ECLI:NL:PHR:2008:BG1654
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft verdachte op 27 maart 2007 voor 1. "medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van het opzettelijk witwassen van geld, strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 1 van de landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld" en 2. en 3. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960, telkens strafbaar gesteld bij artikel 11 van die landsverordening in verband met artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.
2. Mr. J.J. Oedjaghir, advocaat op Curaçao, heeft cassatie ingesteld. Mr.G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1. niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Met name zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat de betrokken gelden door misdrijf zijn verkregen.
3.2. Het hof heeft ten laste van verdachte onder 1. bewezenverklaard dat:
"1. dat hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 24 januari 2006 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk witwassen van geld, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders in de genoemde periode geldbedragen (door middel van meerdere door hen, verdachte en zijn mededaders, - op Curaçao ontvangen - moneytransfers via Western Union) verworven en voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen wisten dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen;"
3.3. 's Hofs bewijsmiddelenbijlage houdt het volgende in:
"Feit 1:
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep:
Het klopt dat ik in de periode van 1 januari 2002 tot en met 24 januari 2006 vanuit Nederland Euro 21.000,- via Western Union naar Curaçao heb verzonden. Dat geld was bestemd voor [betrokkene 1]. De schoonzus van [betrokkene 1] heeft het geld gebracht. [betrokkene 1] woont op Bonaire.
Het is juist dat ik dat bedrag in vier delen heb gesplitst. [betrokkene 1] heeft me gevraagd om het geld naar Curaçao te verzenden. Ik heb toen [betrokkene 2] op Curaçao gebeld en gevraagd om buurtjongens te zoeken, die tegen betaling de door mij via Western Union verzonden gelden zouden ontvangen.
Ik heb vanuit Nederland gelden van mijn vrouw [betrokkene 3] en haar zus [betrokkene 4], in de gedeeltes verzonden, via Western Union heb ontvangen.
Vanuit Sint Maarten heb ik van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] via verschillende money transfers gelden ontvangen.
Mijn vriend [betrokkene 7], die in Suriname woont, heeft mij US$ 13.000,- toegestuurd via money transfers.
Een zaakproces-verbaal Mero/ZO1/2006 met bijlagen, waarvan na te noemen bijlagen deel uitmaken.
Blijkens het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal heeft de verdachte [verdachte] in de periode van 21 januari 2002 tot en met 29 december 2005 op Curaçao een bedrag van ongeveer ANG 73.845,17 via money transfers ontvangen. Via [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11], [betrokkene 12] en [betrokkene 13], die allen hebben verklaard door [betrokkene 2] te zijn benaderd om geld via Western Union op hun naam te hebben ontvangen, welke gelden tenslotte blijkens verklaringen, tapgesprekken en onderzoek ten gunste kwamen van de verdachte [verdachte] tot een bedrag van ANG 506.553,20. Door [betrokkene 3] en haar zussen [betrokkene 14] en [betrokkene 15] en door [betrokkene 2] werd ANG 575.283,45 ontvangen, ten gunste van verdachte [verdachte]. [betrokkene 3] heeft ANG 18.000 gezonden naar [betrokkene 16], welke bedrag ten gunste van verdachte [verdachte] is gekomen. Totaal van deze geldsommen is ANG 1.173.681,82.
(bijlage 79):
Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven:
"[betrokkene 7] uit Suriname had US$ 13.000,- naar mij verzonden en het geld werd in delen door drie personen, waaronder [betrokkene 11] en ik, opgehaald."
(bijlage 80):
Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven:
"[...]" is een bekende van mij. Ik heb persoonlijke en telefonische contacten met hem. Ik heb telefonisch met hem gesproken over geld dat voor mij bestemd was. Ik heb met mijn broer [betrokkene 17] telefonisch gesproken over het ophalen van geld.
Bewijsoverweging:
Uit het dossier blijkt dat verdachte was betrokken bij verschillende drugstransporten. Degenen die hij gebruikte om de moneytransfers te verrichten waren eveneens veelal betrokken bij drugshandel. Verzending van geld via moneytransfers op de schaal die is gebleken, is duur en typerend voor bet witwassen van drugsgelden. Aannemelijk is daarom dat de getransfereerde gelden opbrengsten waren van drugsmisdrijven. Hierbij neemt het Hof tevens in aanmerking dat de verklaring van de verdachte over de afkomst van de gelden, dat het spaargeld betrof van zijn reguliere inkomsten, niet door de gebleken feiten is gestaafd en rekentechnisch ook ongeloofwaardig is, zodat die stelling als onaannemelijk zal worden verworpen."
3.4. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat uit wettige bewijsmiddelen moet blijken dat het geld uit misdrijf afkomstig is en dat derhalve uit de gebezigde bewijsmiddelen moet blijken dat [betrokkene 8], [betrokkene 10], [betrokkene 11], [betrokkene 12], [betrokkene 13], [betrokkene 3] en [betrokkene 2], zijnde de personen die de moneytransfers zouden hebben verricht, betrokken waren bij de drugshandel, hetgeen echter niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Volgens het middel zou - onder verwijzing naar de zaken Geerings en Minelli(1) - de redenering zoals die van het hof 'dat het niet anders kan dan dat het van misdrijf afkomstig geld betreft' neerkomen op 'voicing of suspicions', onverenigbaar met art 6 EVRM, temeer nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de personen die bij de moneytransfers betrokken waren schuldig zijn aan drugshandel.
3.5. Na de inwerkingtreding op 18 augustus 2001 van de Landsverordening van 3 augustus 2001, PB 2001, 77, tot wijziging van de Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld luidden art. 1. en 2. ten tijde van het plegen van het delict en voor zover hier relevant, als volgt:
"1. Als schuldig aan het opzettelijk witwassen van geld, geldswaardige papieren, vorderingen of op geld waardeerbare goederen wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hetzij met een geldboete van ten hoogste een miljoen gulden, hetzij met beide straffen:
a. een ieder die geld, geldswaardige papieren, vorderingen of op geld waardeerbare goederen verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het geld, de papieren, de vorderingen of de goederen wist of moest weten dat deze door misdrijf waren verkregen;"
Art. 2 luidt als volgt:
"Een ieder die van het plegen van opzettelijk witwassen van geld, geldswaardige papieren, vorderingen of op geld waardeerbare goederen een gewoonte maakt, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren, hetzij met een geldboete van ten hoogste een miljoen en tweehonderdvijftigduizend gulden, hetzij met beide straffen."
3.6. In een recent arrest heeft de Hoge Raad ten aanzien van de (in het Wetboek van Strafrecht opgenomen) witwasbepalingen overwogen dat uit de wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat de wetgever niet heeft beoogd andere beperkingen aan te leggen wat betreft het gronddelict waaruit het voorwerp van de witwashandelingen afkomstig is, dan dat het moet gaan om een misdrijf (HR 7 oktober 2008, LJN BD2774, rov.