Rechtspraak 1989-02-09
ECLI:NL:ORBBNAA:1989:BQ8635
BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP 9 februari 1989 1989-008 (kenmerk 71/1986) Gezien het bij de Raad op 31 oktober 1986 ingekomen beroepschrift van L Ltd. , verder te noemen L, waarbij L in beroep komt tegen de afwijzende beschikking van de Inspecteur dd 30 september 1986 op het bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag Loonbelasting over de jaren 1980 tot en met 1984, (artikel xxxxx) gedagtekend 6 december 1985, alsmede de nadere motivering van dit beroepschrift door L ingekomen bij de Raad op 23 oktober 1987; Gezien het op 20 april 1988 ingekomen vertoogschrift van de inspecteur en het door L op 19 juli 1988 ingediende verweerschrift; Gelet op de mondelinge behandeling van 9 september 1988 waarbij partijen hun standpunten mondeling hebben toegelicht en waarbij beide partijen een pleitnota hebben overgelegd; Overwegende: 1. L is tijdig in beroep gekomen zodat zij daarin kan worden ontvangen. 2. Ten aanzien van de stelling van L dat het onjuist is dat de correcties over de jaren 1980 tot en met 1984 in een aanslag zijn samengevoegd merkt de Raad op deze stelling niet te delen. Noch de tekst van de Landsverordening Loonbelasting 1976 noch de uitleg daarvan verzetten zich tegen het opleggen van correcties van een aantal jaren in een aanslag welke procedure ook gevestigde praktijk is geworden. 3. L maakt voorts bezwaar tegen het betrekken van 1983 in de volledige bijtelling, op basis van een aanschrijving van de ………. L stelt dat over deze aanschrijving gedurende het gehele jaar 1983 met de Minister werd onderhandeld en dat de Minister pas eind 1983 de inwerkingtreding daarvan afkondigde. L is er pas in 1984 achter gekomen dat de aanschrijving in werking was getreden. L is van mening dat de Minister een aanschrijving van een dergelijke strekking middels afkondiging in een officieel orgaan dan wel op zijn minst door afkondiging in een van de plaatselijke dagbladen had moeten laten plaats vinden, wilde deze aanschrijving rechtskracht hebben. 4. Bovendien stelt L dat zij met de fiscus een schriftelijke afspraak had, gedateerd 27 april 1979, waarin bepaalde vergoedingen door L aan haar werknemers niet belast waren, zoals resettlement expenses, repatriation allowance, relocation expenses, emergency home leave travel, educational assistance etc. Deze regeling blijft naar de mening van L van kracht zolang er niet andere voor in de plaats getreden zijn. Volgens L schendt de Inspecteur algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name het vertrouwensbeginsel als hij zich hieraan niet houdt. 5. De Raad stelt vast dat L, zoals zij in haar beroepschrift aangeeft, de algemene aanschrijving per brief van 1 februari 1983 ontvangen heeft. De Raad begrijpt uit het verdere betoog van L dat de Minister niettemin de aanschrijving officieel had moeten afkondigen wil zij in werking hebben kunnen treden en L hebben kunnen binden. De Raad acht deze stelling niet juist. Immers, niet is op enigerlei wijze gebleken dat de Minister na verzending van de aanschrijving de uitvoering ervan opgeschort heeft, totdat de Vereniging Offshore Belangen, waarmee hij voorafgaand aan de aanschrijving uitvoerig overleg heeft gepleegd, en hij zelf de bezwaren van deze vereniging tegen de aanschrijving besproken hadden. Ook het telegram dat de Minister van Financiën De Paula op 13 december 1983 aan de voorzitter van de Vereniging van Offshore Belangen zond wijst niet in die richting. Integendeel, de Minister bericht in dat telegram als volgt: “Nadat diverse argumenten, zowel mondeling als schriftelijk, aan mij zijn voorgelegd ter versoepeling van de in begin van dit jaar getroffen regeling inzake belastingheffing op vergoedingen in natura heb ik na ampele overwegingen, waarbij de ontwikkeling van de Nederlandse Antillen tot een financieel Dienstencentrum en het laten prevaleren van het draagkrachtsbeginsel bij de belastingheffing tegen elkaar worden afgezet, het volgende besloten: De regeling begin