Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2006-06-13
ECLI:NL:PHR:2006:AV8535
Strafrecht
4,018 tokens
Conclusie
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij, voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen, de bovengenoemde verdachte is vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde "doodslag", en wegens (1 subsidiair) "poging tot doodslag" alsmede (3) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen" veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, met bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat-generaal bij het Hof, die bij schriftuur een cassatiemiddel heeft voorgesteld
3. De vrijspraak ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde 'doodslag' komt voort uit overwegingen betreffende het causaal verband tussen verzoekers handelen en het intreden van de dood. Het middel komt er op neer dat het Hof in deze overwegingen vaste rechtspraak heeft miskend, en bovendien verklaringen van deskundigen heeft gedenatureerd.
4. De desbetreffende overwegingen luiden:
"Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verdediging heeft, zo begrijpt het hof, de vraag aan de orde gesteld of het causale verband tussen de door de verdachte gestelde handelingen en het intreden van de dood van het slachtoffer vastgesteld kan worden.
Het hof stelt daartoe de volgende feiten vast.
Verdachte heeft in de late avond van 27 mei 2004 [slachtoffer] met een mes in de rug gestoken, ten gevolge waarvan laatstgenoemde een klaplong rechts en een bloeding in de borstholte rechts heeft opgelopen. [Slachtoffer] is op 28 mei 2004 opgenomen in het VU Medisch Centrum.
Op 2 juni 2004 heeft [slachtoffer] vervolgens in stabiele toestand het ziekenhuis verlaten.
Op 8 juni 2004 is [slachtoffer] wederom opgenomen in het ziekenhuis, waarna hij op 23 juni 2004 is overleden.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van een rapport van 10 augustus 2004 van dr. B. Kubat, arts-patholoog, betreffende de in- en uitwendige schouwing van het lijk van [slachtoffer], terwijl dr. Kubat voorts door zowel de rechtbank als door het hof ter terechtzitting als deskundige is gehoord.
Dr. Kubat komt in voornoemd rapport tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van algeheel orgaanfalen bij een ernstige bloedvergiftiging. Zij schrijft voorts dat een relatie tussen de steekletsels en het optreden van de infectie, te weten een gegeneraliseerde bacteriële infectie (bloedvergiftiging), op grond van de sectiebevindingen niet met zekerheid is te leggen. Naar het hof begrijpt, uit voornoemd rapport, heeft een zeer ernstige longontsteking met pusvorming op basis van een bacterie (pseudomonas aeruginosa) en de daardoor ontstane bacteriële infectie (bloedvergiftiging) - in combinatie met de slechte lichamelijke conditie waarin [slachtoffer] reeds verkeerde voor het steekincident - uiteindelijk tot algeheel orgaanfalen en de dood geleid. Dr. Kubat heeft verklaard dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat de infectie is ontstaan door het steken met het mes.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de zich in het dossier bevindende stukken betreffende het tweede verblijf van [slachtoffer] in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis (SLAZ) en het Kennemer Gasthuis. De behandelend longarts in het SLAZ, dr. B.T.J. van den Berg, is zowel bij de rechtbank als bij het hof ter terechtzitting als deskundige gehoord.
Ook dr. Van den Berg heeft verklaard dat niet met volledige zekerheid is vast te stellen hoe de ontsteking is ontstaan en daaraan ter terechtzitting in hoger beroep toegevoegd dat het in theorie mogelijk is dat [slachtoffer] de bacterie pseudomonas aeruginosa (waardoor de longontsteking en de bacteriële infectie zou zijn ontstaan) heeft opgedaan in de periode gelegen tussen het ontslag uit het VU Medisch Centrum en de opname in het SLAZ.
Gelet op het voorgaande blijft de mogelijkheid bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door het toebrengen van de messteek door verdachte, voornoemde bacteriële infectie heeft opgelopen, bijvoorbeeld buiten het ziekenhuis nadat hij op 2 juni 2004 was ontslagen. Om die reden kan het hof het causale verband tussen de gedraging van verdachte en het intreden van de dood van het slachtoffer niet met zekerheid vaststellen en kan naar het oordeel van het hof de dood van [slachtoffer] niet redelijkerwijs als gevolg van de tenlastegelegde gedraging aan de verdachte worden toegerekend."
5. Causaliteit tussen gedraging en gevolg dient naar vaste rechtspraak te worden bepaald aan de hand van "redelijke toerekening". Indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijk resultaat teweeg te brengen, doorbreken tussenkomende factoren de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg.
