Rechtspraak
{'name': 'Parket bij de Hoge Raad', 'resource_id': 'http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket
{'value': '2005-03-2
ECLI:NL:PHR:2005:AS2757
{'name': 'Strafrecht', 'resource_id': 'http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht'}
9,581 tokens
Conclusie
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, 2. primair en 3. primair telkens poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en 4. primair afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en elf maanden, met onttrekking aan het verkeer als in het arrest omschreven.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken [medeverdachte 1] onder griffienummer 02175/04 en [medeverdachte 2] onder griffienummer 02176/04 waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Namens verdachte heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, tien middelen van cassatie voorgesteld.
4. In het eerste middel wordt naar voren gebracht dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM en 14 IVBPR is overschreden omdat vanaf het moment waarop beroep in cassatie werd ingesteld teveel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.
5. Namens verdachte is op 5 december 2003 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 6 augustus 2004 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat er tussen het instellen van het beroep in cassatie en de binnenkomst van de stukken meer dan de in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH, rov. 3.3 bedoelde maximale termijn van acht maanden is verstreken en de redelijke termijn dus in zoverre is overschreden.
6. Te verwachten valt dat de Hoge Raad de onderhavige zaak afdoet binnen een termijn van zestien maanden na het instellen van het beroep in cassatie. Bedoelde overschrijding zal dan ook worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening.
7. Het middel is tevergeefs voorgedragen..
8. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat na de inwerkingtreding van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (voortaan: Wet BOB) d.d. 1 februari 2000, een eventuele verlenging van een onder de oude regeling gegeven machtiging tot het opnemen van telecommunicatie en het vorderen van gegevens met betrekking tot het telecommunicatieverkeer (artikelen 125f (oud) en 125g (oud) van het Wetboek van Strafvordering) dient te voldoen aan de eisen van de nieuwe wet, te weten de eisen gesteld door de artikelen 126m tot en met 126t van het Wetboek van Strafvordering, ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.
9. Het Hof heeft over dit verweer als volgt overwogen en beslist:
"B3
Uit het onderzoek ter terechtzitting is ten aanzien van het opnemen van telecommunicatie gebleken van de navolgende omstandigheden.
Uit een ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Midden en West Brabant d.d. 26 juni 2000, blijkt dat tegen verdachte ten aanzien van de onderstaande telefoonaansluitingen voor de hieronder vermelde perioden machtigingen ex artikel 125f (oud) en/of 125g (oud) van het Wetboek van Strafvordering zijn gegeven, telkens onder vermelding van één G.V.O. nummer, te weten: 99/1392. Bij dit proces-verbaal zijn de door de rechter-commissaris gegeven beschikkingen als bijlage gevoegd. De navolgende beschikkingen werden - voor zover hier van belang - verleend:
- voor de telefoonaansluiting 06-[001] een tweetal beschikkingen gedurende de periode 24 november 1999 tot 19 januari 2000;
- voor de telefoonaansluiting 06-[002] een tweetal beschikkingen gedurende de periode 21 december 1999 tot 15 februari 2000.
B4
Voor zover hier van belang houdt artikel V (voorheen: artikel IV) van de Wet BOB (wet van 27 mei 1999, Stb. 1999, 245) het volgende in:
2. In zaken (onderstreping hof) waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is bepaald dat gegevensverkeer wordt afgetapt en opgenomen of gevorderd dat inlichtingen terzake van gegevensverkeer worden verstrekt, blijven de artikelen 125f, 125g en 125h van het Wetboek van Strafvordering(1) van kracht.
De Memorie van Toelichting op dat artikel IV van de Wet BOB (Tweede Kamer, 1996-1997, 25403, nr. 3, pp. 95 en 96) houdt - voor zover hier van belang - in als volgt:
Het tweede lid geeft een voorschrift voor de gevallen waarin de rechter-commissaris op het moment van inwerking treden van deze wet telecommunicatie aftapt of inlichtingen terzake van gegevensverkeer vordert(2). Bepaald is, dat de artikelen 125f, 125g en 125h in die gevallen van toepassing blijven. Deze bepaling verbiedt niet, dat een tap op basis van het oude regime wordt beëindigd, en op basis van het nieuwe regime aansluitend een nieuwe tap wordt gestart. Nodig is dat evenwel niet: de tap kan in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek worden afgewikkeld.
B5
Het hof overweegt dat uit het voorgaande volgt dat het de rechter-commissaris vrij stond om een aanvraag van verlenging van tap te beoordelen naar de maatstaven gesteld door de artikelen 125f (oud) en 125g (oud) van het Wetboek van Strafvordering, dan wel te beoordelen naar de maatstaven onder de nieuwe regeling, voor zover het gaat om taps die vallen onder de afwikkeling van een bepaald gerechtelijk vooronderzoek. In dat licht moet ook Artikel V van de Wet BOB worden gezien nu daarin wordt gesproken over zaken.
