Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2000-06-27
ECLI:NL:PHR:2000:AA6304
Strafrecht
Mr Jörg Nr. 00504/99 Conclusie inzake: Zitting 14 maart 2000 [verzoeker=verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Het gerechtshof te Arnhem heeft verzoeker op 8 april 1999 veroordeeld tot een geldboete van duizend gulden te vervangen door twintig dagen hechtenis wegens rijden onder invloed. Bovendien heeft het hof verzoeker voor vier maanden de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen. 2. Namens verzoeker heeft mr J.M. Sjöcrona, advocaat te ’s-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel klaagt over de wijze waarop het hof het verweer heeft verworpen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is. 4. Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is. Dit is in het proces-verbaal van de terechtzitting als volgt weergegeven: “Door de politie is naar aanleiding van het verzoek van cliënt geen arts verwittigd voor het vaststellen van het bloedalcoholgehalte van cliënt, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is. Cliënt zit net over de grens van 650 mg heen. () Cliënt vraagt om een tegenonderzoek. Door verbalisanten wordt tegen hem gezegd: Wil je ƒ 500,- betalen. Nee, dan gaat het niet door. Ik verwijs in dit geval naar NJ 92/209. In dit arrest (lees: vonnis, NJ) komt tot uiting dat er gekeken dient te worden of er creatieve methoden zijn om het verschuldigde geld te laten betalen.” 5. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen: “Verdachtes raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ingeroepen nu geen onderzoek is ingesteld naar verdachtes bloedalcoholgehalte en volstaan is met een ademanalyse. Het hof verwerpt dit verweer nu daaraan een eis ten grondslag ligt die de wet niet stelt. Met een ademanalyse mag in het algemeen volstaan worden. De verdachte heeft recht op een tegenonderzoek in de vorm van een bloedonderzoek, maar dient dan vooraf de daaraan verbonden kosten te voldoen. Dat heeft verdachte niet gedaan.” 6. Bij de beoordeling van het middel staat het volgende voorop. Art. 10a Besluit alcoholonderzoeken (voor de onderhavige zaak oud, Stb. 1992, 119) biedt een verdachte aan wie het resultaat van het ademonderzoek is medegedeeld, de mogelijkheid om de wens kenbaar te maken een bloedonderzoek te laten verrichten. Dit recht - dat een recht op tegenonderzoek betekent - moet worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever het onderzoek ter bepaling van het ademalcoholgehalte heeft omringd. 7. Op grond van aanstonds te noemen rechtspraak gelden omtrent het tegenonder-zoek de volgende uitgangspunten. Indien een verdachte de wens tot het verrichten van een tegenonderzoek te kennen heeft gegeven, maar zulk tegenonderzoek achterwege blijft, kan het verrichte onderzoek niet worden aangemerkt als een ‘onderzoek’ in de zin van art. 8, tweede lid onder a, WVW 1994. 8. Dit is slechts anders indien (a) de verdachte niet ‘dadelijk’ nadat hem de uitslag van het onderzoek naar het ademalcoholgehalte is medegedeeld, om een tegenonderzoek heeft gevraagd; hetzij (b) de verdachte blijk heeft gegeven af te zien van het gebruik maken van deze mogelijkheid van een tegenonderzoek dan wel het aan zichzelf heeft te wijten dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgevonden. 9. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op rechtspraak van Uw Raad in zaken waarin geen ademanalyse had plaatsgevonden maar het alcoholgehalte reeds aan de hand van de bloedproef was vastgesteld (HR 21 februari 1995, NJ 1995, 439 rov. 6.5.; HR 10 oktober 1989, NJ 1990, 95 rov. 6.; HR 18 oktober 1983, NJ 1984, 97 rov. 8.). Dit verschil doet aan de uitgangspunten evenwel niet af. Het gaat hier - als gezegd - om een stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever ook het onderzoek van het ademalcoholgehalte heeft omringd. 