Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-11-15
ECLI:NL:ORBAACM:2023:64
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,376 tokens
Inleiding
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
Uitspraakdatum: 15 november 2023
Zaaknummer: AUA2023H00017
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellante],
wonend in Aruba,
appellante (hierna: [appellante]),
gemachtigde: mr. H.S. Appellante, advocaat
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 23 januari 2023, AUA202201519 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
Appellante
en
1. de Gouverneur van Aruba,
2. de minister van Toerisme en Volksgezondheid
geïntimeerden (hierna: de gouverneur en de minister)
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster.
Overwegingen
1. Voor de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak, die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:OGAACMB:2023:4. De Raad volstaat met het volgende.
1.1.
Appellante is sinds september 2008 als dierenarts werkzaam bij de Veterinaire Dienst (VD) van de directie Volksgezondheid (DVG). In verband met haar regelmatige waarneming van het hoofd VD heeft appellante vanaf half augustus 2016 de gouverneur verzocht en daarover gerappelleerd haar aan te wijzen als waarnemer en de minister verzocht om een waarnemingstoelage.
1.2.
Bij uitspraak van 13 september 2021 (AUA202003278) heeft het Gerecht, voor zover van belang, de minister opgedragen binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen ten aanzien van de aan appellante toe te kennen waarnemingstoelage.
1.3.
Appellante heeft op 4 maart 2022 bij het Gerecht een bezwaarschrift ingediend op grond van artikel 96, eerste lid, van de La.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar gegrond verklaard, de minister veroordeeld tot betaling aan appellante van een bedrag van Afl. 92.083,75 als vergoeding van de geleden materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, de gouverneur en de minister veroordeeld tot betaling aan appellante van een bedrag van Afl. 500,- als vergoeding van de geleden immateriële schade, en de gouverneur en de minister veroordeeld tot betaling van door Appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van Afl. 1.400,-. Daartoe heeft het Gerecht, voor zover van belang, het volgende overwogen. Het Gerecht heeft in de onder 1.2 genoemde uitspraak van 13 september 2021 geoordeeld dat bij de berekening van de hoogte van de waarnemingstoelage van appellante dient te worden uitgegaan van het verschil tussen de salarisschaal van appellante (schaal 13) en salarisschaal 14. Tegen deze uitspraak hebben appellante noch de gouverneur en de minister hoger beroep ingesteld, zodat dit oordeel in rechte vaststaat. Het Gerecht dient in de onderhavige zaak dan ook van dit oordeel uit te gaan.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het Gerecht voor de berekening van de materiële schadevergoeding had dienen uit te gaan van het verschil tussen haar salarisschaal (schaal 13) en schaal 16. De minister voert aan dat het Gerecht bij de berekening van de schadevergoeding terecht is uitgegaan van schaal 14.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat het Gerecht in de onder 1.2 genoemde uitspraak van 13 september 2021 reeds heeft geoordeeld dat bij de berekening van de hoogte van de waarnemingstoelage van appellante dient te worden uitgegaan van het verschil tussen de salarisschaal van appellante (schaal 13) en salarisschaal 14. Tegen deze uitspraak hebben appellante noch de gouverneur en de minister hoger beroep ingesteld, zodat dit oordeel in rechte vaststaat. Het Gerecht heeft bij de berekening van de materiële schadevergoeding daarom van dit uitgangspunt over het verschil in salaris tussen de schalen 13 en 14 mogen uitgaan.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep beoogt is in feite een voortzetting van het inhoudelijke debat over de inschaling van het hoofd VD. De procedure op grond van artikel 96 van de La leent zich daar niet voor. De keuze voor deze procedure impliceert dat de betrokkene afziet van de uitvoering van de niet-nagekomen uitspraak. Die uitspraak wordt vervangen door een schadevergoeding. Het Gerecht komt daarbij ruime vrijheid toe om, met inachtneming van alle omstandigheden, het bedrag van de schadevergoeding vast te stellen. Appellante heeft ter zitting van de Raad te kennen gegeven te hebben gekozen voor de artikel 96-procedure toen de uitvoering van de uitspraak van 13 september 2021 uitbleef. Met deze keuze heeft appellante de mogelijkheid prijsgegeven om het inhoudelijke debat voort te zetten naar aanleiding van het besluit ter uitvoering van de uitspraak van 13 september 2021.
4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.H.M. van de Leur en mr. A.P. van der Pluijm-Vrede, leden, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023 in aanwezigheid van de griffier.