Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
1981-01-06
ECLI:NL:PHR:1981:AC7146
Strafrecht
1,304 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:PHR:1981:AC7146 text/xml public 2026-06-01T15:04:02 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AC7146 Parket bij de Hoge Raad 1981-01-06 72486 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1981:AC7146 Rechtspraak.nl NJ 1981, 517 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1981:AC7146 text/html public 2026-06-01T15:02:16 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:1981:AC7146 Parket bij de Hoge Raad , 06-01-1981 / 72486 Toereikend bewijs van het ‘in vereniging’ en ‘opzettelijk’ vervoeren van amfetamine. Voldoende strafmotivering. JL No. 72.486 Zitting 6 januari 1981 Mr. Remmelink Conclusie inzake: [verdachte] . Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak waarin het Hof, ten dele vernietigd, ten dele bevestigend het vonnis van de Rechtbank, requirant heeft veroordeeld terzake van (1) medeplegen van opzettelijk in strijd met het in art. 2, eerste lid, onder B Opiumwet gegeven verbod; (2) opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, eerste lid onder C Opiumwet gegeven verbod, tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar (enz.), tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem drie middelen van cassatie voorgesteld. In middel I klaagt requirant erover, dat de Rechtbank op onvoldoende gronden heeft verworpen het verweer van requirant t.a.v. een de twee telastegelegde feiten (gesteld wordt feit 1, m.i. is het feit 2, R.), dat het aangevoerde bewijs op onrechtmatige wijze verkregen zou zijn (misschien uitlokking door, resp. medeplichtigheid van undercoveragent). De Rechtbank heeft nl. overwogen, dat zij aan dit verweer kon voorbijgaan nu dit, voorzover het al meer dan een suggestie van een mogelijkheid inhield, in het geheel niet door concrete feiten of omstandigheden was geadstrueerd. Het komt mij voor, dat het middel faalt: Rechtbank en Hof hebben hier m.i. vastgesteld, en deze vaststelling zou Uw Raad kunnen respecteren, dat het namens requirant in dit opzicht aangevoerde sterk “potentiële” bezwaar te weinig geconcretiseerd, te vaag was, om als een serieus verweer, waarop een inhoudelijker rechterlijke respons vereist was, te kunnen gelden. Ik meen, dat de rechter inderdaad verweren op deze grond moet kunnen afdoen. Zo zal m.i. een rechter niet hoeven in te gaan op de enkele bewering van een verdachte, dat er wellicht sprake is van overmacht, zonder deze stelling door een opgave van enige relevante feitelijke ondergrond te adstrueren. Wij kunnen dit type verweren m.i. vergelijken met die, welke vanwege hun ongerijmdheid als niet voldoende ernstig gemeend kunnen worden gerubriceerd. Vgl. HR 22 oktober 1963, VR 1963, no. 104. Er is hier een zekere analogie met de wijze waarop Uw Raad te vaag gestelde cassatiemiddelen afdoet. Vgl. HR 4 november 1958, N.J. 1959, no. 192. Nu stelt requirant nog wel, dat wel feitelijke gegevens zijn verstrekt, maar het komt mij voor, dat de Rechtbank de enkele omstandigheid, dat er sprake was van een anonieme informant van de politie niet als zo’n feitelijke informatie heeft hoeven te beschouwen. Vgl. van dit onderwerp Knigge, Beslissen en motiveren, p. 100. In middel II betwist requirant, dat het Hof heeft kunnen bewezen achten, dat requirant tezamen en in vereniging met een ander amfetamine zou hebben vervoerd, en wetenschap hiervan zou hebben gehad. Het komt mij voor, dat het Hof een en ander mede aan de hand van de regels van de menselijke ervaring geredelijk heeft kunnen afleiden uit de verklaring van [betrokkene 1] , voorkomende in het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van de politie. Daarin komt o.m. voor, dat hij ( [betrokkene 1] ) in verband met de amfetamine naar het café Le Bateau moest komen, alwaar hij requirant trof, die hem vertelde, dat de amfetamine naar Gorcum gebracht moest worden. Nadien heeft [betrokkene 1] requirant meegenomen in de auto om amfetamine weg te brengen. Ik merk op, dat in cassatie uiteraard in het midden blijft, of de conclusies van de feitelijke rechter juist zijn, maar dat het Hof hier heeft kùnnen aannemen, dat requirant ook bij deze affaire betrokken was, lijkt mij buiten kijf. Tenslotte merk ik op, dat het Hof hier bovendien kon volstaan met het bewijs van voorwaardelijk opzet, omdat in de telastelegging slechts van opzet, niet van wetenschap werd gerept. In middel III klaagt requirant erover, dat de strafmotivering tekort zou schieten. Gelet op het grote gevaar voor de volksgezondheid dat requirants gedrag zal hebben opgeleverd (er staat op deze feiten een maximumstraf van 10 2/3 jaar gevangenisstraf) en gelet ook op het requisitoir van de P.G. (2 j. en 9 m.) komt het mij voor dat het Hof niet tot nadere redengeving dan verwijzing naar feiten, persoon en omstandigheden verplicht was. Ieder die dit arrest leest, zal zich over deze straf allerminst verwonderen. Dat de straf hoger is uitgevallen dan die door de Rechtbank werd opgelegd wordt zonder meer verklaard door de omstandigheid, dat het Hof requirant ook schuldig achtte aan het sub 1 telastegelegde, waarvan de Rechtbank had vrijgesproken. Vgl. hierover nog HR 20 november 1979, NJ 1980, no. 119. De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,