Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 1990-01-30
ECLI:NL:PHR:1990:AD1057
Civiel recht
Het verzoek van de Gemeente ’s-Gravenhage betreffende het testament van Dr. A. Bredius Edelhoogachtbaar College, 1. De gemeente ’s-Gravenhage verzoekt op grond van art. 1 van de wet van 1 mei 1925, Stb. 174, herziening van het beding, waaronder Dr. A. Bredius, overleden op 13 april 1946, bij testament van 26 april 1944 een verzameling schilderijen en andere kunstvoorwerpen, die zich toen bevond in het museum Bredius aan de Prinsengracht te ’s-Gravenhage, heeft gelegateerd aan de gemeente ’s-Gravenhage. 2. Het beding houdt in dat de gelegateerde schilderijen en andere kunstvoorwerpen “devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée”. Het verzoek strekt tot herziening van dit beding in dier voege dat de collectie blijvend wordt geëxposeerd in het pand Lange Vijverberg 14 te ’s-Gravenhage of in een ander pand te ’s-Gravenhage dat tenminste gelijkwaardig is aan het oorspronkelijke Brediusmuseum. 3. Uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat het testament in Monaco is verleden, dat de erflater aldaar de laatste jaren voor zijn dood woonachtig was, en dat de erflater ten tijde van het verlijden van het testament de Monagaskische nationaliteit bezat.Door deze omstandigheden draagt het verzoek een internationaal karakter, zodat de vraag beslist moet worden of Uw Raad bevoegd is van het verzoek kennis te nemen en, zo ja, of Nederlands recht en meer bepaald de genoemde wet van 1 mei 1925 op het verzoek toepasselijk is. 4. Ten aanzien van de internationale bevoegdheid van de Hoge Raad bevat de wet van 1 m ei 1925 geen voorziening. De twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet in werking getreden voor de rekestprocedure ingevolge de wet van 1 mei 1925, zodat de bevoegdheidsvraag niet wordt beheerst door art. 429 Rv. Evenmin is een andere wettelijke of verdragsregel toepasselijk. De bevoegdheidsvraag zal derhalve aan de hand van ongeschreven internationaal privaatrecht beantwoord moeten worden. 5. Nederland is verbonden met het verzoek doordat verzoekster hier te lande haat zetel heeft en doordat het beding, waarvan herziening wordt verzocht, in Nederland moet worden nageleefd. Deze omstandigheden leveren m.i. voldoende grond voor bevoegdheid van Uw Raad. Vgl. J.P. Verheul/M.W.C. Feteris, Rechtsmacht, deel 2, (1986), p. 173. Het niet rechtstreeks toepasselijke art. 429c Rv. biedt steun aan deze opvatting: de rechter van de woonplaats van de verzoeker is bevoegd (lid 1), tenzij het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland heeft (lid 2). De uitzondering van het tweede lid – de forum non conveniens-restrictie – is niet aan de orde: doordat het beding in Nederland moet worden nageleefd en betrekking heeft op een kunstverzameling die blijvend in Nederland moet worden bewaard en geëxposeerd, heeft het verzoek voldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland. 6. Ervan uitgaande dat de erflater ook ten tijde van zijn overlijden de nationaliteit van Monaco bezat, is naar ongeschreven Nederlands internationaal privaatrecht in beginsel het recht van Monaco op de vererving van zijn nalatenschap toepasselijk. Vgl. I.S. Joppe, Vademecum internationaal erfrecht (1980), p. 33 e.v.; E. Cohen Henriquez, I.P.R. Trends (1980), p. 123 e.v.; R. van Rooij/M.V. Polak, Private International Law in the Netherlands (1987), p. 230/231; L. Strikwerda, Inleiding IPR (1988), p. 149/150; J.G. Sauveplane, Elementair IPR, 9e dr. (1989), p. 49/50. Relativering van de nationaliteitsaanknoping ten gunste van aanknoping aan de laatste woonplaats van de erflater (vgl. Joppe, a.w., p. 34-40) zou in het onderhavige geval niet tot een andere oplossing leiden: der erflater had zijn laatste woonplaats in Monaco. Het Monagaskische recht is derhalve in beginsel toepasselijk. 