Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2009-01-06
ECLI:NL:PHR:2009:BG4193
Strafrecht
1,967 tokens
=== CONCLUSIE ===
[Klager]
1. De (Raadkamer van de) Rechtbank te Maastricht heeft bij beschikking van 16 november 2006 het namens klager ingediende beklag, strekkende tot teruggave aan hem van een motorfiets in zijn geheel, ongegrond verklaard. Ten aanzien van het frame van de motorfiets acht de Rechtbank zich gebonden aan de mededeling van de Officier van Justitie, inhoudende dat klager dat mag komen ophalen bij Domeinen, mits hij het zelf demonteert.
2. Tegen deze beschikking is namens klager op 22 november 2006 beroep in cassatie ingesteld.
3. Namens klager heeft mr. C.P. van Dijk, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt erover dat de Rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer dat klager bij de verkrijging van de motorfiets te goeder trouw was. Het tweede middel klaagt erover dat de Rechtbank een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd door te oordelen dat voor teruggave geen plaats is nu de gestolen onderdelen van de motorfiets de kern daarvan uitmaakten.
4. Ik schets de gang van zaken. Onder [betrokkene 1] is op 18 juni 2001 ex art. 94 Sv beslag gelegd op een motorfiets, omdat het vermoeden bestond dat [betrokkene 1] zich aan heling schuldig maakte. Het motorblok, de versnellingsbak en de voorvork bleken namelijk oorspronkelijk te behoren tot een Harley-Davidson die sinds 1994 als ontvreemd stond gesignaleerd. Bovendien was het in het frame aangebrachte voertuigidentificatienummer verwijderd en vervangen door een zogenaamd zelfbouw-nummer. De zaak tegen [betrokkene 1] is geseponeerd.(1) [Betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de motorfiets heeft gekocht van klager. Naar aanleiding van deze verklaring is ook klager als verdachte gehoord. Klager verklaarde de motorfiets in 1996 te hebben gekocht van een zekere [betrokkene 2]. De Officier van Justitie heeft klager in augustus 2006 - in de woorden van de Rechtbank - laten weten af te zien van verdere vervolging.(2) De Officier van Justitie had reeds eerder(3) klager laten weten dat hij, als rechthebbende, het frame bij Domeinen kan ophalen, maar dat ten aanzien van het motorblok, de versnellingsbak en de voorvork moeten worden gehandeld als waren zij aan het verkeer onttrokken.
5. Voorafgaande aan de bespreking van de middelen merk ik het volgende op. [Betrokkene 1] heeft zich bij de politie op het standpunt gesteld dat hij de motorfiets heeft gekocht van klager, hetgeen door klager ook is erkend. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat [betrokkene 1] op enig moment afstand heeft gedaan van de motorfiets. [Betrokkene 1] is door de Rechtbank op voet van art. 552a lid 5 Sv opgeroepen om bij de behandeling van het klaagschrift op 2 november 2006 aanwezig te zijn, maar is niet in raadkamer verschenen. Uit de stukken van het geding blijkt voorts dat zich ten aanzien van de motorfiets een verzekeringsmaatschappij heeft gemeld, die stelt eigenaar te zijn geworden nu zij de verkeringsnemer schadeloos gesteld heeft.(4) Niet blijkt dat deze verzekeraar als belanghebbende is opgeroepen voor de raadkamerbehandeling. Nu de beslissing van de Rechtbank niet inhoudt dat het gehele beklag ongegrond moet worden verklaard, kan de bestreden beschikking mijns inziens niet in stand blijven. Het wettelijk systeem brengt immers mee dat op het gerecht de plicht rust om, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een of meer anderen dan de klager als belanghebbenden moet(en) worden aangemerkt, in welk geval het gerecht niet de teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene mag gelasten zonder dat die belanghebbende(n) in de gelegenheid is/zijn gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen, vgl. HR 8 juli 2008, LJN BC8667. Weliswaar wordt over dit verzuim niet geklaagd (bij een klacht van die strekking zou klager ook geen belang hebben), maar de bescherming van de positie van de derde-belanghebbende brengt mee dat in cassatie ambtshalve wordt ingegrepen als art. 552a lid 5 Sv niet is nageleefd. Dit leid ik af uit HR 15 februari 1994, NJ 1994, 476 en HR 1 oktober 2002, NJ 2002, 615.
6. Hoewel de bestreden beschikking op deze ambtshalve aangedragen grond niet in stand kan blijven, maak ik voor het geval de Hoge Raad daarover anders zou denken nog enkele opmerkingen over en naar aanleiding van de voorgestelde middelen.
7. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag is komen te vervallen (rov. 5.4.1). In art. 116, eerste lid, Sv is bepaald dat zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, het Openbaar Ministerie het inbeslaggenomene dient terug te geven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen. Op de hoofdregel zijn een aantal uitzonderingen geformuleerd. Art. 116 Sv luidt en luidde ten tijde van de inbeslagname voor zover hier van belang:
"1. Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, doet het openbaar ministerie dit teruggeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen.
2. Indien deze ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan het openbaar ministerie:
a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;
b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;
c. in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.
3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is Titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing.
(...)"
8. Uit de stukken van het geding blijkt als gezegd niet dat [betrokkene 1] op enig moment afstand heeft gedaan van de motorfiets. Voorts kan uit de stukken niet blijken of [betrokkene 1] schriftelijk bericht heeft gehad van het kennelijke voornemen van de Officier van Justitie om (alleen het frame van) de motorfiets terug te geven aan, de kennelijk door de Officier van Justitie als rechthebbende aangemerkte, klager. Daarover klagen de middelen begrijpelijk genoeg niet.
9. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Officier van Justitie ten aanzien van de gehele motorfiets had moeten beslissen dat daarmee gehandeld moet worden als was deze aan het verkeer onttrokken. Nu niet blijkt dat [betrokkene 1] afstand heeft gedaan van de motorfiets, is dat oordeel niet begrijpelijk. Het enkele feit dat (zoals de Rechtbank oordeelde) de motorfiets in zijn geheel als gestolen moet worden aangemerkt, kan geen grond opleveren voor de in art. 116 lid 2 sub c Sv genoemde beslissing.(5) Het tweede middel, dat klaagt over de toepassing van een onjuiste maatstaf, is derhalve gegrond.
10. Ik merk daarbij nog op dat de beslissing als bedoeld in art. 116 lid 2 sub c Sv niet alleen vereist dat de beslagene afstand doet van het voorwerp, maar ook dat hij verklaart dat het hem toebehoort. Die verklaring zal daarbij naar ik meen aannemelijk moeten zijn.