Rechtspraak 2026-04-16
ECLI:NL:ORBAACM:2026:35
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) Uitspraakdatum: 16 april 2026 Zaaknummer: AUA2025H00180 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant], wonend in Aruba, appellant, ([[Appellant]], gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 30 juni 2025, met zaaknummer AUA202403067 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Appellant] en De Gouverneur van Aruba, geïntimeerde (gouverneur), gemachtigde: mr. A.F.J. Caster. Procesverloop [Appellant] heeft hoger beroep ingesteld. De gouverneur heeft een contramemorie ingediend. De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 5 maart 2026. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen de heer T. Kolfir, die als tolk Papiamento heeft opgetreden. Overwegingen Waar gaat de zaak over? 1. In deze zaak gaat het om de vraag of de gouverneur [appellant] met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 uit de functie van technisch medewerker schilderen bij de Dienst Openbare Werken (DOW), heeft mogen ontheffen en in de functie van ondersteunend medewerker bouwkundige werken bij DOW (ondersteunend medewerker) heeft mogen plaatsen. Daarbij zijn de volgende feiten van belang. 1.1. [ [Appellant] is in 1989 aangesteld als ambtenaar. Tot 1 augustus 2014 was hij werkzaam bij de Directie Onderwijs in de functie van onderhoudsmedewerker. Deze functie is maximaal gewaardeerd op schaal 4. Met ingang van 1 januari 2012 is [appellant] bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker B (schaal 3). 1.2. De Taskforce Schoolgebouwen van de Directie Onderwijs, waar [appellant] werkzaam was, is per 1 augustus 2014 ondergebracht bij DOW. [Appellant] is in verband daarmee bij landsbesluit van 9 augustus 2016 overgeplaatst naar DOW in de functie van technisch medewerker schilderen. Deze functie is maximaal gewaardeerd op schaal 5. 1.3. [ [Appellant] heeft over de periode van augustus 2014 tot en met december 2014 en over de jaren 2016, 2017 en 2018 onvoldoende beoordelingen gekregen voor zijn functioneren als technisch medewerker schilderen. De leidinggevende van [appellant] heeft daarbij geadviseerd om hem in een lagere functie te plaatsen, zodat hij in zijn functioneren beter tot zijn recht zou komen en hij de mogelijkheid zou krijgen om door te groeien naar schaal 4. In de beoordelingen van de jaren 2016 en 2017 is vermeld dat [Appellant] tijdelijk is ingezet als hulp/helper van de elektriciens. 1.4. De directeur van DOW (directeur) heeft [appellant], naar aanleiding van zijn verzoek om bevordering bij brief van 26 februari 2019 bericht dat hij niet voorgedragen kan worden voor bevordering, omdat hij niet geschikt is voor de functie van technisch medewerker schilderen. Om die reden is ook besloten [appellant] niet langer in te zetten voor schilderwerk. In die brief is ook vermeld dat [appellant] met ingang van 1 januari 2015 definitief is geplaatst in de functie van ondersteunend medewerker. [Appellant] is over de jaren 2019, 2020 en 2021 beoordeeld in de functie van ondersteunend medewerker. Over de jaren 2019 en 2020 is zijn functioneren matig beoordeeld en over het jaar 2021 voldoende. 1.5. Bij landsbesluit van 5 mei 2020 is [appellant], vanwege het bereiken van vijfentwintig dienstjaren en twee jaren bezoldigd te zijn geweest op het maximum van schaal 3, met ingang van 1 maart 2016 bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker A (schaal 4). 1.6. Bij landsbesluit van 18 september 2023 (bestreden besluit) is [appellant] met ingang van 1 januari 2015 ontheven uit de functie van technisch medewerker schilderen en geplaatst in de functie van ondersteunend medewerker. De gouverneur heeft daarbij ook het verzoek van [appellant] om bevorderd te worden naar schaal 5 afgewezen. Wat is het oordeel van het Gerecht? 2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Het Gerec