Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2002-11-26
ECLI:NL:PHR:2002:AE8903
Strafrecht
2,009 tokens
=== CONCLUSIE ===
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1) "ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd" en "ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd"; 2) "verkrachting, meermalen gepleegd"; 3) "ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven.
2. Namens verzoeker heeft mr. B.R. Angad Gaur, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat verzoeker niet geschikt is om detentie te ondergaan niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Daarbij wijst de steller van het middel op HR 7 nov. 1995, NJ 1996, 166 waarin door de Hoge Raad is bepaald dat indien door of namens de verdachte gemotiveerd is aangevoerd dat deze niet in staat is gevangenisstraf te ondergaan, de rechter indien hij desalniettemin deze straf oplegt, verantwoording dient af te leggen van zijn oordeel dat verdachte een gevangenisstraf kan ondergaan.
4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat verzoekers raadsman aldaar bij pleidooi heeft aangevoerd:
"(..)
Ondanks de ernst van de feiten dient geen gevangenisstraf te worden opgelegd aan mijn client. Hij is niet detentiegeschikt. Hij is blind; een geleidehond kan niet worden meegenomen. Daar komt bij dat verdachten van zedendelicten in de gevangenis hard worden aangepakt. Voor client is het dan nog moeilijker om daar te functioneren.
Braille kan hij zich niet eigen maken. Hij is dan ook geheel aangewezen op zichzelf. Een gevangenisstraf wordt dan ook driemaal zo zwaar voor client.
Een alternatief is een louter voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de bepaling dat hij zijn therapeutische behandeling zal voorzetten."
5. Het Hof heeft ter motivering van de op te leggen straf overwogen:
"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Bij de strafbepaling zijn de volgende omstandigheden ten bezware van de verdachte gebleken:
- de mate van het leed dat de slachtoffers is aangedaan (ernstige aantasting van lichamelijke integriteit / persoonlijke levenssfeer, welke onherstelbare schade voor de slachtoffers heeft teweeggebracht) alsmede dat verdachte zich om het lot van de slachtoffers kennelijk volstrekt niet heeft bekommerd;
- slachtoffers bevonden zich in een afhankelijke positie ten opzichte van verdachte (in zijn gezin) en waren weinig weerbaar, wat verdachte wist of kon weten;
- verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de jonge slachtoffers in hem als (stief)vader stelden;
- verdachte heeft gedurende langere periodes, te weten periodes van 1982 tot en met 1986 en van 1990 tot en met 1999 de aan hem tenlastegelegde strafbare feiten veelvuldig gepleegd;
- verdachte was zich van het verwerpelijke van zijn handelingen goed bewust en heeft daarom druk op de slachtoffers uitgeoefend om deze handelingen voor de omgeving verborgen te houden.
Het Hof is van oordeel dat, in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming voor de duur als hierna te melden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Het hof vindt in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, aanleiding te bepalen dat aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de hieronder te vermelden bijzondere voorwaarde zal worden verbonden."
6. Het betoog van de raadsman versta ik als volgt:
a. mijn cliënt is detentieongeschikt omdat hij blind is en een geleidehond niet kan worden meegenomen in de gevangenis;
b. een gevangenisstraf - naar ik begrijp: zo deze onverhoopt mocht worden opgelegd - is voor verdachte erg zwaar, omdat naast evengenoemde omstandigheden in aanmerking moet worden genomen dat zedendelinquenten in de gevangenis hard worden aangepakt, verdachte zich braille niet eigen kan maken en hij geheel is aangewezen op zichzelf.
7. Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal tegenover het betoog van de raadsman, bij repliek gesteld dat de handicap van verdachte een detentie niet in de weg staat omdat voldoende maatregelen kunnen worden getroffen voor de opvang van verdachte. Daarop heeft de raadsman volstaan met de mededeling dat hij persisteert bij het door hem aangevoerde. Het hof heeft niet met zoveel woorden gereageerd op het beroep van de raadsman op detentieongeschiktheid.
8. Wordt een beroep gedaan op detentieongeschiktheid, dan moet een rechter er verantwoording van afleggen dat hij desondanks een gevangenisstraf oplegt ( HR 7 nov. 1995, NJ 1996, 166, herhaald in HR 28 mei 2002, nr. 00496/01, LJN AE0540, r.o. 3.5. ). Het enkel etiketteren van een verweer als een beroep op detentieongeschiktheid is niet voldoende. Het verweer moet voldoende gemotiveerd zijn (vgl. het reeds genoemde HR 28 mei 2002, nr. 00496/01, LJN AE0540, r.o. 3.6).
9. In laatstgenoemd arrest ging het om een verdachte van 70 jaar, wiens gezondheidstoestand te wensen overliet omdat hij veel lichamelijke klachten zou hebben zoals een oorperforatie, een versleten heup, en astmatische bronchitis. Voorts zou hij slecht ter been zijn en twee keer per week naar therapie gaan. Hoewel een beroep op deze omstandigheden door de raadsman werd geëtiketteerd als een beroep op detentieongeschiktheid, had het hof dit volgens uw Raad niet als zodanig behoeven op te vatten.
10. Naar ik meen liggen de door de raadman in het onderhavige geval aangevoerde omstandigheden door hun uitzonderlijke karakter dichter bij detentieongeschiktheid dan die welke in laatstgenoemd arrest aan de orde waren. Het ligt immers eerder voor de hand dat het gevangeniswezen de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf kan afstemmen op leeftijd en beschreven gezondheidstoestand van genoemde zeventigjarige dan op het feit dat een verdachte blind is. Die laatste handicap zal naar het mij voorkomt meer bijzondere voorzieningen eisen waarvan ik niet zonder meer zou durven zeggen dat deze bij een zwaar belast gevangeniswezen als het Nederlandse realiseerbaar zijn.
11. Zou de raadsman louter - zonder nadere etikettering - hebben aangevoerd dat zijn cliënt detentieongeschikt is omdat hij blind is en een geleidehond niet kan worden meegenomen in de gevangenis, dan had het hof daarin geen beroep op detentieongeschiktheid behoeven te zien. Hoe hard het ook is, genoemde omstandigheden staan niet zonder meer aan een menswaardige tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf in de weg. Nu de raadsman zijn verweer echter bovendien als een beroep op detentieongeschiktheid heeft aangeduid, meen ik dat in het onderhavige geval van een toereikend beroep op detentieongeschiktheid sprake is. Daarbij geeft voor mij uiteindelijk de doorslag hetgeen AG mr. Leijten schreef in zijn conclusie bij HR 16 maart 1982, NJ 1982, 507: verdachte heeft zich dan wel aan ernstige strafbare feiten schuldig gemaakt, maar dat mag nog niet meebrengen dat aan een voor de strafoplegging zo essentieel verweer als hier aan de orde "in diepste stilzwijgen" kan worden voorbijgegaan.
12.