Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-10-20
ECLI:NL:ORBAACM:2025:27
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,650 tokens
Inleiding
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
Uitspraakdatum: 20 oktober 2025
Zaaknummer: AUA2024H00165
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak
op het hoger beroep van:
-de Minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidszorg & Ruimtelijke Ontwikkeling, en
-de Gouverneur van Aruba
te Aruba,
appellanten (hierna: de minister respectievelijk de gouverneur),
gemachtigde: mr. C.L. Geerman,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 22 april 2024, zaaknummer AUA202302244 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Geïntimeerde],
geïntimeerde (hierna: betrokkene),
procederend in persoon,
en
de Minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidszorg & Ruimtelijke Ontwikkeling.
Procesverloop
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 25 augustus 2025. De minister en de gouverneur hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. [Betrokkene] is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. [Betrokkene] werkt als ambtenaar bij de Dienst Landmeetkunde en Vastgoedregistratie. [Betrokkene] is daarnaast muzikant en lid van de Arubaanse band ‘[bandnaam]’.
1.1.
Op 9 maart 2023 heeft [betrokkene] de minister verzocht om bijzondere vrijstelling van dienst met behoud van inkomen (bvvd) voor de periode van 23 tot en met 27 januari 2023 en ook, met een afzonderlijk verzoek, voor de periode van 20 tot en met 23 februari 2023. Aanleiding voor de verzoeken is dat hij op deze dagen als muzikant met [bandnaam] heeft deelgenomen aan de carnavalsactiviteiten in Curaçao, het ‘Festival di Tumba’ en de ‘Marcha di Despedida’ (afscheidsoptocht). Dit op uitnodiging van de Curaçaose carnavalsvereniging ‘Vise Versa’.
1.2.
De minister heeft met twee afzonderlijke beschikkingen van 26 mei 2023 (samen: de bestreden beschikking) de verzoeken afgewezen omdat [betrokkene] niet voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 29 van de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda) en ook niet aan de toepasselijke circulaires.
1.3. [
[betrokkene] heeft tegen de bestreden beschikking bezwaar gemaakt.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Met de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van [betrokkene] tegen de bestreden beschikking gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en de gouverneur opgedragen binnen drie maanden op de verzoeken van [betrokkene] om bvvd te beslissen. Het Gerecht heeft daartoe allereerst geoordeeld dat de bestreden beschikking onbevoegd is genomen omdat de gouverneur en niet de minister bevoegd is om op de verzoeken van [betrokkene] te beslissen. Het Gerecht is van oordeel dat de carnavalsactiviteiten in Curaçao, net als in Aruba, zijn aan te merken als onderdeel van een nationale culturele manifestatie. Het Gerecht stelt vast dat de toepasselijke circulaires niet zien op vrijstelling van dienst in verband met deelname een culturele manifestaties in Curaçao of elders binnen of buiten het Koninkrijk. Het Gerecht is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de verzoeken van [betrokkene] ten onrechte een belangenafweging achterwege heeft gelaten. Daarbij had de minister moeten betrekken dat aan [betrokkene] in voorgaande jaren wel vrijstelling van dienst is verleend in verband met deelname aan het carnaval in Curaçao en dat het Gerecht niet is gebleken dat dit een onjuiste toekenning is geweest.
Wie is bevoegd en wie is procespartij?
3.1. Met het Gerecht is de Raad van oordeel dat, gelet op artikel 4, aanhef en onder a, van de Lvvda, niet de minister maar de gouverneur bevoegd is te beslissen op verzoeken om vrijstelling als hier aan de orde. Het Gerecht heeft terecht aanleiding gezien de bestreden beschikking om deze reden te vernietigen. De Raad stelt vast dat het Gerecht hierin geen aanleiding heeft gezien de partijstelling te wijzigen. Omdat de minister in eerste aanleg en in de aangevallen uitspraak de verwerende procespartij is, en niet de gouverneur, had het Gerecht niet de gouverneur de opdracht mogen geven binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen.
3.2.
De Raad stelt vast dat de minister tegen de uitspraak van het Gerecht hoger beroep heeft ingesteld. De minister heeft de Raad verzocht, zo begrijpt de Raad, om toe te staan dat de gouverneur alsnog deelneemt aan de procedure omdat hij de bestreden beschikking voor zijn rekening neemt. De Raad stemt hierin toe en ziet hierin aanleiding zowel de minister als de gouverneur als procespartij aan te merken en de zaak inhoudelijk te bespreken. Op het voorblad wordt om die reden ook de gouverneur als procespartij genoemd. Hieronder zal de gouverneur worden genoemd in plaats van de minister.