Aangezien de hierboven onder B3 opgesomde beschikkingen - ook voor zover zij eerst na 1 februari 2000 werden afgegeven - steeds werden afgegeven in het kader van dezelfde zaak en hetzelfde gerechtelijk vooronderzoek, kan niet worden gezegd dat op onrechtmatige wijze werd getapt."
10. Volgens de toelichting op het middel heeft de wetgever in art. V BOB alleen een overgangsregeling willen treffen voor taps die liepen ten tijde van de inwerkingtreding van art. 126m Sv. Deze taps, aldus de toelichting op het middel, kunnen, zoals volgt uit de Memorie van toelichting, worden afgewikkeld onder het oude regime dan wel worden beëindigd als de nieuwe wet in werking treedt om volgens de regels van het nieuwe regime te worden voortgezet.
11. Naast het door het Hof genoemde art. V BOB en de door het Hof geciteerde toelichting is voor de beoordeling van het middel van belang art. X van de eveneens op 1 februari 2000 in werking getreden Wet van 27 mei 1999 tot partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering (herziening van het gerechtelijk vooronderzoek), Stb. 243 (hierna: Wet herziening gerechtelijk vooronderzoek), luidende:
"In strafzaken waarin ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet reeds een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld of dit gerechtelijk vooronderzoek nog niet onherroepelijk is gesloten, blijven de op dat tijdstip vervallen bepalingen van toepassing op de wijze waarop het gerechtelijk vooronderzoek wordt verricht en gesloten."
Deze bepaling is door de wetgever verder niet toegelicht. Voorts is van belang het bepaalde in art. 125g (oud) Sv:
"Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek is de rechter-commissaris bevoegd, indien het onderzoek dit dringend vordert en het een misdrijf betreft, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te bepalen dat gegevensverkeer via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten, ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de verdachte daaraan deelneemt, door een opsporingsambtenaar wordt afgetapt of opgenomen.
Van het aftappen of opnemen wordt binnen twee maal vierentwintig uren proces-verbaal opgemaakt."
12. H.H.J. Knol beschrijft de betekenis van laatstgenoemde overgangsbepaling aldus:(3) "Kort gezegd komt dit erop neer dat voor een g.v.o. dat vóór 1 februari 2000 is geopend en dat nog niet onherroepelijk is gesloten de oude regels blijven gelden. Op een dergelijk g.v.o. zijn dus de oude regelingen met betrekking tot o.a. de telefoontap, het doen van huiszoeking (met verlof van de rechtbank!) en de regels die betrekking hebben op de sluiting van het g.v.o.
Conclusie
van toepassing."
13. Deze opvatting onderschrijf ik. Het is een uitleg van art. X Wet herziening gerechtelijk vooronderzoek, die aan de behoefte van de praktijk tegemoet komt. Het is immers allesbehalve praktisch om tijdens een lopend gerechtelijk vooronderzoek het wettelijk regime zo ingrijpend te doen wijzigen als met de Wet herziening gerechtelijk vooronderzoek is geschied. Dat heeft de wetgever kennelijk met genoemde overgangsbepaling willen voorkomen. De tekst van de overgangsbepaling laat daarover in mijn ogen eigenlijk ook geen twijfel bestaan. Een vraagteken zou eventueel kunnen worden gezet bij het begrip "wijze van onderzoek" dat beperkt zou kunnen worden opgevat in die zin dat dit begrip alleen betrekking heeft op het bepaalde in titel III van Boek I Sv. Nog daargelaten dat de wetsgeschiedenis voor een dergelijke beperkte uitleg geen aanwijzingen bevat, ligt een dergelijke beperkte uitleg ook daarom niet voor de hand omdat de Wet herziening gerechtelijk vooronderzoek vooral voorziet in een ingrijpende herziening van de niet in genoemde titel geregelde bevoegdheden van de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en de overgangsregeling dus juist in die wijzigingen moet voorzien. Voor wat betreft het "tappen" komt daar nog bij dat zoals de aanhef van art. 125g (oud) Sv laat zien het daarbij gaat om een bevoegdheid die alleen tijdens het gerechtelijk vooronderzoek kan worden uitgeoefend en ook daarom onder "wijze van onderzoek" zal moeten worden begrepen.
14. Het ligt allesbehalve voor de hand voor de uitleg van art. V Wet BOB een uitleg te kiezen die leidt tot een ander resultaat dan het bepaalde in art. X Wet herziening gerechtelijk vooronderzoek. Daar komt nog bij dat laatstgenoemde bepaling specifiek is toegespitst op het gerechtelijk vooronderzoek, eerstgenoemde bepaling niet. Het Hof heeft dus een juiste uitleg gegeven aan art. V Wet BOB.
