Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-03-19
ECLI:NL:ORBAACM:2025:6
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,408 tokens
Inleiding
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
Uitspraakdatum: 19 maart 2025
Zaaknummer: AUA2023H00189
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellant],
appellant (hierna: ([appellant]),
gemachtigde: mr. D. Canwood, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 23 oktober 2023, zaaknummer AUA202300328 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en
de Gouverneur van Aruba,
geïntimeerde (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. R. Henriquez.
Procesverloop
[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een contramemorie en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 27 februari 2025. [Appellant] werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde die werd vergezeld door [X] en [Y] beiden werkzaam bij de Centrale Accountantsdienst (CAD).
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. [
[Appellant] was vanaf 4 januari 1994 als politieambtenaar werkzaam bij het Korps Politie Aruba (KPA), laatstelijk in de rang van brigadier 1e klasse.
1.2.
Op 30 oktober 2013 is [appellant] verkozen tot Statenlid. Vanaf 20 november 2017 was hij werkzaam als Gevolmachtigd Minister van Aruba (GevMin) in Den Haag. In verband daarmee is [appellant] als ambtenaar non-actief voor de duur van de vervulling van zijn ambt. Op 22 mei 2022 heeft [appellant] zijn ontslag als GevMin ingediend met ingang van 1 juli 2022. Met ingang van 1 augustus 2022 is [appellant] weer tewerkgesteld bij KPA en tegelijkertijd ter beschikking gesteld aan het Bureau van de minister van Justitie en Sociale Zaken.
1.3.
Bij brief van 14 oktober 2022 (verantwoordingsbrief) heeft de gouverneur [appellant] in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden over vermoedelijke financiële onregelmatigheden bij het Kabinet van de GevMin (Arubahuis). Daarbij heeft de gouverneur zich gebaseerd op een onderzoeksrapport van 14 januari 2022 van de CAD. [Appellant] wordt verweten herhaaldelijk geen verantwoording te hebben afgelegd over door hem gemaakte kosten, zoals gespecificeerd in de verantwoordingsbrief. Van sommige van deze kosten wordt het zakelijk karakter betwijfeld; het vermoeden bestaat dat deze kosten (gedeeltelijk) privédoeleinden hebben gediend. Daarnaast wordt [appellant] ervan beschuldigd eigenhandig beslissingen te hebben genomen in strijd met de gebruikelijke procedures. Vermoedelijk is sprake van ernstig plichtsverzuim in de zin van artikel 82 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma).
1.4.
Bij brief van 26 oktober 2022 aan de gouverneur heeft [appellant] zich verantwoord.
1.5.
Bij landsbesluit van 9 januari 2023, no. 2, heeft de gouverneur, gebruik makend van zijn bevoegdheid op grond van artikel 95, eerste lid, van de La, [appellant] kennis gegeven van zijn voornemen [appellant] op grond van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Lma te ontslaan (kennisgeving). Aan de kennisgeving heeft de gouverneur ten grondslag gelegd dat [appellant] ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd als bedoeld in de Lma. Dit betreft de volgende aan [appellant] verweten gedragingen:* betalingsopdrachten verrichten met persoonlijk financieel voordeel;* uitgaven doen zonder zakelijk karakter over de periode als GevMin;* ontoereikende factuurcontrole houden;* misbruik maken van geld van het Land voor persoonlijke doeleinden tijdens privéreizen;* declaratie van kosten die gedeeltelijk privédoeleinden dienen;* misbruik maken van geld van het Land tijdens dienstreizen;* dubbele vergoedingen aan zichzelf toekennen;* zonder toestemming vliegticketkosten van echtgenote uit de landskas betalen;* voor familieleden VIP-service Schiphol regelen op kosten van het Land;* buitensporige kosten maken op de standplaats gedurende de periode als GevMin;* buitensporige kosten maken voor zijn huurwoning gedurende de periode als GevMin;* onterechte restitutie van premie ziektekostenverzekering aan echtgenote.
