Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 1930-12-01
ECLI:NL:PHR:1930:4
Conclusie van den Adv .- Gen. Van Lier. Aan de Naamlooze Vennootschap Automaatschappij „ Gado " is ingevolge art. 2 van de Wet van 23 April 1860 S. 67 gewijzigd bij de wet van 30 Juli 1926 S. 250, door Gedeputeerde Staten van Groningen bij hun besluit van 25 Mei 1927 vergunning verleend tot het in werking houden van een dagelijkschen autobusdienst Groningen-Zuidbroek-Noordbroek -Winschoten v.v. en van een dagelijkschen autobusdienst Groningen - Zuidbroek- Veendam-Bareveld v.v., bij welke vergunning onder meer is bepaald, dat de tarieven en dienstregelingen aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten zijn onderworpen. Volgens die goedgekeurde dienstregeling loopt de autobus van de Groote Markt te Groningen af en eindigt de dienst ook daar. De exploitatie ondervindt echter moeilijkheden tengevolge van een besluit van Burgemeester en Wethouders der Gemeente Groningen van 31 December 1929, betreffende het gesloten verklaren voor het berijden met motorrijtuigen op meer dan twee wielen, welke langer dan 5 en breeder dan 2 M. zijn, in beide richtingen, van alle straten gelegen binnen het gedeelte van de bebouwde kom der gemeente, hetwelk wordt ingesloten door het Verbindingskanaal, de Zuiderhaven, de A, de Noorderhaven, het Loopende Diep, de Spilsluizen, het Schuitendiep en de Oosterhaven, met inbegrip van de over deze wateren gelegen bruggen. Ondanks de door Gedeputeerde Staten verleende vergunning handhaaft het Gemeentebestuur ten aanzien van de autobussen de gesloten verklaring der toegangswegen tot de Groote Markt, zoodat de dienst niet overeenkomstig de vergunning kan worden uitgeoefend. Gerequireerde, directeur van de autobusonderneming „ Gado " is ter verantwoording geroepen voor den kantonrechter te Groningen, ter zake: dat hij op of omstreeks 15 Januari 1930 in de gemeente Groningen door misbruik van gezag opzettelijk heeft uitgelokt, dat de aan hem ondergeschikte chauffeur [betrokkene 1] op 15 Januari 1930 des namiddags te ongeveer 3 uur aldaar als bestuurder van een motorrijtuig op meer dan twee wielen, niet uitsluitend bestemd en ingericht voor het vervoer van vrachten, hetwelk langer was dan 5 en breeder dan 2 meter, daarmede heeft gereden over den voor het openbaar verkeer openstaanden rijweg, de Poelestraat, zijnde een straat, gelegen binnen het gedeelte van de bebouwde kom van Groningen, hetwelk wordt ingesloten door het Verbindingskanaal, de Zuiderhaven, de A, de Noorderhaven, het Loopende Diep, de Spilsluizen, het Schuitendiep en de Oosterhaven, terwijl deze weg ingevolge art. 8 van het Motor- en Rijwielreglement en met inachtneming van het bepaalde bij art. 10 van dat reglement voor het verkeer met motorrijtuigen op meer dan twee wielen, welke langer dan 5 of breeder dan 2 meter zijn, in beide richtingen was gesloten; Door den kantonrechter veroordeeld tot een geldboete werd gerequireerde in hooger beroep met vernietiging van het vonnis in eersten aanleg, vrijgesproken. De Rechtbank achtte bewezen, dat gerequireerde opzettelijk heeft uitgelokt, hetgeen in de dagvaarding is omschreven, maar oordeelde, dat gerequireerde die handelingen rechtmatig heeft verricht en dat niet kan worden gezegd, dat daarbij misbruik van gezag is gemaakt. De Rechtbank kwam tot zijne beslissing op de volgende gronden: dat de chauffeur [betrokkene 1] op last van verdachte heeft overtreden het verbod, neergelegd in het Besluit van Burgemeester en Wethouders der gemeente Groningen van 31 December 1929, afgekondigd 2 Januari 1930 Nº. 1, welk besluit is genomen krachtens het Besluit van den Raad dier gemeente d.d. 14 November 1927 N". 