15. Het middel faalt.
16. Het derde middel klaagt dat de bewijsmotivering van de onder 2 bewezenverklaarde poging tot afpersing onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het ter zake van feit 2 gebezigde bewijsmiddel 11 inhoudt dat het slachtoffer [slachtoffer 3] een geldbedrag aan [medeverdachte 1] heeft betaald van naar schatting fl. 2.000,--.
17. Het onder 2 bewezenverklaarde houdt kort gezegd in dat verdachte samen met anderen heeft gepoogd van [slachtoffer 3] bedragen van fl. 50.000 en fl. 5000 af te persen. Bewijsmiddel 11 houdt in als tegenover de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 3]:
"U houdt mij mijn verklaring voor die ik op 16 mei 2000 bij de politie tegenover de verbalisanten Wouters en Vergunst heb afgelegd. U vraagt mij of ik geld heb betaald aan [medeverdachte 1]. Ja, het klopt dat ik geld heb betaald aan [medeverdachte 1]. Ik denk dat dit fl. 2.000,- was."
18. In zijn verklaring van 16 mei 2000 vertelt [slachtoffer 3], dat [medeverdachte 1] hem heeft gevraagd hun organisatie met fl. 5.000,- te steunen doch dat hij [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij dat bedrag niet had en dat niet kon betalen.
19. Bewijsmiddel 11 draagt aan het bewijs van de bewezenverklaarde poging bij doordat het enerzijds laat zien hoe ernstig de als feit 2 bewezenverklaarde bedreigingen waren, en anderzijds doordat er mede uit volgt dat deze bedreigingen, zoals bewezenverklaard, niet tot afgifte van een bedrag van fl. 5.000,- hebben geleid omdat [slachtoffer 3] een zo groot bedrag niet bezat. Anders dan het middel wil, kan bewijsmiddel 11 dus wel aan het bewijs bijdragen en maakt het de bewijsmotivering van feit 2 niet onbegrijpelijk.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof onbeantwoord heeft gelaten het onder meer op feit 2 betrekking hebbende verweer dat het verband ontbreekt tussen het door verdachte en/of zijn mededaders jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] toegepaste geweld of de bedreiging daarmee en de poging [slachtoffer 3] te bewegen tot betaling van fl. 5.000,--, althans dat er geen bewijs is voor het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling met fl. 5.000,--. In elk geval zou het Hof de bewezenverklaring van de poging tot afpersing van fl. 5.000,- ontoereikend hebben gemotiveerd.
22. Aan de bewezenverklaring van het als feit 2 tenlastegelegde medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 3] voor een bedrag van fl. 50.000,-- en/of fl. 5.000,-- heeft het Hof blijkens de bewijsmiddelen onder meer de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd:
- in de dagen voorafgaand aan 30 oktober 1999 is [slachtoffer 3] door [medeverdachte 1] gebeld met een verzoek om geld, terwijl [slachtoffer 3] toen "de boot (heeft) afgehouden" (bewijsmiddel 6);
- op 30 oktober 1999 omstreeks 23.30 uur is een groep personen waartoe [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (maar niet verdachte) behoorden de toegang tot de discotheek van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] geweigerd, omdat volgens [slachtoffer 3] "dit groepje erop uit is om problemen te maken" (zie onder meer de bewijsmiddelen 2 en 6), waarbij [medeverdachte 2] [slachtoffer 4] een klap heeft gegeven (bewijsmiddelen 2, 13 en 14) en waarbij vanuit de groep bedreigingen zijn geuit tegen [slachtoffer 4] (zie bewijsmiddel 3) en [slachtoffer 3] (bewijsmiddel 10);
- na dit incident is [slachtoffer 3] naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan, waarbij [medeverdachte 1] tegen hem heeft gezegd dat "zij" hem dood kunnen schieten (bewijsmiddel 5);
- na het incident zijn [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de [...]-bar bezocht door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 3), waarbij verdachte naar aanleiding van het incident tegen [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij van Dev-Sol/DHKP-C was en dat [slachtoffer 4] de jongens van die partij met rust moest laten en dat wanneer hij dat niet deed hij dan wel wist waar de DHKP-C voor staat en waartoe deze partij in staat is (bewijsmiddelen 2 en 3);
- vervolgens is [slachtoffer 3] tot twee keer toe in de [...]-bar aangesproken door [medeverdachte 1], waarbij deze hem een keer heeft verzocht om zijn organisatie met een bedrag van fl. 5.000,-- te steunen, hetgeen hij toen heeft geweigerd (bewijsmiddel 10) terwijl [medeverdachte 1] bij een andere ontmoeting naar aanleiding van het incident bij de discotheek zei dat zijn organisatie door de vechtpartij en de aanhouding van één van de leden van de groepering in haar eer was aangetast en dat de organisatie had besloten om [slachtoffer 3] een boete op te leggen van fl. 40.000,-- of fl. 50.000,-- (bewijsmiddelen 10 en 26).
