Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-01-24
ECLI:NL:ORBAACM:2024:2
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,516 tokens
Inleiding
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAÇAO
Uitspraak
op het hoger beroep van:
De minister van Justitie,
appellant (hierna: minister)
gemachtigde: mr. S.I. Da Costa Gomez, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 6 juli 2022, CUR202102428 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
de minister
en
[Betrokkene]
(hierna: [betrokkene]),
gemachtigde: A.V.E. Vilchez.
Procesverloop
De minister heeft hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 14 juli 2023. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor [betrokkene] is zijn gemachtigde verschenen. De Raad heeft de behandeling van de zaak op de zitting aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen en daarop te reageren.
Partijen hebben nadere stukken ingediend en daarop over en weer gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad afgezien van een nadere zitting, het onderzoek op 29 november 2023 gesloten en bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. [
Betrokkene] werkt als politieagent bij het Korps Politie Curaçao (KPC). Met de ministeriële beschikking van 23 augustus 2004 is [betrokkene] met ingang van 1 mei 2003 benoemd als lid van het Arrestatie Team van KPC (AT). In verband daarmee ontving hij op grond van artikel 98 van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlands Antillen 2000 (BrKPNA) een maandelijkse toelage van 25% van zijn maandsalaris (toelage).
1.2.
In verband met de reorganisatie van KPC is [betrokkene] met het landsbesluit van 24 mei 2016 met ingang van 1 december 2013 aangesteld als lid van de Aanhouding en Ondersteuning Eenheid (AOE), voorheen het AT, in de functie van Senior Medewerker Noodhulp/Handhaving, schaal 8P, trede 8. Met het landsbesluit van 19 september 2016 is de financiële positie van [betrokkene] in die zin gewijzigd dat hij met ingang van 1 oktober 2016 is aangesteld in de functie van Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen, schaal 8P, trede 13. Met dit besluit is met ingang van 1 oktober 2016 ook de toelage van 25% stopgezet, in afwachting van een nieuw rechtspositiebesluit van KPC ter vervanging van het BrKPNA.
1.3.
Vooruitlopend op het nieuwe rechtspositiebesluit heeft de Raad van Ministers met het besluit van 25 september 2019 (raadsbesluit) ingestemd met de toekenning van toelagen aan de leden van de speciale teams bij KPC die, door het ontbreken van een grondslag daarvoor, geen toelagen hebben ontvangen in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2019. Onder de speciale teams van KPC vallen de AOE, het Observatieteam (OT), de Plaatsingsteams (PT) en de Mobiele eenheid (ME).
1.4.
De Korpschef van KPC heeft op 18 februari 2020 een conceptbeleid voor toekenning toelagen speciale teams, instructie no. 3-2020, aan de minister gestuurd. Daarmee stelt de Korpschef voor de hoogte van het bedrag van de maandelijks te verstrekken toelage te koppelen aan de functieschaal van de politieambtenaar. Bij brief van 2 maart 2020, nr. 2020/008506, heeft de minister de Raad van Ministers een voorlopig beleid aangeboden over toekenning van toelagen aan de leden van speciale teams. Aan dit voorlopige beleid wordt artikel 98, eerste lid, aanhef en onder e en f, van het BrKPNA ten grondslag gelegd. Met het Raadsbesluit van 4 maart 2020 is de Raad van Ministers akkoord gegaan met het door de minister bij brief van 2 maart 2020 voorgestelde beleid.
1.5.
Ook heeft de Korpschef met een brief van 18 februari 2020 aan de minister over toekenning gratificaties aan leden van de OT en AT, no. Kc -116/02/2020, uiteengezet dat de gemaakte afspraken over de wijze waarop de toeslagen worden vastgesteld, zijn gewijzigd. Ter uitvoering van het Raadsbesluit van 25 september 2019 en na diverse overleggen met de politievakbonden zijn andere afspraken gemaakt met het OT en het AT (oud). Gebleken was dat de eerdere gemaakte afspraken niet konden worden uitgevoerd voor die politieambtenaren die hun maximale salarisschaal al hadden bereikt. Op 28 januari 2020 is volgens de Korpschef een geaccordeerd voorstel voor het OT tot stand gekomen. Uiteindelijk is vastgesteld dat aan de leden van het OT over de jaren 2014 en 2015 een maandbezoldiging wordt toegekend en over de jaren 2016 en 2017 een salarisschaal. In de brief van 18 februari 2020 is verder nog vermeld dat [betrokkene] in de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 oktober 2016 bij het AT was ingedeeld en tot die tijd een toelage heeft ontvangen. Vanaf 31 oktober 2016 was [betrokkene] aangewezen als lid van het OT zodat wordt voorgesteld hem met ingang van het jaar 2017 een indeling in de naast hogere salarisschaal toe te kennen. Voor het AT (oud) is het gewijzigde voorstel om over de jaren 2017, 2019 en 2020 een trede toe te kennen en over het jaar 2018 een salarisschaal.