7. Betekent dit dat de wet van 1 mei 1925 in casu geen toepassing kan vinden en dat het verzoek, na ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, op grond van het recht van Monaco dient te worden berecht? Ik zou menen dat de wet van 1 mei 1925, niettegenstaande de toepasselijkheid van het recht van Monaco op de vererving van de nalatenschap van Dr. Bredius, als voorrangsregel toepassing dient te vinden. Zie over het leerstuk van de voorrangsregels (règles d’application immédiate) o.a. Strikwerda, a.w., p. 84-91 met literatuur – en rechtspraakgegevens. De wet van 1 mei 1925 laat zich als voorrangsregel kwalificeren omdat zij ertoe strekt testamentaire beschikkingen, die kennelijk zijn gemaakt in het algemeen belang (het dienen van de wetenschap of kunst), in dat algemeen belang te wijzigen indien verandering van omstandigheden daartoe noopt, zulks zoveel mogelijk in aansluiting aan de bedoeling van de erflater. Vgl. de M.v.T. op de wet, Tweede Kamer, 1924-1925, 274, nr. 3, p. 1. Zie ook Hand. Eerste Kamer, 1924-1925, 29 april 1925, p. 819 en 820. Door de oriëntatie op het algemeen belang heeft de wet van 1 mei 1925 mede een publiekrechtelijke inslag. De wet onttrekt zich daardoor aan de werking van de algemene verwijzingsregels en vindt in internationale gevallen toepassing indien en voor zover het Nederlands algemeen belang bij het uitvoeren van de testamentaire beschikking is betrokken. Dit laatste is hier het geval: de testamentaire beschikking betreft een in Nederland aanwezige kunstverzameling die naar de wens van de erflater blijvend in Nederland dient te worden bewaard op een voor het publiek toegankelijke wijze. Ik acht de wet van 1 mei 1925 derhalve op het onderhavige verzoek van toepassing. In dit verband zij vermeld dat de in 1988 tijdens de zestiende zitting van de Haagse Conferentie voor het internationaal privaatrecht tot stand gekomen Convention sur la loi apllicable aux successions à cause de mort (Acte final, La Haye, 1e 20 octobre 1988) niet in een algemene bepaling plaats inruimt voor het leerstuk van de voorrangsregels. Art. 15, luidende: “La loi applicable en vertu de la Convention ne porte pas atteinte aux régimes successoraux particuliers auxquels certains immeubles, entreprises ou autres categories spéciales de biens sont soumis par la loi de l’Etat de leur situation en raison de leur destination économique, familiale ou sociale,” Lijkt evenwel gebaseerd op het beginsel waarop het leerstuk van de voorrangsregels stoelt en zou in het onderhavige geval mogelijk tot dezelfde uitkomst leiden als die welke ik zojuist heb bepleit. Zie over het verdrag W. Westbroek, WPNR (1989), nr. 5926. 8. Ik kom tot de slotsom dat Uw Raad bevoegd is van het verzoek kennis te nemen en dat de wet van 1 mei 1925 daarop van toepassing is. 9. Uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken blijkt, dat na het overlijden van de erflater meer dan veertig jaren zijn verlopen, dat de gemeente degene is die het beding waarvan herziening wordt verzocht behoort na te komen, dat het beding niet is een beding waarbij een stichting in het leven wordt geroepen, en dat het beding betreft de plaats waar en de wijze waarop voortbrengselen van kunst in een voor het publiek toegankelijke verzameling moeten worden bewaard. De gemeente kan derhalve in haar verzoek worden ontvangen. 10. De gemeente grondt haar verzoek op de stelling dat het Brediusmuseum in de loop der jaren steeds minder bezoekers heeft getrokken, hetgeen in het bijzonder moet worden toegeschreven aan de locatie van het museum aan de Prinsengracht. In 1985 heeft de gemeente het museum bij gebrek aan belangstelling gesloten. Het pand aan de Lange Vijverberg 14 zou voor het museumbezoekend publiek een betere ligging hebben. 11. De wet stelt twee criteria: de herziening of opheffing van het beding moet zijn in het algemeen belang en zoveel mogelijk aansluiten bij de bedoeling van de erflater. De strekking van het beding waarvan thans herziening wordt verzocht is naar mijn mening enerzijds dat de gelegateerde kunstverzameling op een voor het publiek toegankelijke wijze als eenheid wordt bewaard en anderzijds dat de bestaande band tussen die verzameling en het Brediushuis intact blijft.