23. In deze inhoud van de bewijsmiddelen ligt, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, besloten dat verdachte en/of zijn mededaders, zoals de bewezenverklaring het samenvat, "een bedreigende en intimiderende situatie/sfeer [hebben] doen ontstaan/opgeroepen en in stand gehouden", door [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] meerdere keren te bedreigen en door het eenmaal daadwerkelijk toepassen van geweld tegen [slachtoffer 4] waarbij ook [slachtoffer 3] aanwezig was, waarna vervolgens één van hen, onmiskenbaar gebruik makend van bedoelde situatie/sfeer, de bedreigde [slachtoffer 3] om fl. 5.000,-- heeft gevraagd.
24. Tegen deze achtergrond getuigt het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel van het Hof dat er verband bestaat tussen enerzijds het door verdachte en/of zijn mededaders jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] toegepaste geweld en de dreiging daarmee en anderzijds de poging [slachtoffer 3] te bewegen tot betaling van fl. 5.000,-- niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel evenmin onbegrijpelijk. Dat geldt eveneens voor het oordeel dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden zich wederrechtelijk te bevoordelen met fl. 5.000,--.
25.
Conclusie
Nu het in het middel bedoelde verweer(4), waarop het Hof voor wat betreft de betwisting van het bewijs van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling reeds daarom niet behoefde in te gaan omdat het ter terechtzitting van het Hof niet met zoveel woorden is gevoerd, zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen was het Hof niet gehouden om het verweer apart te bespreken.
26. Het middel faalt.
27. Het vijfde middel houdt in dat ten aanzien van verdachte het als feit 2 bewezenverklaarde medeplegen aan poging tot afpersing en het opzet daarop niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daartoe wordt er in de toelichting op het middel op gewezen dat de verdachte niet aanwezig was bij en ook niet wist van de vraag van [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 3] om fl. 5.000,-- te betalen noch aanwezig was bij en wist van de `boeteoplegging' van fl. 50.000,-- van [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 3].
28. Volgens de gebezigde bewijsmiddelen was verdachte er reeds voor de vechtpartij op 30 oktober 1999 van op de hoogte dat [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 3] geld had gevraagd en vervulde hij daarbij een leidinggevende rol ten opzichte van [medeverdachte 1] (bewijsmiddelen 23, 24 en 25), heeft de verdachte zich tegenover [slachtoffer 3] gepresenteerd als deel uitmakend van DevSol en staande boven de jongens uit Bergen op Zoom, kennelijk [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], (bewijsmiddelen 2 en 3) en heeft hij de poging tot afpersing van geldbedragen van [slachtoffer 3] kennelijk voor zijn rekening genomen en zich daarover nog meermalen met [medeverdachte 1] verstaan (bewijsmiddelen 30 en 32).
29. Voorts is van belang dat verdachte zijn steentje heeft bijgedragen aan het scheppen van een bedreigende en intimiderende situatie/sfeer jegens [slachtoffer 3]. Zo houden de bewijsmiddelen 1 en 2 onder meer in dat verdachte er op gewezen heeft dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] DevSol moesten kennen (hetgeen door [slachtoffer 4] werd gezien als een waarschuwing), dat hij tegen [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij "in de toekomst geen problemen meer wil, niet van de jongens uit Bergen op Zoom en ook niet van mij, en dat ik wel wist waar DevSol voor staat." (bewijsmiddel 2). Bewijsmiddel 3 houdt als verklaring van [slachtoffer 4] bovendien in:
"Toen zei ik tegen [betrokkene 3] dat ik mijn brood verdien met die disco en dat ik niet kan toestaan dat iemand dat afpikt. [Betrokkene 3] zei dat hij die intentie ook niet had. Hij zei dat het beter was als we in de toekomst zouden samenwerken. Daarna volgde er een fellere discussie. Hij zei 'Zoals u weet ben ik lid van de DHKP-C' en ik vroeg hem daarop wat ik daarmee moest. Hij zei toen dat ik de jongens van die partij met rust moest laten. Als ik dat niet deed dan wist ik waar de DHKP-C voor staat en waartoe ze in staat is."
30. Tegen deze achtergrond kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, naar het Hof kennelijk heeft gedaan, dat de op (poging tot) afpersing van [slachtoffer 3] gerichte samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] zo nauw en volledig is geweest dat deze als medeplegen van de onder 2 bewezenverklaarde poging tot afpersing kan worden aangemerkt.