6. Dit komt naar voren in klassiekers als "letale longembolie" (HR NJ 1979, 60: een massale longembolie, voortgekomen uit het letsel dat is ontstaan bij een door verkeersschuld ontstane botsing, is niet van zodanige aard dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs niet meer als gevolg van de botsing kan worden gezien) en "aortaperforatie" (HR NJ 1981, 534; ook indien de dood haar onmiddellijke oorzaak zou hebben gevonden in medische nalatigheid waardoor enkele perforaties van de aorta over het hoofd zijn gezien, is er redelijkerwijs nog altijd causaal verband te leggen tussen de messteek die de perforaties veroorzaakte en de dood. Zelfs indien het slachtoffer in de hand heeft gewerkt dat medische zorg, en behandeling van het levensbedreigend letsel, is uitgebleven wordt de causaliteitsketen tussen zijn dood en het toebrengen van dat letsel niet doorbroken, HR NJ 1997, 563.
7. Een recenter voorbeeld is te vinden in HR NJ 2001, 340: een hoogbejaarde en met hartklachten kampende man wordt slachtoffer van een overval waarbij hij met geweld werd geconfronteerd en vastgebonden werd achtergelaten. Na ontdekking werd hij per ambulance overgebracht naar een ziekenhuis, alwaar hij overleed. Zelfs indien leeftijd en medische predispositie zouden hebben meegebracht dat het overlijden in rechtstreekse zin is te wijten aan de emoties van het vervoer in de ambulance en de ziekenhuisopname, is dat geen verhindering om de dood toe te rekenen aan de gewelddadige overval.
8. Er ligt natuurlijk ergens wel een grens, waarbuiten niet meer kan worden gezegd dat het gevolg in redelijkheid is te verbinden aan de aard van de gedraging. Een indicatie voor deze begrenzing meen ik te kunnen vinden in HR NJ 2004, 512, waarbij het ging om een verkeersongeval met tragische afloop. De tenlastelegging hield in essentie in dat het ongeval was veroorzaakt door voorafgaand alcoholgebruik en een te hoge snelheid. Van 'dood door verkeersschuld' sprak het Hof vrij, overwegende dat de botsing volgens deskundigen ook kon zijn ontstaan indien de verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden en zijn auto (ook overigens) adequaat had bestuurd.
9. Deze vrijspraak hield in cassatie stand. In algemene zin kan naar mijn inzicht worden gezegd dat het causaal verband doorbroken raakt indien er een reële mogelijkheid is dat het gevolg ook zou zijn ingetreden indien de als strafbaar aan te merken gedraging was uitgebleven. Dan kan men als het ware die als strafbaar aan te merken gedraging wegdenken, en vaststellen dat een min of meer aanmerkelijk risico van intreden van het gevolg was gelegen in andere omstandigheden dan een gedraging die naar haar aard geschikt is dat gevolg teweeg te brengen.
10.
Conclusie
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij, voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen, de bovengenoemde verdachte is vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde "doodslag", en wegens (1 subsidiair) "poging tot doodslag" alsmede (3) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen" veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, met bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat-generaal bij het Hof, die bij schriftuur een cassatiemiddel heeft voorgesteld
3. De vrijspraak ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde 'doodslag' komt voort uit overwegingen betreffende het causaal verband tussen verzoekers handelen en het intreden van de dood. Het middel komt er op neer dat het Hof in deze overwegingen vaste rechtspraak heeft miskend, en bovendien verklaringen van deskundigen heeft gedenatureerd.
4. De desbetreffende overwegingen luiden:
"Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verdediging heeft, zo begrijpt het hof, de vraag aan de orde gesteld of het causale verband tussen de door de verdachte gestelde handelingen en het intreden van de dood van het slachtoffer vastgesteld kan worden.
Het hof stelt daartoe de volgende feiten vast.
Verdachte heeft in de late avond van 27 mei 2004 [slachtoffer] met een mes in de rug gestoken, ten gevolge waarvan laatstgenoemde een klaplong rechts en een bloeding in de borstholte rechts heeft opgelopen. [Slachtoffer] is op 28 mei 2004 opgenomen in het VU Medisch Centrum.
Op 2 juni 2004 heeft [slachtoffer] vervolgens in stabiele toestand het ziekenhuis verlaten.
Op 8 juni 2004 is [slachtoffer] wederom opgenomen in het ziekenhuis, waarna hij op 23 juni 2004 is overleden.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van een rapport van 10 augustus 2004 van dr. B. Kubat, arts-patholoog, betreffende de in- en uitwendige schouwing van het lijk van [slachtoffer], terwijl dr. Kubat voorts door zowel de rechtbank als door het hof ter terechtzitting als deskundige is gehoord.
