Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-02-28
ECLI:NL:ORBAACM:2024:9
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
3,270 tokens
Inleiding
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAÇAO
Uitspraak
op het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding van:
[Appellant],
wonende te Curaçao,
appellant (hierna: [appellant]),
gemachtigde: mr. A.C. Herrera, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 7 juni 2023, CUR202101529 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
[appellant]
en
de Minister van Justitie,
geïntimeerde (hierna: de minister),
gemachtigden: mr. S.I. Da Costa Gomez en mr. A. Faria, advocaten.
Procesverloop
[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding gedaan.
De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 25 januari 2024. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na de zitting heeft de Raad de behandeling van de zaak heropend om de gemachtigden van de minister de gelegenheid te geven op een vraag van de Raad te reageren. Na de reactie heeft de Raad het onderzoek weer gesloten en bepaald dat uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
1. Voor de relevante feiten in deze zaak verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:OGEAC:2023:339. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1. [
Appellant] werkt bij het Korps Politie Curaçao (KPC). In verband met de reorganisatie van KPC heeft [appellant] in 2016 intern gesolliciteerd naar zijn voorkeursfunctie, Hoofd Kwaliteit. Bij brief van 18 augustus 2016 is hem meegedeeld dat hij in aanmerking komt voor de functie en de vacaturecommissie hem zal uitnodigen voor een interview. Op 1 september 2016 heeft het sollicitatiegesprek met [appellant] plaatsgevonden. Bij brief van 2 mei 2017 is [appellant] meegedeeld dat de vacaturecommissie heeft besloten dat een assessment onderdeel zal uitmaken van de sollicitatieprocedure. Op 23 juni 2017 heeft [appellant] deelgenomen aan het assessment bij Balance Consultancy Group (Balance). In de Rapportage Selectie Assessment van [appellant] van 29 juni 2017 (rapport) zijn de resultaten van dit assessment uiteengezet. Bij brief van 23 augustus 2017 heeft de Korpschef van KPC [appellant] meegedeeld dat hij niet wordt voorgedragen voor benoeming in de functie van Hoofd Kwaliteit.
1.2.
Op 24 september 2020 heeft [appellant] verzocht hem te benoemen in de functie van Hoofd Kwaliteit (benoemingsverzoek). De minister heeft dat verzoek met de beschikking van 5 maart 2021 afgewezen (afwijzing). Hiertegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt.
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.
3. [ Appellant] heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld. Hij meent recht te hebben op een schadevergoeding omdat hij in 2017 ten onrechte niet in de functie van Hoofd Kwaliteit is benoemd. In dat licht verzoekt [appellant] zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met de situatie alsof hij in de functie van Hoofd Kwaliteit zou zijn benoemd met ingang van 1 september 2017.
4. De Raad komt tot het volgende oordeel
Dictum
4.1. [
Appellant] heeft op de zitting naar voren gebracht dat de minister onbevoegd heeft beslist op zijn benoemingsverzoek. De gemachtigden van de minister hebben daartegen ingebracht dat [appellant] deze kwestie te laat heeft aangekaart. De Raad volgt dit standpunt van de gemachtigden niet. De Raad is immers verplicht om al dan niet ambtshalve te toetsen aan voorschriften van openbare orde, waaronder ook de beslissingsbevoegdheid van de minister valt.
4.1.1.
Uit artikel 1 van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (BrKPNA) volgt dat de minister het bevoegde gezag is in zaken van politieambtenaren. Met de uitspraak van de Raad van 28 december 2017, ECLI:NL:ORBAACM:2017:13, heeft de Raad uiteengezet dat het BrKPNA, dat als een Landsbesluit houdende algemene maatregelen moet worden aangemerkt, geen grondslag biedt af te wijken van het uit de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) voortvloeiende uitgangspunt dat de regering met een landsbesluit moet beslissen over aanstelling, bevordering en ontslag van alle ambtenaren, waaronder dus ook politieambtenaren.