31. Het middel faalt.
32. Het zesde middel richt zich tegen het bewijs van de onder 3 bewezenverklaarde poging tot afpersing van [slachtoffer 5]. Het bewijs zou niet toereikend dan wel onbegrijpelijk zijn omdat bewijsmiddel 37 inhoudt dat [medeverdachte 1]s bedreiging aan het adres van [slachtoffer 5] "Ik zal je kapotsnijden" is gedaan ongeveer anderhalve maand voordat [medeverdachte 1] [slachtoffer 5] vroeg om betaling van fl. 1000. Daarom zou daaruit niet kunnen worden afgeleid dat [medeverdachte 1] bij die uiting het oogmerk had zich wederrechtelijk te bevoordelen, terwijl dit evenmin blijkt ten aanzien van de medeverdachten. Bovendien zou uit de bewijsmiddelen niet zijn af te leiden dat verdachte ter zake van die uiting bewust, nauw en volledig heeft samengewerkt met zijn medeverdachten.
33. Bewijsmiddel 37 houdt in als verklaring van [slachtoffer 5]:
"Zo'n drie maanden voordat [medeverdachte 1] werd aangehouden heb ik met hem ruzie gehad. Hij heeft me een keer op straat staande gehouden. [medeverdachte 1] heeft me toen bedreigd. Hij zou me kapot snijden. Zo'n anderhalve maand later belde [medeverdachte 1] vanuit een café of ik naar hem toe wilde komen. Ik heb gezegd dat ik dat niet wilde. Toen is hij naar mij toegekomen. Er is toen een discussie ontstaan. Hij zei tegen mij dat ik f. 1.000,- aan hem moest betalen. Tijdens de discussie heeft [medeverdachte 1] mijn een klap gegeven. De volgende dag is [medeverdachte 2] naar mij toegekomen. Ik heb de fl. 1.000,- niet betaald."
34. Ook al is een bedreiging aanvankelijk niet gedaan met het oog op het afpersen van de bedreigde, dan neemt dit nog niet weg dat het gebruikmaken van die bedreiging ter afpersing meebrengt dat die bedreiging alsnog moet worden aangemerkt als geschied ter uitvoering van het voornemen de bedreigde af te persen. Art. 317 Sr eist immers niet meer dan dat men iemand dwingt tot afgifte door geweld of bedreiging met geweld. Dat dwingen door geweld of bedreiging met geweld kan ook plaatsvinden door te verwijzen naar eerder gepleegd geweld of eerder gepleegde bedreigingen omdat ook daardoor iemand onder ongeoorloofde druk tot afgifte kan worden gezet. Zo valt ook te begrijpen dat bedreiging ook omvat geweld dat door een ander dan de bedreiger zal worden aangewend.(5)
35. Anders dan het middel wil is voor bewezenverklaring van poging tot afpersing dus niet vereist dat verdachte en zijn mededaders reeds ten tijde van bedoelde bedreiging het oogmerk hadden zich wederrechtelijk te bevoordelen.
36. Verdachte en zijn mededaders hebben, zoals de bewezenverklaring het samenvat, "een bedreigende en intimiderende situatie/sfeer doen ontstaan/opgeroepen en in stand gehouden" door onder meer de in bewijsmiddel 37 genoemde bedreiging. Nadat verdachte en zijn mededaders door die bedreiging samen met andere bedreigingen en met geweld een bedreigende en intimiderende situatie/sfeer hebben doen ontstaan/opgeroepen en in stand gehouden, heeft [medeverdachte 1] de bedreigde [slachtoffer 5] om geld gevraagd. Door gebruik makend van die door verdachte en zijn mededaders geschapen situatie, [slachtoffer 5] om geld te vragen heeft het Hof, gezien hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, het gebruik maken van die door verdachte en zijn mededaders geschapen situatie als uitvoering kunnen aanmerken van de bewezenverklaarde poging tot afpersing.
37. Bewijsmiddel 37 kan dus bijdragen aan het bewijs van de bewezenverklaarde poging tot afpersing ook al blijkt louter uit dat bewijsmiddel niet dat de door het middel bedoelde bedreiging reeds toen werd gedaan met het oog op - voorzichtig gezegd - het bevorderen van de voldoening aan een later gedaan verzoek tot afgifte van geld.
38. Het voorgaande brengt mee dat ook niet noodzakelijk is dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte ter zake van de door het middel bedoelde uiting bewust, nauw en volledig heeft samengewerkt met zijn medeverdachten.
39. Het middel faalt.
40. Het zevende middel houdt in dat ten aanzien van verdachte het als feit 3 bewezenverklaarde medeplegen aan poging tot afpersing en het opzet daarop niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Daartoe wordt er in de toelichting op het middel op gewezen dat de verdachte niet aanwezig was bij het bewezenverklaarde geweld of de bedreiging daarmee noch bij de vraag van [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 5] om fl. 1000,-- te betalen.