12; dat voormeld Provinciaal Blad inhoudt een besluit van Gedeputeerde Staten der provincie Groningen van 25 Mei 1927, waarbij aan de N. V. Automaatschappij „ G.A.D.O. " tot wederopzeggings toe, voorzoover de provincie Groningen betreft, vergunning is verleend tot het in werking houden van een dagelijkschen autobusdienst Groningen-Zuidbroek- Noordbroek-Winschoten v.v. en van een dagelijkschen autobusdienst Groningen-Zuidbroek- Veendam-Bareveld v.v. onder meer onder de voorwaarde, dat de tarieven en dienstregelingen aan de goedkeuring van hun College zijn onderworpen; dat aan deze voorwaarde op 15 Januari 1930 was voldaan blijkens voormelde afdrukken van tarieven en dienstregelingen, die de mededeeling bevatten: „Goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten der provincie Groningen in hunne vergadering van 7 Juni 1928 onder Nº. 28, 1e Afd. Mij bekend: De Griffier der Staten van Groningen (get.) [betrokkene 2] "; dat verdachte, den autobusdienst onderhoudende krachtens de hem verleende vergunning, verplicht is, zich aan de in die vergunning gestelde voorwaarden te houden en dientengevolge evenzeer verplicht is, den dienst te onderhouden volgens de ingevolge die voorwaarden goedgekeurde dienstregeling, waaraan niet afdoet, dat de dienstregeling is goedgekeurd, nadat het besluit tot verleening der vergunning was genomen, daar immers het onderhouden van den dienst in dat besluit afhankelijk was gesteld van de goedkeuring der dienstregeling; dat voormelde afdruk dienstregeling zoowel voor de lijn Winschoten-Groningen als voor de lijn Bareveld-Groningen als eindpunt en vaste halte vermeldt de Groote Markt te Groningen, zoodat op vorenstaande gronden verdachte verplicht was, de autobussen van zijn onderneming tot dat eindpunt te doen doorrijden; dat ook de gemeentelijke wetgever zich aan de door Gedeputeerde Staten krachtens de hun bij de Wet betreffende de Openbare Middelen van Vervoer verleende bevoegdheid verleende vergunning heeft te onderwerpen en den houder eener intercommunale autobusonderneming niet feitelijk mag verhinderen, den dienst te onderhouden overeenkomstig de voorwaarden der vergunning, aan welk vereischte voormeld besluit van Burgemeester en Wethouders niet voldoet, daar het, door het bij dagvaarding vermelde gedeelte der bebouwde kom gesloten te verklaren voor de in het besluit nader aangeduide motorrijtuigen, den autobus van de onderneming van verdachte feitelijk verhindert door te rijden naar het in de dienstregeling aangegeven eindpunt en vaste halte, de Groote Markt te Groningen; dat verdachte niet den dienst met autobussen van niet langer dan 5 meter lengte en niet breeder dan 2 meter vermocht te onderhouden, daar hem bij de voorwaarden tot de vergunning tevens was opgelegd, voor elk der diensten een reservebus met 22 zitplaatsen ter beschikking te houden, en ook deze reservebussen, in dienst gesteld, de geheele route van de dienstregeling hadden te volgen en op de daar aangegeven halteplaatsen hadden te stoppen; dat, nu het besluit van Burgemeester en Wethouders den verdachte verhinderde, een hem krachtens een rijkswet door Gedeputeerde Staten verleende bevoegdheid uit te oefenen, dit besluit niet verbindend is en verdachte derhalve, handelende als bewezen verklaard, die handelingen rechtmatig heeft verricht en niet kan worden gezegd, daarbij misbruik van gezag te hebben gemaakt. Tegen deze uitspraak van de Rechtbank, heeft de Heer requirant zich voorzien in cassatie. Als middel van cassatie is voorgesteld: Schending of verkeerde toepassing van art. 2 van de Motor- en Rijwielwet, de artt. 8, 11 en 73 van het Motor- en Rijwielreglement, het Besluit van den Raad van de Gemeente Groningen dd. 14 November 1927 nº. 12, sub IVa en het Besluit van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Groningen dd. 31 December 1929 n°. 