10. Aangezien verzoeker tijdig om een tegenonderzoek heeft verzocht, moet de vraag worden beantwoord of verzoeker blijk heeft gegeven af te zien van het tegenonderzoek dan wel het aan zichzelf heeft te wijten dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgevonden. 11. Het hof heeft niet vastgesteld dat verzoeker er uitdrukkelijk blijk van heeft gegeven af te zien van het recht op tegenonderzoek. Uit de stukken blijkt dat evenmin. 12. Voor het antwoord op de vraag of verzoeker het aan zichzelf heeft te wijten dat het tegenonderzoek niet heeft plaats-gevonden, is van belang dat verzoeker niet de kosten heeft betaald die hij op grond van art. 13a Regeling bloed- en urineonderzoek (voor de onderhavige zaak oud Stb. 1995, 33) op het politiebureau had moeten voldoen. 13. Uit het proces-verbaal rijden onder invloed, waarvan het hof een deel als bewijsmiddel bezigt, blijkt dat verzoeker heeft geweigerd het verschuldigde bedrag te betalen. Waarom verzoeker weigerde wordt daarin niet aangegeven. De reden van weigering is hier relevant omdat de omstandigheden waaronder moet worden betaald, dusdanige beperkingen met zich kunnen meebrengen dat in bepaalde gevallen niet kan worden gezegd dat verzoeker het aan zichzelf heeft te wijten dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgevonden. 14. In het proces-verbaal van verhoor door de verbalisant is een verklaring van verzoeker weergegeven, inhoudende dat hij geen geld heeft om een contra-expertise te betalen. Daarin blijft in het midden of hij het geld niet wil betalen of dat wel wil maar op dat moment niet kan betalen. Dit punt is gedeeltelijk ter terechtzitting van het hof besproken zoals blijkt uit de verklaring die verzoeker daar aflegde en die als volgt in het proces-verbaal wordt weergegeven: “Nadat mij de uitslag van de ademanalyse was meegedeeld heb ik gevraagd om een tegenonderzoek. De politie heeft mij niet in de gelegenheid gesteld om geld te betalen voor een tegenonderzoek. Ik had geen geld of cheques bij mij. Ik heb tegen de politie gezegd dat ik dat geld niet kon betalen. Ik heb niet gevraagd of ik dat geld mocht gaan pinnen.” 15. Uit deze verklaring van verzoeker blijkt niet dat alleen de omstandigheden van dat moment betaling verhinderden. Het is eerder algehele betalingsonmacht die uit de stukken spreekt, en die het hof - ook op grond van verzoekers mededeling in eerste aanleg, inhoudende dat hij geen inkomen heeft en al drie jaar geen uitkering - aannemelijk zal hebben gevonden. 16. Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat aan verzoeker werd voorgehouden dat hij vijfhonderd gulden moest betalen om het tegenonderzoek te laten verrichten. Dit bedrag is onjuist. 17. Uit art. 13a van de Regeling bloed- en urineonderzoek oud, blijkt hoe in de onderhavige zaak de kosten van het tegenonderzoek waren opgebouwd en op welk moment die moesten worden voldaan: “2. De kosten van het tegenonderzoek, bedoeld in het eerste lid, bedragen: a. ƒ 10,- voor het gebruik van de in artikel 4 bedoelde monsterbuisjes, alsmede de in artikel 5, tweede lid, bedoelde sluitzegel en verpakking; b. ƒ 116,- voor het afnemen van bloed door de arts en ƒ 174,-, indien het afnemen van bloed geschiedt in de periode 18.00 uur ’s avonds tot 08.00 ’s ochtends of in de periode 18.00 vrijdagavond tot 08.00 uur maandagochtend. c. ƒ 200,- voor de bepaling van het alcoholgehalte van het bloed door het Gerechtelijk Laboratorium. 3. De in het tweede lid onder a en b bedoelde kosten dient de verdachte te voldoen aan de politie, alvorens deze laatste overgaat tot verwittiging van de arts. 4. De in het tweede lid onder c bedoelde kosten dienen binnen zes weken na de bloedafname te zijn voldaan aan het Gerechtelijk Laboratorium. Het Gerechtelijk Laboratorium gaat eerst tot bepaling van het alcoholgehalte van het bloed over nadat deze kosten door de verdachte zijn voldaan.” 18. Hieruit volgt dat verzoeker op het politiebureau ƒ 184,- had moeten betalen (hij was in het weekeinde om 00.10 uur aangehouden) en later, binnen zes weken, ƒ 200,- aan het Gerechtelijk Laboratorium.