41. Over de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde poging tot afpersing houden de bewijsmiddelen het volgende in. Op 11 januari 2000 belt [medeverdachte 1] de verdachte met de mededeling dat hij die dag gepoogd heeft van [slachtoffer 5] fl. 1000,-- te krijgen.
Conclusie
Het telefoongesprek (bewijsmiddel 40) houdt het volgende in:
"Y= [medeverdachte 1] K= [verdachte].
Y: Ik ben vandaag naar zijn huis gegaan en heb iemand geslagen.
K: Wie is dat?
Y: Een kennis, een vent.
Y (kennelijk: K; WHV): Is hij een van ons?
K (kennelijk Y; WHV): nee, niet van ons, niet van ons. Wij zouden 1000 gulden van hem krijgen. Hij sprak 'vooruit en achteruit'. Ik heb gedaan wat nodig was. Hij zei: "Ik zal een aanklacht tegen je indienen. Neem zijn kenteken op" en dergelijke. Ik heb gezegd: "Ga maar en dien maar een klacht in bij jullie Allah." Ik heb gezegd "Ik zie jou morgen wel". Vanavond zal hij [betrokkene 4] en zo wel bellen. Ik heb gezegd: "Morgen spreken we elkaar". En ik heb hem een klap gegeven. "En", heb ik gezegd, - je maakt het voor de vijfde klaar." Zijn zoon kwam naar beneden en zo. Toen riep hij naar zijn zoon van "Au, neem zijn kenteken op" en zo. Ik heb gezegd: "Doe dat maar als je dat wilt. Ik heb wel gezegd: Jij maakt hiermee een hele grote fout. Jij weet helemaal niet wat de consequentie zal zijn. En als je het niet doet, ben je een hoerenjong. [het hof begrijpt: als je niet betaalt, dan ben je een hoerenjong] Ga het maar doen!" En? Is er later nog iets gebeurd? Nee. Later heeft hij nog gebeld, naar een café en ik was daar.
Ik heb gezegd: "Ik zal jouw moeder laten neuken".
K: We kunnen die zaken nu regelen.
Y: He?
K: We kunnen het nu regelen, als je wilt.
Y: Neen. Hij komt vast niet op dit tijdstip.
K: Ok. We zien elkaar morgen."
42. Kort daarna belt de verdachte [medeverdachte 1]. De inhoud van dit telefoongesprek is door het Hof als bewijsmiddel 41 gebezigd en houdt in:
"K: Zeg, luister eens, is dinges, is cowboy bij jou?
Y: Cowboy is niet bij mij.
Y: Waar is hij?
K: Waar is hij?
Y: Dat weet ik niet. Ik heb ook naar hem gebeld, maar ik kon hem niet te pakken krijgen.
K: Oh. Bel hem eens en zeg dat hij eens naar hem moet bellen.
Y: Wie moet hij bellen?
K: Hem!! Die man moet hij eens bellen.
Y: Laat hem toch verrekken! Nee! Het is wat mij betreft voorbij!
K: He?
Y: Waarom zou hij moeten bellen? Wie is hij eigenlijk wel? Ik heb met hem gesproken. Ik hem hem een tijd dinges gedaan, hij zei 'oke', een klap.. dinges gedaan... gehad...
K: (humt)
Y: Kijk, morgen zal ik met hem apart spreken!
K: Oke, maar als hij nu morgen naar die dinges gaat, wat dan?
Y: Waarheen?
K: Naar de 'ooms'?
Y: (even stilte)... Hij kan niet gaan.
K: Dat weet je maar nooit.
Y: Nu ja, ik zal hem wel bellen, ik zal cowboy wel bellen.
K: Bel jij naar cowboy en laat cowboy naar mij bellen.
Y: Oke, goed.
K: Goed?
Y: Ja, vooruit."
43. Uit bewijsmiddel 42 volgt dat [medeverdachte 1] aan verdachtes opdracht gevolg geeft en dezelfde avond nog de "cowboy", [medeverdachte 2], belt. [Medeverdachte 2] heeft zich de volgende dag tot [slachtoffer 5] gewend en hem, op instigatie van verdachte (bewijsmiddel 43), duidelijk gemaakt dat hij geen aangifte moest doen van zijn mishandeling door [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 36).
44. Uit de ten aanzien van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen volgt inderdaad slechts van concrete bemoeienis achteraf van de verdachte met de poging tot afpersing van [slachtoffer 5], waartoe het geweld en de bedreiging met geweld van [medeverdachte 1] uitgingen. Ook wetenschap vooraf bij de verdachte van de onderhavige poging tot afpersing valt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen te destilleren. In zoverre valt het bewijs van het medeplegen van de verdachte niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden.