1.6. [
[appellant] heeft op 23 januari 2023 tegen de kennisgeving bij het Gerecht bezwaar gemaakt als bedoeld in artikel 95, tweede lid, van de La.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard, vastgesteld dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim dat hem kan worden toegerekend en, met toepassing van artikel 95, derde lid, van de La, bepaald dat aan [appellant] met ingang van 24 oktober 2023 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag wordt opgelegd. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. De verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in de periode dat [appellant] politiek ambtsdrager was en non-actief als ambtenaar. Voor zover de verweten handelingen zijn verricht als GevMin, kunnen deze niet worden aangemerkt als plichtsverzuim omdat de Lma geen toepassing vindt op de GevMin. Alleen gedragingen in de periode van non-activiteit als ambtenaar die volledig in de privésfeer zijn te plaatsen en in het geheel niet in verband staan met het uitoefenen van het ambt van GevMin dan wel niet behoren tot diens normale takenpakket, kunnen leiden tot plichtsverzuim. Dat betekent dat alleen de volgende verweten gedragingen overblijven ter beoordeling van plichtsverzuim: * misbruik van geld van het Land in de periode van 14 december 2020 tot en met 4 januari 2021; * misbruik van functie door informatievergaring voor persoonlijk voordeel en betaling aan Divi Village;* declaratie van kosten die gedeeltelijk privédoeleinden dienen;* onterechte restitutie van premie ziektekostenverzekering aan echtgenote.Bij deze gedragingen is sprake van toerekenbaar ernstig plichtsverzuim, met uitzondering van de betalingen voor Covid-testen die verband hielden met dienstreizen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de secundaire arbeidsvoorwaarden van de gevolmachtigde minister in Washington slaagt niet. Van gelijke gevallen is geen sprake, omdat het niet om een politiek ambtsdrager gaat zoals de GevMin. De straf van ontslag is niet onevenredig aan de ernst van het geconstateerde plichtsverzuim, aldus nog steeds het Gerecht.
3. In hoger beroep heeft [appellant] op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Deze procedure is gebaseerd op de artikelen 95 en 133 van de La. Dat wil zeggen dat het Gerecht het binnen veertien dagen na de kennisgeving door [appellant] ingediende bezwaar heeft behandeld als een regulier bezwaar, met dien verstande dat het Gerecht in de plaats van het bevoegd gezag de beslissing heeft genomen om [appellant] met ingang van 24 oktober 2023 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Vervolgens heeft [appellant] hiertegen (hoger) beroep ingesteld. Ook het hoger beroep behandelt de Raad als een regulier hoger beroep, met dien verstande dat ook de Raad bevoegd is in plaats van het bevoegd gezag de beslissing te nemen, die naar zijn oordeel behoort te worden genomen. Dat betekent dat de Raad deze zaak waarover het Gerecht heeft geoordeeld, volledig over doet en zich daarbij niet beperkt tot de beroepsgronden die [appellant] heeft aangevoerd.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor de vaststelling van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
4.3. [
[Appellant] heeft allereerst aangevoerd dat de gedragingen waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat die niet verband houden met het uitoefenen van het ambt van GevMin, ook vallen onder zijn werkzaamheden als GevMin. Ook deze gedragingen kunnen daarom niet worden gekwalificeerd als plichtsverzuim als bedoeld in de Lma. De Raad onderschrijft het oordeel van het Gerecht en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Voor wat betreft de kwalificatie door het Gerecht van deze gedragingen als ernstig plichtsverzuim herhaalt [appellant] in de kern wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Ook op dat punt onderschrijft de Raad het oordeel van het Gerecht en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De beroepsgrond slaagt niet.
4.4. [
[appellant] heeft vervolgens in hoger beroep zijn bezwaargrond herhaald dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van de gevolmachtigd minister in Washington. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat die functie geen politiek ambt betreft. Deze gevolmachtigd minister betreft een diplomatieke functie bij de Koninkrijksambassade in Washington. De beroepsgrond slaagt niet.
4.5. [
[appellant] heeft verder aangevoerd dat de disciplinaire straf van ontslag onevenredig is in verhouding tot de verweten gedragingen die niet in de weg staan aan zijn functioneren als politieagent.
Dictum
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gewezen door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.H.M. van de Leur en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.