Rechtspraak 1988-02-18
ECLI:NL:ORBBNAA:1988:BQ8612
BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP 18 februari 1988 1988-001 (kenmerk 31-1987) Procesverloop: Bij op 24 augustus 1967 bij de Raad ingekomen beroepschrift is appellante, onder overlegging van producties, in beroep gekomen van de beschikking van de Inspecteur, d.d. 12 mei 1987, voor eensluidend afschrift uitgereikt op 1 juli 1987.Bij deze beschikking heeft de Inspecteur beslist het bezwaarschrift van appellant tegen zijn aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1981, artikel nr. xxxxx. De Inspecteur heeft de opgelegde aanslag - appellant was aangeslagen naar een zuiver inkomen van f. 87.499,- voor een bedrag van f. 30.847,50 - gehandhaafd. Op 6 oktober 1987 is het vertoogschrift, met bijlagen, van de Inspectie ingekomen bij de Raad. Appellant heeft hierop gereageerd bij verweerschrift, ingekomen bij de Raad op 10 december 1987. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 22 januari 1988. Door inspecteur en de gemachtigde van appellant zijn de wederzijdse standpunten toegelicht aan de hand van overgelegde p1eitnota’s. Beoordeling van de zaak: 1. Aard van het geschil In deze zaak gaat het om de vraag of artikel 17 lid 1 sub b van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 van toepassing is op appellant. Dit artikel luidt: “De niet binnen de Nederlandse Antillen wonende personen bedoeld in artikel 1 lid 3 zijn belastingplichtig naar hun gehele zuivere inkomen genoten in het kalenderjaar of belastingtijdvak, voorzover dit werd verkregen uit de opbrengst van: h. uit de lands- of eilandskas bezoldigde ambten, terwijl de aan deze ambten verbonden werkzaamheden buiten de Nederlandse Antillen werden verricht.” 2. De vaststaande feiten: Appellant woont sedert 1980 in New York, U.S.A. Op 15 september 1980 heeft hij met het Eiland gebied Curaçao een overeenkomst gesloten, waarbij hij voor de periode van 1 oktober 1980 tot en met 31 december 1980 wordt te werk gesteld als coördinator van het Curaçao Tourist Bord in New York. In deze overeenkomst worden partijen respectievelijk aangeduid als ”werknemer”, terwijl appellant voor zijn werkzaamheden “een maandelijks salaris van USS 3.000,-” ontvangt. Eveneens op 15 september 1980 is tussen het Eilandgebied Curaçao en appellant, nu echter als vertegenwoordiger van X Associates een overeenkomst gesloten, waarbij laatstgenoemde werd belast met de leiding van het Curaçao Tourist Board in New York voor de periode van 1 januari 1981 tot en met 31 december 1983. Op 14 oktober 1983 is een vrijwel identieke overeenkomst gesloten voor de periode van 1 januari 1984 tot en met 31 december 1986. In beide laatstbedoelde overeenkomsten worden partijen aangeduid als respectievelijk “Curaçao” en “X” en ontvangt “X” voor zijn diensten een maandelijkse “management fee”. 3. Het standpunt van appellant: Appellant is van mening dat de Inspecteur hem ten onrechte als buitenlands belastingplichtige aanmerkt. Volgens appellant is er geen sprake van een “bezoldigd ambt” zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 onder h. De term “ambt”, aldus appellant, duidt uitsluitend op een publiekrechtelijke dienstbetrekking of een publiekrechtelijke ambtenaar. Appellant betwist dat het begrip “ambt” mede de privaatrechtelijke dienstbetrekking zou omvatten. Bovendien is appellant van mening dat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant stelt dat de overeenkomst tussen het Eilandgebied Curaçao en de maatschap X Associates een beheersovereenkomst is. Appellant beroept zich ter ondersteuning van zijn standpunt op het artikel van Drs. J.A. Gladpootjes en Mr. J.A. Rodriguez Pereira, ‘De management-BV, acceptabel ja of nee?”, Weekblad 1987/5766, p.332-334, alsmede op de be1issing van het Hof Arnhem, d.d. 11 mei 1981, BNB 1982/19. Bij een beheersovereenkomst staan de aktiviteiten die uitgevoerd moeten worden centraal en niet de persoon die de aktiviteiten zal uitvoeren. Voorts voert appellant aan, dat in de overeenkomst tussen het Eilandgebied Curaçao en X Associates de voor