45. Uit de overigens gebezigde bewijsmiddelen, met name die ten aanzien van feit 1, valt af te leiden dat verdachte en [medeverdachte 1] deel uitmaakten van een organisatie met de naam Dev-Sol, in welke organisatie de verdachte verantwoordelijk was voor "de jongens uit Bergen op Zoom", onder wie [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 1) en [medeverdachte 2], aan wie [medeverdachte 1] verantwoording verschuldigd zou zijn (bewijsmiddel 46). Deze organisatie, ook wel als DHKP-C aangeduid, benaderde Turkse uitbaters van horeca-gelegenheden in Bergen op Zoom voor een geldelijke bijdrage aan de organisatie (bewijsmiddelen 6 en 46). Volgens [slachtoffer 5] was het bedrag van fl. 1000 een boete die [medeverdachte 1] hem oplegde (bewijsmiddel 36). Uit angst voor [medeverdachte 1], maar met name voor de hele organisatie was [slachtoffer 5] naar zijn zeggen drie keer naar Turkije gevlucht (bewijsmiddel 34).
46. Verdachte vervulde dus in een organisatie waarvan het oogmerk was gericht op het plegen van afpersing een tot op zekere hoogte leidinggevende rol met name voor wat betreft het afpersen van uitbaters van horeca-ondernemingen in Bergen op Zoom teneinde te voorzien in gelden voor die organisatie, en nam ook zelf wel deel aan het plegen van afpersingen. In die zin heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn "ondergeschikten" zoals [medeverdachte 1] zich ten behoeve van bedoelde organisatie schuldig zouden maken aan het plegen van afpersingen van uitbaters van horeca-ondernemingen in Bergen op Zoom.
47. Uit bewijsmiddel 42 en bewijsmiddel 43 volgt dat verdachte de poging tot afpersing door [medeverdachte 1], die paste in de wijze waarop de organisatie waarin de verdachte een tot op zekere hoogte leidinggevende rol vervulde, voorzag in inkomsten, niet heeft teruggedraaid door [slachtoffer 5] duidelijk te maken dat hij het door [medeverdachte 1] gevraagde bedrag niet behoefde te betalen, maar deze poging tot afpersing voor zijn rekening heeft genomen in die zin dat hij [medeverdachte 2] opdracht gaf [slachtoffer 5] duidelijk te maken dat hij van de poging tot afpersing deel uitmakende mishandeling geen aangifte mocht doen. Die omstandigheden bevestigen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 1] een poging tot afpersing als de onderhavige zou plegen. Daarmee kan het voor het bewijs van medeplegen vereiste globale opzet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. (6)
48. Dat globale opzet is in het onderhavige geval voldoende voor het bewijs van het medeplegen van afpersing, omdat het in een geval als het onderhavige in wezen gaat om feitelijk leidinggeven in organisatorisch verband. Ik wijs in deze context op de omschrijving van het feitelijk leidinggeven in het tweede Slavenburg-arrest(7), waarin voor het bewijs van het feitelijk leidinggeven waarde wordt gehecht aan de omstandigheid dat de verdachte niet ingrijpt noch maatregelen treft ter voorkoming hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden. In wezen doet die situatie zich ook in het onderhavige geval voor. De verdachte geeft immers door (als "meewerkend voorman") deel te nemen aan de bedreiging door zijn "ondergeschikten" onmiskenbaar te kennen en wil, naar daaruit gezien verdachtes leidinggevende positie voortvloeit, ook te kennen geven dat afpersen een door verdachte onderschreven middel is om de organisatie aan geld te helpen.
49. In het voorgaande heb ik ook feiten en omstandigheden betrokken die volgen uit bewijsmiddelen die het Hof niet als redengevend voor het onderhavige feit heeft aangemerkt. Nu het Hof de inhoud van alle bewijsmiddelen heeft aangemerkt als redengevend voor het bewijs van feit 1 en de andere bewezenverklaarde feiten deel uitmaken van een complex van feiten die kunnen worden begrepen onder de onder 1 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie zie ik daarin geen bezwaar.
50. Het middel faalt.
51. In het achtste middel wordt aangevoerd dat de bewezenverklaring terzake van feit 4 niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid omdat daaruit niet blijkt van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en evenmin van een verband tussen het door verdachte en/of zijn mededaders jegens [slachtoffer 1] toegepaste geweld of de bedreiging daarmee en de afgifte door [slachtoffer 1] van fl. 500,-.
52.