1.6.
Met de ministeriële beschikking van 18 maart 2021 (gratificatie-beschikking) heeft de minister [betrokkene] met ingang van 1 januari 2017 tot en met 1 januari 2021 een gratificatie toegekend. De minister is er hierbij vanuit gegaan dat [betrokkene] de werkzaamheden bij KPC sinds 31 oktober 2016 verricht als aangewezen lid van het OT, zonder daarvoor een toelage te hebben ontvangen. De minister heeft aan de gratificatie ten grondslag gelegd: het Raadsbesluit van 4 maart 2020 en de met de politievakbonden overeengekomen wijze van vaststelling van de tegemoetkoming op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder e, van het BrKPNA. De minister heeft [betrokkene] op grond hiervan met ingang van 1 januari 2017 ingedeeld in de naast hogere bezoldigingsschaal, 9P, trede 9. Met ingang van 1 januari 2018 is [betrokkene] ingedeeld in salarisschaal 9P, trede 10 en met ingang van 1 januari 2019 , gehandhaafd per 1 januari 2020, in salarisschaal 9P, trede 11, de maximale trede in salarisschaal 9P.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van [betrokkene] tegen de gratificatie-beschikking gegrond verklaard, deze beschikking vernietigd en de minister veroordeeld in de proceskosten van [betrokkene]. Het Gerecht heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat de minister aan de hand van de bezwaren van [betrokkene] niet heeft kunnen toelichten dat de aan [betrokkene] toegekende gratificatie juist is. [betrokkene] had aangevoerd dat hij recht heeft op een gratificatie als lid van de AOE en dat deze conform de nieuwe afspraak tussen de politievakbonden en de minister moet worden vastgesteld, wat de minister niet heeft gedaan. In zijn geval had de minister hem over de jaren 2017 en 2018 een extra trede moeten toekennen, over het jaar 2019 een extra salarisschaal en over het jaar 2020 een extra trede.
3. In hoger beroep betwist de minister op grond van de onder 1.5 vermelde brief van 18 februari 2020 dat hij de juistheid van de gratificatie-beschikking onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens de minister kan [betrokkene] zich niet beroepen op de aan de AOE (AT-oud) toegekende gratificatie omdat hij vanaf 31 oktober 2016 aangewezen is als lid is van het OT. De minister heeft hierover uiteengezet dat hij in 2017 is verzocht het in 1.2 genoemde landsbesluit van 24 mei 2016 in te trekken, [betrokkene] te ontheffen uit zijn functie van Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen bij de AOE en over te plaatsen naar de Unit Ondersteuning bij het OT. Aan dit verzoek lag ten grondslag dat [betrokkene] een strafbaar feit had gepleegd en daarom niet als lid van de AOE kon blijven functioneren. Dit verzoek tot ontheffing is weliswaar niet uitgevoerd, maar de minister heeft een dienstrooster overgelegd waarop vanaf november 2016 is vermeld dat [betrokkene] werkzaam is bij de Unit Ondersteuning van het OT. Tot slot heeft de minister gewezen op een brief van 7 november 2019, ondertekend door [betrokkene], waarmee de leden van het OT worden verzocht akkoord te gaan met het voorstel hen met ingang van 1 januari 2019 een extra salarisschaal toe te kennen en met ingang van 1 januari 2020 een extra trede.
4. [ betrokkene] handhaaft in hoger beroep zijn in bezwaar ingenomen standpunt over de door hem als lid van de AOE verrichte werkzaamheden en de daarop te baseren gratificatie.
5. De Raad komt tot het volgende oordeel.
5.1.
De vraag die de Raad moet beantwoorden is of de minister, zoals hij stelt, voldoende heeft toegelicht dat [betrokkene] als lid van het OT vanaf 1 januari 2017 in aanmerking komt voor een gratificatie op de wijze zoals vermeld in de gratificatie-beschikking.
5.1.1.
De Raad stelt voorop dat uit de in 1.2 genoemde landsbesluiten van 24 mei 2016 en 19 september 2016 volgt dat [betrokkene] (onveranderd) in oktober 2016 bij de AOE werkzaam was. Zoals uit 3.1 is op te maken ontbreekt een besluit waarmee [betrokkene] uit zijn functie bij de AOE is ontheven en is geplaatst in een functie bij het OT. In het door de minister overgelegde dienstrooster is opgetekend dat [betrokkene] in oktober 2016 bij het OT werkzaam was.
Dictum
De Raad:
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- draagt de minister op binnen zes weken met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beschikking te nemen over de aan [betrokkene] toe te kennen gratificatie vanaf 1 januari 2017;
- veroordeelt de regering tot vergoeding van de proceskosten van [betrokkene] tot een bedrag van NAf 1.400,-.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. P. Klik als leden, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.