een privaatrechtelijke dienstbetre Aan de hand van het vorenstaande is de Inspecteur van mening dat ieder niet-inwoner van de N.A., die in een dienstbetrekking staat tot een N.A. publiekrechtelijke persoon, terwijl de aan deze dienstbetrekking verbonden werkzaamheden buiten de N.A. worden verricht, op grond van artikel 17 lid 1 h van de L.I.B. ‘43 in de N.A. aan de inkomstenbelasting onderworpen is. Hierbij is niet van belang of bij de persoon in kwestie, in feite, loonbelasting is ingehouden. (vgl. de uitspraak van 27 oktober 1986, Beschikking no. 26/86). De Inspecteur is voorts van mening dat onder “in dienstbetrekking steen tot een Antilliaans publiekrechtelijke persoon” zoals hiervoor bedoeld, zowel de publiekrechtelijke dienstbetrekking (de ambtenaar in de zin van de Landsverordening Materiee1 Ambtenarenrecht (hierna aangeduid als L.M.A.) als de privaatrechtelijke arbeidsverhouding met de overheid dienen te worden verstaan. In dit verband wijst de Inspecteur erop dat tal van medewerkers van het Antillenhuis in Den Haag een privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben met de Antilliaanse overheid en dat zij op grond van artikel 17 lid 1 sub h in de nationale inkomstenbelasting worden betrokken. De Inspecteur is voorts van mening dat de verhouding tussen appellant en het Eilandgebied Curaçao als een privaatrechtelijke dienstbetrekking is aan te merken. De Inspecteur leidt dit af uit de volgende omstandigheden. Blijkens een schrijven van de toenmalige gedeputeerde van toerisme werd voorgesteld om appellant per 1 oktober 1980 te benoemen tot waarnemend direkteur en per 1 januari 1981 tot direkteur van het Curaçao Tourist Board te New York en om aan appellant en echtgenote overtochtskosten en uitrustingskosten toe te kennen zoals gebruikelijk voor ambtenaren bij dienstreizen. Bij de (eerste) overeenkomst van 15 september 1980 tussen het Eilandgebied Curaçao en appellant werden steeds de termen “employer” en “employee” en “monthly salary” gehanteerd. Het feit dat de tweede overeenkomst van 15 september 1980 werd gesloten tussen het Eilandgebied Curaçao en de partnership X Associates brengt naar de mening van de Inspecteur inhoudelijk geen enkele verandering met zich mee. De partnership heeft blijkens de overeenkomst waarbij die werd opgericht geen enkel ander doel dan het handelen als vertegenwoordiger van het Curaçao Tourist Board in New York, terwijl volgens de overeenkomst tussen het Eilandgebied Curaçao en X Associates de partnership geen andere aktiviteiten mag vervullen dan het beheren van het Curaçao Tourist Board. Volgens de inspecteur is de partnership alleen opgericht om te verdoezelen dat tussen appellant en het Eilandgebied Curaçao een arbeidsovereenkomst bestaat. Dat er tussen partijen een gezagsverhouding bestaat, volgt naar de mening van de Inspecteur uit de verplichting van appellant om al zijn tijd een de opgedragen taak te wijden, met uitsluiting van alle andere aktiviteiten, en voorts uit de verplichting om binnen de begroting te blijven alsmede uit de verplichting om maandelijks op gedetailleerde wijze verslag uit te brengen, waarbij het Eilandgebied zich het recht heeft voorbehouden om bij niet-nakomen van die verplichtingen de overeenkomst op een door hem te bepalen tijdstip op te zeggen. 5. Beoordeling van het geschil: De Raad is van oordeel dat de term “ambt” opgevat moet worden als dienstbetrekking bij een publiekrechtelijke rechtspersoon. De Raad volgt daarbij de door de Inspecteur gehanteerde wetshistorische interpretatie. Vervolgens is de Raad van oordeel dat de verhouding tussen het Eilandgebied Curaçao en appellant beschouwd moet worden als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Doorslaggevend is voor de Raad dat het Eilandgebied Curaçao de leiding van zijn toeristenbureau in New York heeft willen toevertrouwen aan appellant in persoon, blijkens het voorstel destijds van de toenmalige gedeputeerde voor toerisme en blijkens het feit dat de eerste overeenkomst tussen partijen in alle opzichten een arbeidsovereenkomst was. Bovendien be