Rechtspraak 1987-03-10
ECLI:NL:ORBBNAA:1987:BQ8534
BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP 10 maart 1987 1987-003 (kenmerk 9-1986) Gezien het bij de Raad op 19 augustus 1986 ingekomen beroepschrift van M NV, verder te noemen belanghebbende, gemachtigde mr A, waarbij belanghebbende in beroep komt tegen de beschikking van de Inspecteur van 21 juli 1986, inhoudende een afwijzing van een op 16 juli 1986 door belanghebbende ingediend bezwaarschrift. Gezien voorts het bij de Raad op 19 september 1986 ingekomen vertoogschrift van de Inspecteur en het daarop door belanghebbende op 29 oktober 1986 ingediende verweerschrift. Gelet voorts op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling op 18 februar1 1987 namens en door partijen naar voren is gebracht alsmede op de overgelegde pleitnota’s van beide partijen. Overwegende: Belanghebbende is tijdig in beroep gekomen zodat zij daarin kan worden ontvangen. Feitelijk is het navolgende komen vast te staan: Belanghebbende heeft op 4 oktober 1984 van de Inspectie der Invoerrechten & Accijnzen op Aruba een vergunning gekregen tot het houden van een particuliere bergplaats onder wederzijdse sluiting voor de opslag van niet in het vrije verkeer zijnd accijnsvrije- en accijnsgoederen in het pand O-straat. Bij een ambtelijke opneming van de voorraad in het entrepot van belanghebbende op 24 oktober 1985 werd een vermis geconstateerd van een partij goederen, zoals gespecificeerd in het proces-verbaal van opneming van 24 oktober …. (overgelegd als produktie 1 van het beroepschrift). De Inspecteur heeft belanghebbende aangeschreven met het verzoek de verschuldigd rechten op vermiste goederen te voldoen met verwijzing naar artikel 10 van de aan belanghebbende afgegeven vergunning verbonden voorwaarden, welke als volgt luidt: “de rechten over een bij ambtelijke opneming van de voorraad geconstateerd vermis, anders dan door brand, of andere buitengewone gebeurtenissen ontstaan, worden onverwijld ingevorderd”. Belanghebbende heeft tegen deze aanschrijving een bezwaarschrift ingediend, aanvoerende dat er in 1984 en in 1985 een aantal malen is ingebroken in haar entrepot, waarvan zij ook aangifte heeft gedaan, en dat inbraak en diefstal beschouwd dienen te worden als buitengewone gebeurtenissen, zoals aangegeven in artikel 10 van haar vergunningsvoorwaarden. Op grond daarvan meent belanghebbende geen rechten verschuldigd te zijn. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift afgewezen stellende dat inbraak en diefstal geen buitengewone gebeurtenissen zijn als bedoeld in dit artikel. Belanghebbende voert nader aan dat de Landsverordening In- Uit- en Doorvoer, verder aan te halen als “de Landsverordening”, het begrip “particuliere bergplaats, zoals die gehanteerd wordt in de vergunning, niet kent. Wel spreekt de Landsverordening van “gouvernementsentrepots”, “open entrepots” en “particuliere entrepots”. Op grond hiervan meent belanghebbende dat voormelde Landsverordening niet van toepassing is. De Raad kan belanghebbende hierin niet volgen. Artikel 196 van de Landsverordening is opgenomen in een hoofdstuk genaamd entrepots. Lid 1 van dit artikel geeft een omschrijving wat een entrepot is en luidt als volgt: “Entrepots zijn opslagen van goederen in daartoe aangewezen bergplaatsen”. Duidelijk is daardoor dat het woord “entrepot” een algemene omschrijving is van hetzelfde begrip “bergplaats”. Bedoelde Landsverordening is dan ook wel van toepassing. Artikel 10 van de voorwaarden vermeld in de aan belanghebbende afgegeven vergunning is gebaseerd op artikel 202 lid 2 van de Landsverordening welk artikel ook aangeeft dat vermis, anders dan door ‘brand, overstroming of andere buitengewone gebeurtenissen geen recht geeft op vermindering van rechten op de hoeveelheden bij de opslag aangegeven of bevonden, blijvende het aanwezige aansprakelijk voor het vermiste. Artikel 214 lid 2 geeft vervolgens aan dat “ingeval van tekort in de particuliere enterpots wordt bevonden, de rekening zal moeten worden aangezuiverd door betaling van het verschuldigde wegens het tekort bevondene” Naar de mening van b