Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2002-09-27
ECLI:NL:PHR:2002:AE3371
Civiel recht
17. De klachten die het middel voorts nog aanvoert tegen de motivering welke het Hof aan zijn (rechts)oordeel heeft gegeven, moeten falen wegens gebrek aan belang: een rechtsoordeel kan in cassatie slechts met materiële klachten worden bestreden. Vgl. D.J. Veegens, Cassatie in burgerlijke zaken, 3e dr. bew. door E. Korthals Altes en H.A. Groen, 1989. nr. 117, blz. 229. Ten overvloede teken ik bij die klachten nog het volgende aan. 18. 's Hofs oordeel dat de aansprakelijkheidsuitsluiting voor deklading naar de tekst van het exoneratiebeding niet van toepassing is op laden en lossen en dat deze beperking ook strookt met het uitgangspunt dat exoneraties in algemene voorwaarden ten gunste van de wederpartij beperkt dienen te worden uitgelegd, berust op een onjuiste opvatting van de strekking van art. 8:382 lid 2 sub c BW. Het Hof heeft miskend dat, nu [eiseres] met de cognossementsclausule 8 - ook naar 's Hofs oordeel - kennelijk gebruik hebben willen maken van de door art. 8:382 lid 2 sub c BW bedoelde vrijtekeningsbevoegdheid, de reikwijdte van deze vrijtekening beoordeeld dient te worden in het licht van de hierboven uiteengezette samenhang tussen deze wetsbepaling en art. 1 sub e jo. sub c van de Hague-Visby Rules. 20. Het voorbeeld van beschadiging bij inlading dat het Hof in het slot van r.o. 3.4 noemt, berust op een petitio pricipii en kan daarom als argument tegen de ruime opvatting geen hout snijden: dat de vervoerder die ervan op de hoogte is dat bij het inladen schade is opgetreden en daarvan de ladingbelanghebbende verwittigt, geen beroep toekomt op het exoneratiebeding als bedoeld in art. 8:382 lid 2 sub c BW is slechts waar bij aanvaarding van de enge opvatting. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een ander Hof ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, [Eiseres] tegen 1. [Verweerder 1] 2. [Verweerster 2] Edelhoogachtbaar College, 1. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder c, van art. 8:382 BW geldt het in het eerste lid van dit artikel neergelegde verbod van vrijtekening van aansprakelijkheid bij zeevervoer onder cognossement niet voor deklading. In dit cassatiegeding gaat het om de vraag of de vrijtekening voor deklading niet beperkt is tot het feitelijk vervoer, maar zich ook uitstrekt tot het laden en lossen. 2. In cassatie dient uitgegaan te worden van de volgende feiten. (i) Verweerster in cassatie sub 2 (hierna: [verweerster 2]) heeft op 2 oktober 1996 aan Akomar Shipping B.V. (hierna: Akomar) mondeling opdracht verstrekt tot het doen vervoeren van haar auto, een Mazda 626, kenteken [AA-00-AA], naar Paramaribo, Suriname. (ii) Akomar heeft de auto in goede staat ten vervoer aangeboden aan eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]). (iii) Onder afgifte van een cognossement, gedateerd Rotterdam 9 november 1996, heeft [eiseres] de auto als deklading met het zeeschip "Atlantic Frigo" van Rotterdam naar Paramaribo vervoerd. Op het cognossement staat Akomar als afzender en verweerder in cassatie sub 1 (hierna: [verweerder 1]) als geadresseerde vermeld. Voorts staat op het cognossement aangetekend: "(SECOND HAND) CAR(S), VEHICLE(S), UNPACKED AND UNPROTECTED, VESSEL NOT RESPONSIBLE FOOR GOODS AND/OR ACCESSOIRES LEFT IN THE CAR(S), DUST COVERED, RUST, DENTS AND SCRATCHES NOT VISIBLE (...) CARRIED ON DECK WITHOUT LIABILITY FOR LOSS OR DAMAGE HOWSOEVER CAUSED" Voor zover van belang luiden de cognossementsbepalingen als volgt: "4. RESPONSIBILITY. The carrier shall not be liable for loss of or damage to the goods during the period before loading into and after discharged from the vessel howsoever such loss or damages arises. Loading commences when the tackle is hooked on the cargo and discharge ends when the cargo is taken off ship's tackle (...). 8. DECK CARGO AND LIVE ANIMALS. Goods may always be stowed on deck. Carrier shall not be liable for any loss of or damage howsoever caused to deck cargo, which by the contract of carriage is stated as being carried on deck and is actually carried on deck, or to live animals." (iv) Op de vervoerovereenkomst is Nederlands recht van toepassing. (v) Na de lossing is de auto, op 21 november 1996, door degene aan wie [verweerder 1] opdracht had gegeven de auto in te klaren, [betrokkene], en door [verweerder 1] en [verweerster 2] in zwaarbeschadigde toestand aangetroffen in een havenloods in Paramaribo. 3. Stellende dat [eiseres] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die als vervoerder op haar rusten, aangezien de auto tijdens het vervoer zwaar is beschadigd, hebben [verweerder 1] en [verweerster 2] bij dagvaarding van 1 oktober 1997 [eiseres] voor de Rechtbank te Rotterdam aangesproken tot betaling van schadevergoeding voor een bedrag van in totaal f 10.025,-, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. 