Rechtspraak 1999-10-15
ECLI:NL:ORBBNAA:1999:BU9690
Beschikking van 15 oktober 1999, nr. 1998/214. DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Curaçao, inzake: belanghebbende tegen de Inspecteur der Belastingen 1. Procesverloop 1.1. Aan appellant is, gedagtekend 29 mei 1998, voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een zuiver inkomen van Naf. 49.774,= welke aanslag – na daartegen door appellant tijdig gemaakt bezwaar – door de inspecteur bij beschikking van 26 augustus 1998 is gehandhaafd. 1.2. Tegen de beschikking op bezwaar is appellant op 27 november 1998 in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op Curaçao op 21 april 1999, waar beide partijen zijn verschenen. Namens appellant is een pleitnota voorgedragen en overgelegd. 2. Ontvankelijkheid van het beroep. 2.1. Appellant stelt – onweersproken – dat hij het afschrift van de op 26 augustus 1998 gedateerde beschikking op bezwaar niet heeft ontvangen en dat hij pas op 27 november 1998 telefonisch door de inspecteur ervan op de hoogte werd gesteld dat deze al op het bezwaar had beschikt. Nog dezelfde dag heeft appellant zijn beroepschrift ingediend. 2.2. Artikel 47, lid 1, LIB bepaalt dat degene die bezwaar heeft tegen de beschikking op zijn bezwaarschrift binnen twee maanden, nadat het afschrift ingevolge artikel 46 ter post is bezorgd of tegen ontvangstbewijs is uitgereikt, in beroep kan komen bij de Raad. Artikel 46, lid 2, LIB schrijft de inspecteur voor dat hij een afschrift van zijn beschikking op het bezwaarschrift aan de reclamant uitreikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs. Gesteld noch gebleken is dat het één of het ander is gebeurd. Daarom moet de Raad ervan uitgaan dat het één noch het ander is geschied. 2.3. Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat de beroepstermijn niet al op 26 augustus 1998 is aangevangen, maar op 27 november 1998, zodat appellant in zijn beroep kan worden ontvangen. 3. Vaststaande feiten 3.1. Appellant woont, met zijn echtgenote, sinds 27 december 1993 op Curaçao. Hij voldoet aan de voorwaarden van de regeling die is neergelegd in de artikelen 23B tot en met 23D van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB) (teksten tot 1 januari 1998), ook wel de penshonadoregeling genoemd. Appellant is dus – kort gezegd – een penshonado. 3.2. Het zuiver inkomen van appellant over het jaar 1994 beliep, als gevolg van hoge onderhoudskosten voor de eigen woning, (negatief) Naf. 460.826,=. Er is dus sprake van een verrekenbaar verlies als bedoeld in artikel 15 LIB. 3.3. In 1995 genoot appellant aan (negatieve) opbrengst van de eigen woning Naf. 116.551,=, aan rente Naf. 22.335,= en aan (buitenlandse) winst uit aanmerkelijk belang Naf. 2.800.000,=. Hij opteerde in dat jaar voor de fictie van artikel 23B, lid 2, LIB (tekst tot 1 januari 1998), als gevolg waarvan niet de aanmerkelijk belangwinst maar een fictief inkomen van Naf. 150.000,= tot het zuiver inkomen werd gerekend. De aanslag voor het jaar 1995 staat overigens nog niet onherroepelijk vast. 3.4. Appellant deed over het jaar 1996 aangifte van een zuiver inkomen van nihil, bestaande uit een inkomen voor verliesverrekening van Naf. 49.774,= verminderd met een gedeelte ad Naf. 49.774,= van het in 1994 geleden verlies. 3.5. Bij de aanslagregeling ging de inspecteur niet akkoord met de verliesverrekening en legde hij een aanslag op berekend naar een zuiver inkomen van Naf. 49.774,=. 4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 4.1. Het geschil betreft de vraag of appellant in 1996 (en eventueel daarna) recht heeft op verliesverrekening, welke vraag de inspecteur ontkennend en appellant bevestigend beantwoordt. 4.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag welke positie uit een oogpunt van wet systematiek de in artikel 23B, lid 2, LIB (tekst tot 1 januari 1998) neergelegde fictie inneemt. De inspecteur stelt dat de verliesverrekening moet p