4.1.2.
Het gaat hier om een benoemingsverzoek. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak stelt de Raad vast dat niet de minister maar de regering bevoegd is om daarop te beslissen. Het Gerecht heeft dat niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak én de afwijzing op deze grond moet worden vernietigd.
4.1.3.
De gemachtigden van de minister hebben bevestigend gereageerd op de vraag van de Raad of zij ook als gemachtigden van de regering kunnen worden aangemerkt én of de regering de besluitvorming van de minister voor haar rekening neemt. De Raad ziet geen aanleiding het standpunt van [appellant] te volgen dat de Gouverneur moet bevestigen dat de gemachtigden ook voor de regering optreden. Het bevoegdheidsgebrek is gerepareerd. De Raad zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden beschikking in stand gelaten kunnen worden.
Plaatsingsprocedure
4.2. [
Appellant] heeft in hoger beroep zijn in bezwaar aangevoerde grond herhaald dat de selectieprocedure niet conform de voorgeschreven procedure is verlopen. Anders dan het Gerecht heeft overwogen meent [appellant] dat op grond van het op de plaatsingsprocedure toepasselijke convenant en gelet op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel de procedure niet naderhand kon worden aangepast door een sollicitatiegesprek en een assessment deel te laten uitmaken van de selectieprocedure. De Raad volgt dit standpunt niet op grond van het volgende.
4.2.1.
Op de plaatsingsprocedures binnen het te reorganiseren KPC is het Convenant Reorganisatie Korps Politie Curaçao (Convenant) van toepassing.
4.2.2.
In artikel 4 van het Convenant zijn de volgende doelstellingen van het Convenant weergegeven: het garanderen van een zorgvuldige plaatsingsprocedure en het vooraf duidelijkheid scheppen over de bij de overgang in acht te nemen regels en de rechtspositionele gevolgen.
4.2.2.
Artikel 11, vierde lid, van het Convenant ziet op de wijze waarop de vacaturecommissie een aanbeveling doet aan de Korpschef over de vervulling van de opengestelde functie. Daarbij is vermeld welke aspecten de commissie meeneemt in de aanbeveling voor plaatsing in een geschikte functie.
4.2.3.
Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen moet het Convenant gezien worden als een samenstel van beleidsregels dat bij de plaatsingsprocedures van politieambtenaren bij de reorganisatie van KPC van toepassing is.
4.2.4.
De Raad is met het Gerecht van oordeel dat artikel 11, vierde lid, van het Convenant algemeen is geformuleerd en ruimte biedt om een sollicitatiegesprek en een assessment deel te laten uitmaken van de procedure. Uit dit artikellid volgt slechts dat de ambtenaar die voldoet aan de opleidingseisen bij voorkeur aanbevolen zal worden voor plaatsing in de geschikte functie. Op welke wijze de aanbeveling van de vacaturecommissie over de geschiktheid van de kandidaten tot stand moet komen volgt niet uit dit artikellid. Evenmin volgt uit de in artikel 4 van het Convent opgenomen doelstellingen dat er geen ruimte is om een assessment deel te laten uitmaken van de selectieprocedure. Dat de vacaturecommissie [appellant] met de brief van 18 augustus 2016 heeft laten weten dat hij in aanmerking komt voor de door hem gewenste functie, betekent dus niet dat een oordeel over de meest geschikte kandidaat voor die functie zonder verdere selectie zou verlopen.
4.2.5.
Uit 4.2.4 volgt dat een sollicitatiegesprek en een assessment deel konden uitmaken van de selectieprocedure en dat, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, het de vacaturecommissie vrij stond om (mede) op basis van de resultaten van het assessment een keuze te maken voor de meest geschikte kandidaat voor de functie van Hoofd Kwaliteit.