1. In zijn ingezonden schriftuur betoogt de Heer requirant, dat de Rechtbank uitsluitend op grond van een rechtsbeschouwing omtrent het overtreden artikel den verdachte heeft vrijgesproken, deze vrijspraak derhalve een bedekt ontslag van rechtsvervolging is, waartegen het beroep in cassatie is toegelaten. Voorts wordt de vraag gesteld of de rechter wel bevoegd is het bedoelde besluit van B. en W. onverbindend te verklaren en vervolgens aangevoerd dat Gedeputeerde Staten wel vergunning verleenen voor openbare autobusdiensten krachtens de Wet Openbare Vervoermiddelen, maar dat krachtens het Motor- en Rijwielreglement (art. 8) aan den gemeentelijken wetgever de bevoegdheid toekomt in het belang van de vrijheid en de veiligheid van het verkeer wegen, geheel of gedeeltelijk gesloten te verklaren, o. a. voor het berijden met motorrijtuigen. Ook is de Heer requirant van meening dat Gedeputeerde Staten in de vergunning aan de „ Gado " verleend niet de eisch hebben gesteld, dat een bepaalde door Gedeputeerde Staten aangegeven route door de stad moest worden gevolgd. Naar zijne opvatting wordt verdachte niet belet om de dienstregeling te herzien en heeft de Rechtbank ten onrechte het besluit van B. en W. van Groningen onverbindend verklaard. Het beroep in cassatie acht ik ontvankelijk; de gegeven vrijspraak berust immers op rechtskundige beschouwingen, en is niet een vrijspraak als bedoeld in art. 430 Sv. In dergelijke conflicten, waarbij de gemeentelijke regeling geen rekening hield met door Gedeputeerde Staten verleende vergunningen voor intercommunale autobusdiensten heeft de Hooge Raad bereids geoordeeld bij het arrest van 19 Maart 1928 W. 11790, N. J. 1928, 497 (Breda) en bij arrest van 17 Maart 1930 W. 12105 (N. J. 1930, blz. 1332, Red.) (Wijk aan Zee). Bij deze arresten is aangenomen, dat de strekking van de wet Openbare Vervoermiddelen medebrengt, dat de door Gedeputeerde Staten bij het verleenen van vergunning tot het in werking brengen van intercommunale autobusdiensten, te stellen voorwaarden punten mogen betreffen als begin en einde der autobuslijnen, de te volgen route en de plaatsen waar tot het in- en uitlaten van passagiers moet worden gestopt. In verband hiermede werd in de arresten beslist, dat de gemeentelijke overheid ook na de wijzigingswet van 1926 bevoegd is gebleven om naar mate van plaatselijke omstandigheden en behoeften het openbaar verkeer binnen de Gemeente te regelen, ook waar dit deel uitmaakt van het intercommunaal verkeer, doch een regeling krachtens die bevoegdheid vastgesteld, niet zoo ver mag gaan, dat daardoor de mogelijkheid om een intercommunale autobusdienst overeenkomstig de daartoe verleende vergunning te onderhouden, feitelijk wordt opgeheven of geheel afhankelijk gesteld van het goedvinden van Burgemeester en Wethouders. Krachtens het besluit van den Gemeenteraad van Groningen van 14 November 1927 hebben B. en W. van Groningen bij hun reeds genoemd besluit alle straten, gelegen binnen het in het besluit nader omschreven gedeelte van de bebouwde kom der gemeente gesloten verklaard in beide richtingen voor het berijden van motorrijtuigen op meer dan 2 wielen, welke langer dan 5 of breeder dan 2 Meter zijn. Dientengevolge kunnen de autobussen van de „ Gado " niet het punt van aanvang en het eindpunt, nl. de Groote Markt, bereiken. De gemeentelijke regeling maakt het alzoo onmogelijk om deze intercommunale autobusdienst overeenkomstig de daartoe verleende vergunning te onderhouden. De uitspraak van de Rechtbank, waarbij het bedoelde besluit van Burgemeester en Wethouders onverbindend werd geacht, is overeenkomstig de beslissingen van den Hoogen Raad in de aangehaalde arresten gegeven. In het onderhavige geval is de gemeentelijke overheid bij het regelen van het verkeer verder gegaan dan met de Wet Openbare Vervoermiddelen in overeenstemming te brengen is. De Heer requirant beroept zich op de bevoegdheid aan de gemeentebesturen gegeven in art. 8 van het Motor- en Rijwielreglement om in het belang van de vrijheid en van de veiligheid van het verkeer wegen gesloten te verklaren; maar