dit jaar getroffen blijft van kracht met dien verstande dat: etc... Uit dit te De Raad gaat hierna over tot het bespreken van de afzonderlijke correcties: <u>Resettlement allowance, home purchase sale, forced sale auto</u> L doet een beroep op de afspraak van 27 april 1979, maar de Raad heeft hierboven reeds vastgesteld dat deze afspraak ongedaan gemaakt is voor wat betreft de periode vanaf 1 februari 1983 door de aanschrijving van 1 februari 1983. L verwijst ook naar de uitspraak van de Raad van 26 juni 1974 in de zaak Overberg op grond waarvan deze vergoedingen onbelast zouden zijn. De Raad deelt te dezer het standpunt van de Inspecteur. De uitspraak van de Raad in de zaak Overberg is in zoverre achterhaald dat het bedrag van de herinrichtingstoelage welk in aanmerking komt om niet belast te worden in verband met de toeneming van de kosten van levensonderhoud op een hoger niveau gesteld dient te worden dan het. bedrag van f.5000,- dat als criterium gold in de zaak Overberg. Het bedrag dat de Inspecteur als niet belastbaar in aanmerking heeft genomen, namelijk f. 12. 000,- komt de Raad in het onderhavige geval, waarin L op geen enkele wijze met concrete gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de werkelijke inrichtingkosten hoger zijn dat dit bedrag, als uiterst redelijk voor. Er is dan ook geen sprake van dat de Inspecteur een uitspraak ….. <u>Property management fee</u> De Raad beschouwt deze “fee” welke door L aan haar werknemers wordt vergoed als woninglasten welke voor de werknemer aftrekbare kosten vormen terzake van dienstbetrekking. Bedoelde kosten zijn het gevolg van het in eigendom hebben van onroerend goed in het land van oorsprong en zijn niet direct verbonden met de dienstbetrekking als zodanig. Deze kosten welke door L vergoed worden, worden derhalve normaal belast. De correctie blijft gehandhaafd. <u>Emergency leave</u> De vergoeding van deze privé-kosten door de werkgever, welke kosten niet werden gemaakt ten behoeve van de dienstbetrekking, worden door de Raad als loonbestanddeel gezien en is derhalve belastbaar. De correctie wordt gehandhaafd. <u>Education assistance</u> Uit de overeenkomst van 27 april 1979 blijkt dat de education assistance “up to College level” belastingvrij is. De reiskosten evenwel van de kinderen, onder wie de kinderen uit een vorig huwelijk worden wel belast. L betwist dit. Ten aanzien van de situatie na 1 januari 1983 heeft de Raad hiervoor al opgemerkt dat de overeenkomst van 27 april 1979 door de aanschrijving van de Minister is vervallen. Bedoelde kosten van de education assistance zijn geen aftrekbare kosten voor de werknemer. Vergoeding van deze kosten door de werkgever betekent dat deze vergoeding tot het loon van de werknemer wordt gerekend. De vergoedingen te dezen zijn te beschouwen als betaling in geld en niet in natura, zoals L ten onrechte meent. De correctie blijft gehandhaafd. <u>Acceptance bonus</u> De werknemer ontvangt bij het aanvaarden van een functie te Aruba een acceptance bonus. Deze vergoeding vindt zijn oorzaak in de dienstbetrekking van de betrokken werknemer met L. Op het moment van aanvaarden van deze functie en het genieten van deze bonus is de betrokken werknemer nog niet werkzaam op Aruba, maar dat betekent niet dat voor wat betreft de periode vanaf 1 februari 1983 de door hem ontvangen bonus niet belast is. Ingevolge artikel 2 lid 2 sub a van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 wordt degene die niet binnen de Nederlandse Antillen …… Dit houdt in dat ook toekomstige vervulling van de dienstbetrekking geacht wordt onder dit artikel te vallen. De acceptance bonus is onverbrekelijk verbonden met het accepteren van de dienstbetrekking op Aruba, omdat het hier voordeel uit de dienstbetrekking betreft en is derhalve belast. De correctie blijft gehandhaafd. <u>Appliance reimbursement</u> Het bijzonder tarief is, zoals reeds onder punt 11 is overwogen, niet van toepassing op vergoedingen bij overplaatsing <u>Korting E-producten</u> L heeft geen verwe