Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2000-01-11
ECLI:NL:PHR:2000:AA4244
Strafrecht
Nr. 112.354 A mr N. Keijzer zitting 19 oktober 1999 conclusie inzake [verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Bij uitspraak van 25 september 1998 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, de verdachte, ter zake van, kort gezegd, 1. diefstal met geweld, 2. diefstal met braak, 3. het voorhanden hebben van een pistool, en 4. mishandeling, tot straf veroordeeld, met onttrekking aan het verkeer van zekere inbeslaggenomen voorwerpen. Bij uitspraak van 22 december 1998 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba de eerstgenoemde uitspraak bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf en de motivering van die straf, en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, met onttrekking aan het verkeer van zekere inbeslaggenomen voorwerpen. 2. Tegen deze uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr G. Spong, advocaat te ‘s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel heeft betrekking op de bewezenverklaring ter zake van de feiten 2 en 3. Ten aanzien van feit 2 (diefstal) wordt betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de wegneming was voltooid. Ten aanzien van feit 3 (het voorhanden hebben van een pistool) houdt het middel in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat, gelijk bewezenverklaard, de uitzonderingen, bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Vuurwapenverordening 1930 in dezen niet van toepassing waren. 4. Als feit 2 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard: “dat hij op 15 juni 1998 op het eiland Curaçao met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen te [adres] heeft weggenomen gouden vingerringen en gouden hangers en een gouden dasspeld, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door het verwijderen van een airco en via aldus ontstane opening dat pand binnen te klimmen”. 5. De bewezenverklaring van feit 2 berust op onder andere de volgende bewijsmiddelen: Bewijsmiddel 1, inhoudende dat de verdachte erkent gouden vingerringen, gouden hangers en een gouden dasspeld te hebben gestolen; Bewijsmiddel 2, inhoudende dat de verdachte, betrapt toen hij nog in de woning was, is gevlucht; Bewijsmiddel 3, als verklaring van de aangever inhoudende dat onbevoegden de sieraden hadden meegenomen; Bewijsmiddel 4, inhoudende dat, kort voor de insluiting van de verdachte, in diens rechter broekzak gouden vingerringen, gouden hangers en een gouden dasspeld werden aangetroffen. I. Kennelijk en niet onbegrijpelijk hebben Gerecht in Eerste Aanleg en Hof uit deze bewijsmiddelen afgeleid dat de sieraden reeds in de macht van de verdachte waren en reeds aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende waren onttrokken, toen de verdachte werd betrapt. Dat de dader zich toen nog niet zelf in veiligheid had gebracht doet aan die begrijpelijkheid niet af. II. Door op die grond te oordelen dat de diefstal was voltooid en niet in het pogingsstadium is blijven steken, hebben Gerecht in Eerste Aanleg en Hof geen blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting.1 De steller van het middel lijkt eraan voorbij te zien dat de door hem gegeven voorbeelden uit de rechtspraak telkens een aanmerkelijk volumineuzer buit betroffen dan de onderhavige zaak. In HR 13 december 1977, NJ 1978, 593 ging het om een zak met camera’s, in HR 1 februari 1983, NJ 1983, 499 om balen cacaobonen, en in HR 2 december 1986, NJ 1987, 589 om autowielen met banden. Geen van zulke voorwerpen kan men gemakkelijk in een broekzak steken, zoals in de onderhavige zaak de sieraden. Op die arresten wordt daarom in de toelichting op het middel tevergeefs en beroep gedaan. III. De eerste klacht van het middel kan daarom niet tot cassatie leiden. IV. Als feit 3 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard: “dat hij op 15 juni 1998 op het eiland Curaçao voorhanden heeft gehad een pistool merk: Pietro Beretta, kaliber 9 millimeter parabellum, model 92 FS, serienummer F58792Z, zulks terwijl uitzonderingen, als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Vuurwapenverordening 1930 in dezen niet van toepassing waren”. V. Art. 3, tweede lid, Vuurwapenverordening 1930, luidt:2 “De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt enkel toe: 1e. aan een publiekrechtelijk lichaam; 2e. aan hem, die het wapen voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft; 3e. aan hem, die ingevolge de “Wapenverordening 1931” het wapen bij zich mag hebben; 4e. aan rechtspersoonlijkheid bezittende schietverenigingen zolang de in artikel 2a van de Wapenverordening 1931 bedoelde vergunning van kracht is, benevens aan de bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, toegelaten weerkorpsen; 5e. aan hem, die het wapen voorhanden heeft met schriftelijke algemene of bijzondere machtiging van het betrokken Plaatselijk Hoofd van Politie. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden. Zij wordt alleen verleend voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vrezen. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt.” VI. De tweede in het middel vervatte klacht, inhoudende dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat geen der in deze bepaling genoemde bevoegdheidsgronden zich voordeed, is gegrond. Weliswaar valt uit de bewijsmiddelen 5 en 6 af te leiden dat de verdachte het pistool van een personeelslid van “Curaçao Surveillance Services” had afgepakt, maar in het bijzonder dat de verdachte niet ingevolge de “Wapenverordening 1931” het wapen bij zich mocht hebben kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid. VII. De opsteller van de telastelegging had het niet van toepassing zijn van de bedoelde uitzonderingen mijns inziens niet ten laste behoeven te leggen. Art. 3, eerste lid, Vuurwapenverordening 1930 luidt namelijk: “Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgend lid genoemd.” Redelijke uitleg van die bepaling noopt ertoe aan te nemen dat de verbodsnorm inhoudt dat het verboden is een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, schending van welke verbodsnorm moet worden telastegelegd en bewezen, terwijl de rechter over het zich voordoen van een uitzondering als in het tweede lid bedoeld slechts een oordeel behoeft te geven ingeval daarop een serieus beroep wordt gedaan. Voorhanden hebben van een vuurwapen of munitie moet immers in het algemeen als sociaal laakbaar worden beschouwd.3 VIII. Het tweede middel heeft betrekking op feit 4. Het middel houdt de klacht in dat Gerecht in Eerste Aanleg en Hof een onjuiste betekenis hebben toegekend aan de term “met gebruikmaking van wapenen”, zoals die voorkomt in art. 314a SrNA. IX. Art.