsverzoek refereert biedt geen grondslag voor de uitlevering, aldus het middel. 4.2. Voor de beoordeling van dit middel is het volgende van belang. In het document d.d. 16 juni 2009, afkomstig van de nationale rechter te Buenos Aires, D.A. Petrone, wordt van de opgeëiste persoon de uitlevering gevraagd, zulks onder verwijzing naar het Verdrag tusschen Nederland en Argentinië tot wederkeerige uitlevering van misdadigers van 7 september 1893, Stb. 1898, 29. In artikel 2 van dit verdrag, waarin enumeratief is vastgelegd welke delicten tot uitlevering aanleiding kunnen geven, zijn drugsdelicten (inderdaad) niet opgenomen. Van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 20 december 1988, Stb. 1990, 94, maakt dit uitleveringsverzoek (inderdaad) geen melding. 4.3. Niettemin ontbeert het middel feitelijke grondslag. Artikel 6, lid 2 van het VN-verdrag, waarbij zowel Argentinië als Nederland partij zijn, bepaalt: "Each of the offences to which this article applies(2) shall be deemed to be included as an extraditable offence in any extradition treaty existing between Parties." Ofschoon artikel 2 van het verdrag met Argentinië zoals gezegd geen melding maakt van drugsdelicten, schrijft het meer recente VN-verdrag dus voor dat dergelijke delicten geacht worden als uitleveringsdelict te zijn begrepen in het bestaande uitleveringsverdrag, i.e. het verdrag van 1893. Langs deze weg vormt dit laatstgenoemde verdrag de basis voor uitlevering. Het middel faalt dus al om die reden. 4.4. Er zijn nog wel meer redenen te bedenken waarom dit middel niet tot cassatie kan leiden. Zo dient de uitleveringsrechter weliswaar uitdrukkelijk vast te stellen of de gevraagde uitlevering gegrond is op een toereikend verdrag, de inwilliging van het uitleveringsverzoek vergt niet dat in het verzoek expliciet melding wordt gemaakt van de toepasselijke verdragsbasis.(3) Het middel berust dus (ook nog) op een veronderstelling die geen steun vindt in het recht. Ten slotte acht ik eveneens doeltreffend de door de rechtbank gegeven respons op een ter zitting gevoerd verweer van gelijke strekking: "In het oorspronkelijke verzoek is uitsluitend gerefereerd aan eerstgenoemd verdrag uit 1893 dat inderdaad in artikel 2 een limitatieve opsomming geeft van de strafbare feiten op basis waarvan uitlevering kan worden verzocht, in welk artikel 2 de handel en uitvoer van drugs niet is genoemd. De ambassade van Argentinië echter, die geacht dient te worden de regering van Argentinië te vertegenwoordigen, heeft in haar aanbiedingsbrief tevens verwezen naar voormeld VN-verdrag dat op grond van artikel 6 van dat verdrag uitlevering wegens strafbare feiten inzake verdovende middelen mogelijk maakt. Het verweer dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard nu het niet op het juiste verdrag is gegrond wordt verworpen." 5.1. Het derde middel borduurt voort op het verweer dat door uitlevering de schending van artikel 3 en 6 EVRM dreigt. 5.2. Ter zitting van 3 november 2009 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat vanwege de detentiesituatie in Argentinië bij uitlevering schending dreigt van artikel 3 EVRM. De raadsvrouw heeft daartoe gewezen op de penibele omstandigheden in de Argentijnse gevangenissen, door overbevolking en mishandelingen, waarvan in door haar overgelegde bijlagen verslag wordt gedaan. Bovendien wijst zij op een dreigende schending van de redelijke termijn, aangezien de strafzaak in Argentinië twee jaren zou hebben stilgelegen. 5.3. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het volgende overwogen: "De raadsvrouwe heeft voorts aangevoerd dat door uitlevering schending zou dreigen van mensenrechten als vervat in artikel 3 en 6 van het EVRM, gezien de deplorabele detentiesituatie in de gevangenissen van Argentinië en de te verwachten schending van de redelijke termijn van berechting. Blijkens vaste, ook recente, jurisprudentie dient uitgangspunt te zijn dat omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan de minister van justitie. Dat zou anders kunnen zijn indien vast zou staan dat sprake is van een reëel risico van een substantiële schending van bedoelde rechten in welk geval de rechtbank reden zou kunnen vinden de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Van zodanig risico blijkt echter onvoldoende uit hetgeen de raadsvrouwe ter zake heeft aangevoerd. Wat de detentiesituatie in Argentijnse gevangenissen betreft ziet de rechtbank echter wel aanleiding, gelet op de door de raadsvrouwe overgelegde bijlagen bij haar pleitnotities, de minister van justitie op die bijlagen te attenderen en hem te adviseren de inhoud daarvan zo mogelijk te betrekken bij zijn oordeel omtrent de daadwerkelijke uitlevering van de opgeëiste persoon." 5.4. Bij de beoordeling van de klacht wat betreft de dreigende schending van artikel 3 EVRM dient uitgangspunt te zijn dat omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan de Minister van Justitie.(4) Zijn oordeel kan vervolgens worden voorgelegd aan de civiele rechter. Voor de uitleveringsrechter is bij dreigende schendingen van artikel 3 EVRM geen taak weggelegd. Het oordeel van de rechtbank is juist. Het middel faalt in zoverre. 5.5. Wat betreft de klacht over de (dreigende) schending van de redelijke termijn moeten de volgende overwegingen voorop worden gesteld.