4. [Eiseres] heeft de vordering op verschillende gronden bestreden. Voor zover thans in cassatie nog van belang heeft zij onder meer aangevoerd dat zij op grond van de cognossementsclausules haar eventuele aansprakelijkheid voor schade aan de auto rechtsgeldig heeft uitgesloten. 5. De Rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 1998 ten aanzien van het verweer van [eiseres] overwogen dat de in cognossementsclausule 8 opgenomen exoneratie voor aan dek vervoerde lading op grond van art. 1 sub c van de Hague-Visby Rules en art. 8:382 lid 2 BW op zichzelf geldig is, nu vaststaat dat de auto ook feitelijk aan dek is vervoerd en daarvan op het cognossement melding is gemaakt. Niettemin komt naar het oordeel van de Rechtbank aan [eiseres] geen beroep op deze exoneratie toe, aangezien door [eiseres] niet wordt gesteld dat de auto is beschadigd terwijl deze zich aan dek bevond noch dat de schade is veroorzaakt omdat de auto aan dek werd vervoerd (r.o. 4.7). De in cognossementsclausule 4 opgenomen "before and after"-clausule is volgens de Rechtbank op grond van art. 7 van de Hague-Visby Rules evenzeer geldig. Dat de schade daadwerkelijk buiten die periode van aansprakelijkheid van de vervoerder is opgekomen is door [verweerder 1] en [verweerster 2] gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de Rechtbank is het aan [eiseres], die geen enkele informatie heeft verschaft over het ontstaan van de schade, om daarvan het bewijs te leveren (r.o. 4.8). De Rechtbank heeft [eiseres] daarom opgedragen te bewijzen dat de schade aan de auto is opgekomen vóór het laden en/of na het lossen. 6. [Eiseres] is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij arrest van 2 oktober 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en de zaak voor de verdere behandeling en beslissing teruggewezen naar de Rechtbank. 7. Ten aanzien van de door [eiseres] gerichte grief tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiseres] geen beroep toekomt op de uitsluiting van aansprakelijkheid voor aan dek vervoerde lading (conossementsclausule 8), heeft het Hof, samengevat, het volgende overwogen (r.o. 3.2 t/m 3.5). De opvatting van [eiseres] dat krachtens deze exoneratieclausule de aansprakelijkheid van de vervoerder is uitgesloten, ongeacht of de beweerde schade verband houdt met het vervoer aan dek, rekt de reikwijdte van de exoneratie te ver op. Weliswaar behoren bij cognossementsvervoer in beginsel ook het laden en lossen van de lading tot de verplichtingen van de vervoerder, maar zowel naar de tekst als naar de ratio (het verhoogde risico van bovendeksvervoer) is dit exoneratiebeding in zijn werking beperkt tot het feitelijk vervoer aan dek en strekt het zich niet uit tot het laden en lossen. Voor een geslaagd beroep op de hierbedoelde uitsluiting voor schade aan deklading is daarom tenminste nodig dat de vervoerder stelt en zonodig bewijst dat de schade tijdens het vervoer aan dek is ontstaan. Nu dit laatste ook in hoger beroep niet is aangevoerd, noch anderszins is gebleken, faalt het beroep van [eiseres] op de dekladingclausule, aldus het Hof. 8. De grief van [eiseres] over het niet meteen honoreren door de Rechtbank van haar beroep op de "before and after"-clausule (cognossementsclausule 4) heeft het Hof verworpen op grond van de overweging dat, anders dan [eiseres] stelt, door [verweerder 1] en [verweerster 2] gemotiveerd is betwist dat de schade is opgekomen buiten de periode tussen het laden in en het lossen uit het schip (r.o. 4). 9. [Eiseres] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. [Verweerder 1] en [verweerster 2] zijn in cassatie niet verschenen. 10. Het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat de werking van de exoneratieclausule voor schade aan deklading (cognossementsclausule 8) beperkt is tot het feitelijk vervoer en zich niet uitstrekt tot het laden en lossen van de lading. 11. In cassatie is niet bestreden het oordeel van het Hof (en de Rechtbank) dat partijen vervoer onder cognossement zijn overeengekomen en dat hun overeenkomst wordt beheerst door het Nederlandse recht. Ingevolge het Nederlandse recht, meer bepaald art. 8:371 BW, is op het onderhavige vervoer het gewijzigd Brussels Cognossementsverdrag (de Hague-Visby Rules) rechtstreeks van toepassing. Vgl. G. van Empel en J.B. Huizink, Goederenvervoer over zee, binnenwater en over de weg, 2000, blz. 11/12. 12. Aan de werkingssfeer van de Hague-Visby Rules is evenwel onttrokken het vervoer van lading die, bij de vervoerovereenkomst, opgegeven is als geplaatst op het dek en feitelijk aldus wordt vervoerd (art. 1 sub c Hague-Visby Rules). Ingevolge art. 8:382 lid 2 sub c BW is een beding in een vervoerovereenkomst onder cognossement, waardoor de vervoerder of het schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van de lading voortvloeiende uit nalatigheid, schuld of tekortkoming in het voldoen aan de in art.