ook deze bevoegdheid zal evenals die voortvloeiende uit art. 135 der Gemeentewet door de gemeentelijke organen uitgeoefend dienen te worden met inachtneming van hetgeen door hooger gezag krachtens de wet vastgesteld is. Indien met den Heer requirant zou moeten worden aangenomen, dat de gemeentelijke overheid, bij de uitoefening van de bevoegdheid haar in art. 8 van het Motor- en Rijwielreglement gegeven, zich niet zou hebben te bekommeren over hetgeen door Gedeputeerde Staten vastgesteld is ten behoeve van het verkeer door internationale autobusdiensten, dan zou elk daarbij betrokken gemeentebestuur de macht hebben besluiten van Gedeputeerde Staten ten aanzien van deze aangelegenheid krachteloos te maken. Een dergelijke opvatting is, als niet te rijmen met de staatsrechtelijke verhouding van de provinciale en de gemeentelijke organen, onaannemelijk. Nu Gedeputeerde Staten van Groningen bepaald hebben, dat de intercommunale autobusdienst Gado aanvangt op de Groote Markt te Groningen en daar eindigt, kan door geen gemeentelijke verordening of besluit in deze regeling wijziging gebracht worden. Hare bezwaren tegen de verleende vergunning heeft de gemeente geldend kunnen maken op andere wijze n.l. door volgens art. 3 Wet Openbare Vervoermiddelen van de beschikking van Gedeputeerde Staten in beroep te komen bij de Kroon. Op de vraag van den Heer requirant of de Rechtbank wel bevoegd was de verbindbaarheid van het besluit van B. en W. van Groningen te toetsen, geeft de vaststaande rechtspraak van den Hoogen Raad een bevestigend antwoord. Nog wordt in de schriftuur de meening aangehangen, dat door de verleende vergunning gerequireerde niet verplicht was de aangegeven route door de stad te volgen; de goedkeuring van de dienstregeling door Ged. Staten zou slechts deze beteekenis hebben, dat dit College tegen die dienstregeling geen bezwaar heeft. Deze opvatting doet aan het publiekrechtelijk karakter van de goedkeuring door Gedeputeerde Staten weinig recht wedervaren. De keuring van de dienstregeling door het College dient om vast te leggen hoe de dienstregeling, volgens het oordeel van Gedeputeerde Staten dient te zijn. Deze moet ingevolge art. 5 en 6 Wet Openbare Vervoermiddelen gepubliceerd worden. Aankondiging moet plaats hebben o. a. van den weg, waarlangs de onderneming uitgeoefend zal worden, van de plaatsen waar geregeld zal worden stilgehouden tot het in- en uitlaten van reizigers, van de dagen en uren, waarop het openbaar middel van vervoer van elke plaats zal vertrekken en daar aankomen, van de vrachtprijzen voor de reizigers en hunne bagage van en naar de onderscheidene plaatsen. Hoezeer de wetgever er waarde aan gehecht heeft, dat de exploitatie van een openbare autobusdienst niet anders zal geschieden, dan door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, blijkt uit de artt. 12 en 13 der Wet Openbare Vervoermiddelen. Bij art. 12 is strafbaar gesteld het in werking brengen of houden van den dienst anders dan met inachtneming van de vergunning en volgens art. 13 kan een met de vergunning strijdige wijze van exploitatie belet worden. Aan de aan de onderneming verleende vergunning was de voorwaarde verbonden van goedkeuring door het College van Gedeputeerde Staten van de tarieven en dienstregelingen. Deze was alzoo verplicht de dienst te onderhouden met inachtneming o. a. van de vastgestelde dienstregeling en was gehouden de autobussen van en naar de Groote Markt te Groningen te doen rijden, zooals Gedeputeerde Staten bepaald hadden. Terecht heeft dus de Rechtbank aangenomen, dat gerequireerde door aan den aan hem ondergeschikten chauffeur last te geven door de Poelestraat naar de Groote Markt te rijden, zijn gezag niet misbruikte en rechtmatig handelde. De tegen de uitspraak der Rechtbank geuite grieven acht ik derhalve niet gegrond en ik concludeer tot verwerping van het beroep.