Meest geschikte kandidaat
4.3. [
Appellant] is het ook niet eens met de overweging van het Gerecht dat hij niet heeft onderbouwd dat hij de meest geschikte kandidaat is voor de functie van Hoofd Kwaliteit. Volgens [appellant] was hij van alle overgebleven kandidaten de enige die aan de opleidingseisen voldeed. In die zin bestond er geen keuzevrijheid om hem niet als meest geschikte kandidaat voor te dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Zoals volgt uit 4.2.4 wordt de ambtenaar die voldoet aan de opleidingseisen met voorkeur aanbevolen. [Appellant] heeft niet met onderliggende stukken onderbouwd dat hij de enige overblijvende kandidaat was die voldeed aan de opleidingseisen. Bovendien heeft de regering naar voren gebracht dat voor het vervullen van de functie een mastertitel werd vereist en een universitair werk- en denkniveau, maar geen universitaire opleiding. Tevens moet voor ogen gehouden worden dat indien er meerdere geschikte kandidaten zijn, de vacaturecommissie moet beoordelen wie de meest geschikte kandidaat is. Voor de juistheid van de niet nader onderbouwde stelling van [appellant] dat als meest geschikte kandidaat is gekozen voor een persoon die niet had gesolliciteerd op de functie en buiten de selectieprocedure is benoemd, ziet de Raad geen aanknopingspunten. Meer voor de hand ligt, zoals het Gerecht ook heeft overwogen, dat de keuze voor een andere kandidaat samenhangt met de resultaten van het assessment, die voor [appellant] als gematigd positief zijn gewaardeerd.
4.3.2.
Op de zitting heeft [appellant] nog een beroep gedaan op de uitspraak van het Gerecht van 5 juni 2018, ECLI:NL:OGAACMB:2018:109. Deze uitspraak, waarbij het Gerecht tot de conclusie is gekomen dat de voor de benoeming geldende bepalingen en procedure niet in acht is genomen, is echter niet op de situatie van [appellant] van toepassing. In die zaak was de betrokken ambtenaar, anders dan in het geval van [appellant], als de meest geschikte kandidaat voorgedragen.
Fair Play
4.4. [
Appellant] is van mening dat het Gerecht ten onrechte het beroep op het fair play beginsel niet heeft gehonoreerd. Met het Gerecht oordeelt de Raad dat deze beroepsgrond niet slaagt. Dat [appellant] voorafgaande aan de afwijzing geen antwoord heeft gekregen op zijn brieven om informatie over de toepassing van de regels en procedure, maakt nog niet dat daarmee het fair play beginsel is geschonden. Hiermee is immers niet gezegd dat er sprake is geweest van vooringenomenheid of een niet objectief verlopen procedure.
Overleggen resultaten van de plaatsingsprocedure
4.5.
Op de zitting is uitgebreid stilgestaan bij het verzoek van [appellant] om inzage in de scores van het assessment van de andere kandidaten.
Conclusie
5. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] slaagt voor zover het de door de minister uitgeoefende bevoegdheid betreft op zijn benoemingsverzoek te beslissen. De rechtsgevolgen van de te vernietigen afwijzende beschikking laat de Raad in stand, omdat het hoger beroep van [appellant] op inhoudelijke gronden niet slaagt. Voor toekenning van de door [appellant] verzochte schadevergoeding bestaat daarom geen grond.
6. Aanleiding bestaat de regering te veroordelen in de proceskosten van [appellant] in bezwaar en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op vier punten (bezwaarschrift, beroepschrift en tweemaal bijwonen zitting), waarde per punt NAf 700,- , in totaal NAf 2.800,-.
Dictum
De Raad van Beroep:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het bezwaar tegen de afwijzende beschikking van 5 maart 2021 gegrond;
vernietigt de beschikking van 5 maart 2021;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking van 5 maart 2021 in stand blijven;
veroordeelt de regering in de kosten van [appellant] tot een bedrag van NAf 2.800,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. M.A. Evertsz, leden, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.