Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-03-13
ECLI:NL:ORBAACM:2024:13
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,485 tokens
Inleiding
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
Uitspraakdatum: 13 maart 2024
Zaaknummer: AUA2023H00137
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak
op het hoger beroep van:
de Gouverneur van Aruba,
appellant (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 3 juli 2023, zaaknummer AUA202204150 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de gouverneur
en
[Geïntimeerde],
geïntimeerde (hierna: [betrokkene]),
gemachtigde: mr. L.A. Hernandis.
Procesverloop
De gouverneur heeft hoger beroep ingesteld.
[Betrokkene] heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 1 maart 2024. [Betrokkene] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. [
[Betrokkene] is werkzaam bij het Departamento di Aduana (DAD) in de functie van administratief medewerker.
1.2.
Op 29 april 2021 heeft een incident plaatsgevonden in de loods van Fedex, waarbij een diamant ter waarde van USD 1.267,- in het bijzijn van [betrokkene] is zoekgeraakt (incident).
1.3.
Bij landsbesluit van 24 oktober 2022 (bestreden beschikking) heeft de gouverneur op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht [betrokkene] de disciplinaire straf van een eenmalige inhouding van inkomen van Afl. 500,- opgelegd. Aan de bestreden beschikking heeft de gouverneur ten grondslag gelegd dat [betrokkene] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, omdat door haar nalaten een diamant is kwijtgeraakt, zij niet in de loods van Fedex mocht zijn, zij geen bevoegdheid heeft om pakketten in de loods te bezichtigen en/of aan te raken en zij zich niet mocht bemoeien met de werkzaamheden van de dienstdoende ambtenaren in de loods.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar gegrond verklaard en de bestreden beschikking vernietigd. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. De gouverneur heeft niet onderbouwd welke gedraging [betrokkene] precies heeft nagelaten ten gevolge waarvan de diamant is kwijtgeraakt. Verder was [betrokkene] met een geldige reden in de loods aanwezig, te weten op verzoek van een collega in verband met zijn werkzaamheden aldaar (collega). Daaraan doet niet af dat de collega dat niet aan [betrokkene] had mogen vragen. Verder was van bezichtiging als bedoeld in de terminologie van de douane geen sprake en is niet in geschil dat [betrokkene] de diamant niet heeft aangeraakt. Tot slot valt niet in te zien hoe de vraag van [betrokkene] om de diamant te zien, kan worden aangemerkt als het bemoeien met het werk van de douaneambtenaren in de loods. Daarmee is niet komen vast te staan dat [betrokkene] de aan haar verweten gedragingen heeft begaan.
3. De gouverneur heeft, samengevat, het volgende aan zijn hoger beroep ten grondslag gelegd. [Betrokkene] mocht, als administratief medewerker, niet in de loods zijn anders dan om een administratief stuk af te leveren. Zij mocht daarom ook geen pakketten in de loods zien of aanraken. Vragen om een pakket te zien is om die reden al bemoeien met het werk van de douaneambtenaar. Omdat zij de diamant heeft aangeraakt, is toch sprake van plichtsverzuim.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad geldt in zaken die zien op disciplinaire straffen, zoals in dit geval de gedeeltelijke inhouding van inkomen, dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet kunnen zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.
4.2.
Wat de gouverneur in hoger beroep heeft aangevoerd overtuigt niet. De Raad verenigt zich met het oordeel van het Gerecht en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Van een dienstinstructie aan [betrokkene] dat zij als administratief medewerker alleen naar de loods mag gaan om een stuk af te leveren, is niet gebleken. Bovendien blijkt uit de ter zitting overgelegde uitspraak van het Gerecht in een vergelijkbare bezwaarzaak van de collega (uitspraak van 19 februari 2024, zaaknummer AUA202202604), dat kort na het incident op 5 mei 2021 een e-mailbericht is verzonden aan factuurcontroleurs met de instructie dat zij zich niet meer naar de loods mogen begeven om goederen te bezichtigen. Weliswaar zag deze instructie niet op de administratieve krachten, waaronder [betrokkene], maar ter zitting heeft de gouverneur bevestigd dat de instructie over aanwezigheid in de loods in algemene zin is aangescherpt.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Aanleiding bestaat de gouverneur te veroordelen in de proceskosten van [betrokkene] tot een bedrag van Afl. 1.400,- (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor de zitting, Afl. 700,- per punt).
Dictum
De Raad van Beroep:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt de gouverneur in de kosten van [betrokkene] tot een bedrag van Afl. 1.400,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gewezen door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.H.M. van de Leur en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.