3.3. [
Betrokkene] heeft de Raad bericht geen prijs te stellen op voortzetting van de procedure. Omdat hij als geïntimeerde deelneemt aan de procedure is het niet aan [betrokkene] om de procedure te beëindigen. Mocht de gouverneur de verzoeken van [betrokkene] weigeren?
4.1.
De gouverneur betoogt dat het Gerecht de bestreden beschikking op onjuiste gronden heeft vernietigd. Hij voert aan dat het Gerecht niet het juiste toetsingskader heeft toegepast. Het al dan niet verlenen van vrijstelling van dienst met behoud van salaris is een bevoegdheid van de gouverneur die terughoudend moet worden getoetst door de rechter. Bij de toepassing van die bevoegdheid geeft de gouverneur toepassing aan circulaires, waarin is uitgewerkt in welke situaties vrijstelling kan worden verleend. Culturele activiteiten in binnen-en buitenland staan daar niet bij. Het Gerecht heeft ten onrechte nagelaten te beoordelen of het gevoerde beleid redelijk is. Verder is aangevoerd dat de toewijzing van een eerder verzoek van [betrokkene] om bvvd op een fout berust en dat een fout niet herhaald hoeft te worden. Tot slot wijst de gouverneur erop dat [betrokkene] vakantieverlof was verleend voor zijn deelname aan het carnaval in Curaçao en dat hij pas na terugkomst op Aruba, dus achteraf, de verzoeken om bvvd heeft gedaan.
Hoe oordeelt de Raad?
4.2.
De bestreden beschikking betreft een weigering om vrijstelling van dienst te verlenen aan een ambtenaar. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 29, eerste lid, van de Lvvda. Op grond van deze wettelijke bepaling kan vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de ambtenaar worden verleend in de gevallen waarin het in het tweede lid bedoelde gezag of de in dat lid bedoelde autoriteit oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat. Deze vrijstelling van dienst wordt verleend voor de duur van ten hoogste drie maanden en kan geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat als de vrijstelling van dienst wordt verleend voor geheel of gedeeltelijk verblijf in het buitenland, deze bij beschikking van het bevoegde gezag wordt verleend.
4.3.
Bij de uitoefening van de in artikel 29 van de Lvvda neergelegde bevoegdheid om aan een ambtenaar bvvd toe te kennen, komt aan de gouverneur een grote mate van beoordelingsruimte toe. Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld, moet het al dan niet toepassen van deze bevoegdheid door de rechter terughoudend worden getoetst.
4.4.
De gouverneur heeft toepassing gegeven aan de in twee circulaires opgenomen beleidsregels over de toekenning van bvvd. De beleidsregels zien – kort samengevat - op de begeleiding van zieke personen naar het buitenland (circulaire van 14 november 1985) en op deelname aan nader omschreven sportevenementen (neergelegd in de circulaire van 17 november 2008). De Raad acht de in genoemde circulaires opgenomen beleidsregels in zijn algemeenheid niet onredelijk. De Raad stelt vast dat deelname aan culturele activiteiten in binnen-en buitenland niet wordt genoemd in de circulaires als situatie waarvoor bvvd kan worden verleend. Dit leidt niet tot het oordeel dat de beleidsregels om die reden onredelijk zijn. Wel zal de gouverneur voor situaties die niet in de circulaires zijn uitgewerkt, zoals bij culturele manifestaties, zich steeds de vraag moeten stellen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat - in weerwil van het geldende beleid - het verlenen van bvvd-vrijstelling is aangewezen.
4.5.
De gouverneur heeft in hoger beroep aangevoerd dat dergelijke bijzondere omstandigheden er in de situatie van [betrokkene] niet zijn, zodat er geen aanleiding is gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van bvvd.
Conclusie
5.1.
De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. Het Gerecht heeft de bestreden beschikking terecht vernietigd in verband met het geconstateerde bevoegdheidsgebrek. Het bezwaar is in de aangevallen uitspraak dan ook terecht gegrond verklaard. In zoverre is het Gerecht tot het juiste oordeel gekomen. Het Gerecht had echter de rechtsgevolgen van de vernietiging in stand moeten laten, omdat de bestreden beschikking de rechterlijke toets kan doorstaan. In dat geval was er geen aanleiding de gouverneur op te dragen opnieuw te beslissen op de verzoeken van [betrokkene].
5.2.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover:- de gouverneur is opgedragen opnieuw te beslissen op de verzoeken van [betrokkene], en- is nagelaten de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking van 26 mei 2023 in stand te laten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking van 26 mei 2023 in stand worden gelaten;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. A.H.M. van de Leur en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.