Dr. Kubat komt in voornoemd rapport tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van algeheel orgaanfalen bij een ernstige bloedvergiftiging. Zij schrijft voorts dat een relatie tussen de steekletsels en het optreden van de infectie, te weten een gegeneraliseerde bacteriële infectie (bloedvergiftiging), op grond van de sectiebevindingen niet met zekerheid is te leggen. Naar het hof begrijpt, uit voornoemd rapport, heeft een zeer ernstige longontsteking met pusvorming op basis van een bacterie (pseudomonas aeruginosa) en de daardoor ontstane bacteriële infectie (bloedvergiftiging) - in combinatie met de slechte lichamelijke conditie waarin [slachtoffer] reeds verkeerde voor het steekincident - uiteindelijk tot algeheel orgaanfalen en de dood geleid. Dr. Kubat heeft verklaard dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat de infectie is ontstaan door het steken met het mes.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de zich in het dossier bevindende stukken betreffende het tweede verblijf van [slachtoffer] in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis (SLAZ) en het Kennemer Gasthuis. De behandelend longarts in het SLAZ, dr. B.T.J. van den Berg, is zowel bij de rechtbank als bij het hof ter terechtzitting als deskundige gehoord.
Ook dr. Van den Berg heeft verklaard dat niet met volledige zekerheid is vast te stellen hoe de ontsteking is ontstaan en daaraan ter terechtzitting in hoger beroep toegevoegd dat het in theorie mogelijk is dat [slachtoffer] de bacterie pseudomonas aeruginosa (waardoor de longontsteking en de bacteriële infectie zou zijn ontstaan) heeft opgedaan in de periode gelegen tussen het ontslag uit het VU Medisch Centrum en de opname in het SLAZ.
Gelet op het voorgaande blijft de mogelijkheid bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door het toebrengen van de messteek door verdachte, voornoemde bacteriële infectie heeft opgelopen, bijvoorbeeld buiten het ziekenhuis nadat hij op 2 juni 2004 was ontslagen. Om die reden kan het hof het causale verband tussen de gedraging van verdachte en het intreden van de dood van het slachtoffer niet met zekerheid vaststellen en kan naar het oordeel van het hof de dood van [slachtoffer] niet redelijkerwijs als gevolg van de tenlastegelegde gedraging aan de verdachte worden toegerekend."
5. Causaliteit tussen gedraging en gevolg dient naar vaste rechtspraak te worden bepaald aan de hand van "redelijke toerekening". Indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijk resultaat teweeg te brengen, doorbreken tussenkomende factoren de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg.
6. Dit komt naar voren in klassiekers als "letale longembolie" (HR NJ 1979, 60: een massale longembolie, voortgekomen uit het letsel dat is ontstaan bij een door verkeersschuld ontstane botsing, is niet van zodanige aard dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs niet meer als gevolg van de botsing kan worden gezien) en "aortaperforatie" (HR NJ 1981, 534; ook indien de dood haar onmiddellijke oorzaak zou hebben gevonden in medische nalatigheid waardoor enkele perforaties van de aorta over het hoofd zijn gezien, is er redelijkerwijs nog altijd causaal verband te leggen tussen de messteek die de perforaties veroorzaakte en de dood. Zelfs indien het slachtoffer in de hand heeft gewerkt dat medische zorg, en behandeling van het levensbedreigend letsel, is uitgebleven wordt de causaliteitsketen tussen zijn dood en het toebrengen van dat letsel niet doorbroken, HR NJ 1997, 563.
7. Een recenter voorbeeld is te vinden in HR NJ 2001, 340: een hoogbejaarde en met hartklachten kampende man wordt slachtoffer van een overval waarbij hij met geweld werd geconfronteerd en vastgebonden werd achtergelaten. Na ontdekking werd hij per ambulance overgebracht naar een ziekenhuis, alwaar hij overleed. Zelfs indien leeftijd en medische predispositie zouden hebben meegebracht dat het overlijden in rechtstreekse zin is te wijten aan de emoties van het vervoer in de ambulance en de ziekenhuisopname, is dat geen verhindering om de dood toe te rekenen aan de gewelddadige overval.
8. Er ligt natuurlijk ergens wel een grens, waarbuiten niet meer kan worden gezegd dat het gevolg in redelijkheid is te verbinden aan de aard van de gedraging. Een indicatie voor deze begrenzing meen ik te kunnen vinden in HR NJ 2004, 512, waarbij het ging om een verkeersongeval met tragische afloop. De tenlastelegging hield in essentie in dat het ongeval was veroorzaakt door voorafgaand alcoholgebruik en een te hoge snelheid. Van 'dood door verkeersschuld' sprak het Hof vrij, overwegende dat de botsing volgens deskundigen ook kon zijn ontstaan indien de verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden en zijn auto (ook overigens) adequaat had bestuurd.
9. Deze vrijspraak hield in cassatie stand. In algemene zin kan naar mijn inzicht worden gezegd dat het causaal verband doorbroken raakt indien er een reële mogelijkheid is dat het gevolg ook zou zijn ingetreden indien de als strafbaar aan te merken gedraging was uitgebleven. Dan kan men als het ware die als strafbaar aan te merken gedraging wegdenken, en vaststellen dat een min of meer aanmerkelijk risico van intreden van het gevolg was gelegen in andere omstandigheden dan een gedraging die naar haar aard geschikt is dat gevolg teweeg te brengen.
10.