Conclusie
Aan de bewezenverklaring van het als feit 4 tenlastegelegde medeplegen van afpersing van een bedrag van fl. 500,- heeft het Hof blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen onder meer de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd:
- begin 1999 is [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] benaderd om een bijdrage aan DHKP-C te betalen waarna [slachtoffer 1] een bedrag van fl. 50,--, zij het tegen zijn wil, heeft betaald (bewijsmiddel 46);
- eind oktober/begin november 1999 is [slachtoffer 1] in de [...]-bar aangesproken door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 3) waarbij [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] heeft gedreigd een kogel door zijn kop te schieten en waarbij hij door verdachte op de borst is getikt met de woorden "Je moet uitkijken" (bewijsmiddel 45);
- in januari 2000 is [slachtoffer 1] in café [...] door onder meer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bezocht met het verzoek wederom een bedrag aan DHKP-C te betalen waarna [slachtoffer 1] een week later tijdens een bezoek van alleen [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] meedeelde dat hij fl. 250,- wilde betalen waarop [medeverdachte 1] hem zei dat hij zich daarvoor moest schamen (bewijsmiddel 46);
- op 7 februari 2000 is door [slachtoffer 1] vervolgens tegen zijn wil fl. 500,- aan [medeverdachte 1] betaald (bewijsmiddelen 46, 47 en 48).
53. In deze inhoud van de bewijsmiddelen ligt, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, besloten dat verdachte en/of zijn mededaders, zoals de bewezenverklaring het samenvat, "een bedreigende en intimiderende situatie/sfeer [hebben] doen ontstaan/opgeroepen en in stand gehouden", door [slachtoffer 1] te bedreigen en door jegens hem geweld toe te passen, waarna vervolgens één van hen, onmiskenbaar gebruik makend van bedoelde situatie/sfeer, [slachtoffer 1] om fl. 500,-- heeft gevraagd.
54. Tegen deze achtergrond getuigt het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel van het Hof dat er verband bestaat tussen enerzijds het door verdachte en/of zijn mededaders jegens [slachtoffer 1] toegepaste geweld en de dreiging daarmee en anderzijds het bewegen van [slachtoffer 1] tot betaling van fl. 500,--, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel evenmin onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het oordeel van het Hof dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden zich wederrechtelijk te bevoordelen met fl. 500,--.
55. Het middel faalt.
56. Het negende middel houdt in dat ten aanzien van verdachte het als feit 4 bewezenverklaarde medeplegen aan afpersing en het opzet daarop niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat verdachtes gedragingen zijn gericht op een nauwe en volledige samenwerking met [medeverdachte 1] terzake van zijn "verzoek" aan [slachtoffer 1] om fl. 500,-- te betalen.
57. Over de betrokkenheid van verdachte bij de bewezenverklaarde afpersing van fl. 500,-- houden de bewijsmiddelen, zoals samengevat onder nr. 532, in dat verdachte aanwezig is geweest bij een bezoek aan het slachtoffer waarbij [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] en verdachte is bedreigd.
58. Uit de ten aanzien van feit 4 gebezigde bewijsmiddelen volgt inderdaad slechts van concrete bemoeienis achteraf van de verdachte met de poging tot afpersing van [slachtoffer 5], waartoe het geweld en de bedreiging met geweld van [medeverdachte 1] en van verdachte uitgingen. Ook wetenschap vooraf bij de verdachte van de onderhavige poging tot afpersing valt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen te destilleren. In zoverre valt het bewijs van het medeplegen van de verdachte niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden.
59. Niettemin faalt het middel op de hiervoor onder nr. 45, 46, 48 en 49 ten aanzien van het zevende middel uiteengezette gronden. Daar komt in het onderhavige geval nog bij dat de verdachte was bij en dus kennis droeg van de bedreiging van [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] en deze niet verhinderde of ongedaan maakte, en hem ook zelf heeft bedreigd.
60. Het tiende middel klaagt dat de onttrekking aan het verkeer van het boek "Handboek terrorisme in de turkse taal" onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het Hof niet heeft doen blijken kennis te hebben genomen van de inhoud van het boek en derhalve het oordeel van het Hof dat het boek van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met het algemeen belang en dat uit de aard van het voorwerp volgt dat het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven als bewezenverklaard, onvoldoende met redenen is omkleed.
61. Bij gebreke van betwisting te dier zake van de zijde van de verdachte heeft het Hof, zoals het kennelijk heeft gedaan, ervan mogen uitgaan dat de titel van het boek, zoals in de regel het geval pleegt te zijn, de inhoud dekt. De onttrekking aan het verkeer van genoemd boek is derhalve voldoende met redenen
62. Het middel faalt.
63. De middelen 3, 4, 6, 8 en 10 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
64. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
65. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Ik merk op dat hier is weggelaten: "zoals zij luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet,".
2 Ik merk op dat hier is weggelaten: ", alsmede gevallen waarin de officier van justitie die inlichtingen vordert."
3 Handboek Strafzaken, 23.1.3.
4 Zie daarvoor de pleitnota van mr. Pestman.
5 HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1.
6 Zie daarover G. Knigge in Het opzet van de deelnemer in Glijdende schalen, Liber amicorum J. de Hullu, Wolf Legal Publishers 2003, p. 291 e.v.
7 HR 16 december 1986, NJ 1987, 321, m. nt. "tH.