Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-05-24
ECLI:NL:ORBAACM:2023:28
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,724 tokens
Inleiding
Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr)
Uitspraakdatum: 24 mei 2023
Zaaknummer: SXM2021H00133
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN SINT MAARTEN
uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellant],
wonend in Sint Maarten,
appellant,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel, advocaat
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Sint Maarten (Gerecht) van 20 september 2021, SXM202100205 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant,
en
de Gouverneur van Sint Maarten
geïntimeerde, hierna: de gouverneur,
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon, advocaat
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en om een vergoeding verzocht.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak op de zitting van 23 november 2022 behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Tijdens de zitting heeft appellant gewezen op het in hoger beroep gewezen strafvonnis van 15 november 2021 (strafvonnis). Om appellant de gelegenheid te geven de gouverneur te verzoeken zijn standpunt in deze zaak te heroverwegen gelet op het strafvonnis, heeft de Raad de zaak aangehouden.
Appellant heeft op 21 december 2022 het strafvonnis en het verzoek aan de gouverneur om heroverweging ingestuurd.
De gouverneur heeft op 26 april 2023 laten weten dat het door interne omstandigheden bij het ministerie niet lukt om – kort gezegd – te bezien of deze stukken tot een ander standpunt in deze zaak leiden.
De Raad heeft vervolgens het onderzoek in deze zaak gesloten en bepaald dat er uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
1. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer: ECLI:NL:OGEAM:2021:87. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1.
Appellant is met ingang van 1 augustus 2012 werkzaam in de functie van directeur bij de strafgevangenis en het huis van bewaring (gevangenis). In die functie is hij bij landsbesluit van 27 oktober 2014 per 1 augustus 2013 in vaste dienst benoemd. Bij landsbesluit van 11 januari 2021 (ontslagbesluit) heeft de gouverneur appellant met onmiddellijke ingang uit zijn functie ontslagen. Hierbij heeft de gouverneur verwezen naar het strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van 21 februari 2018. Bij dit vonnis heeft het gerecht bewezen geacht dat appellant zich in zijn functie van gevangenisdirecteur in verkiezingstijd (augustus 2014) schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan verkiezingsfraude en aan schending van de op hem rustende geheimhoudingsplicht. Appellant is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 160 dagen waarvan 80 dagen voorwaardelijk. Appellant heeft zich daarmee volgens de gouverneur schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Zo heeft hij met gebruikmaking van zijn functie persoonlijke gegevens van gedetineerden verstrekt aan onder meer een bevriend politicus.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Is er sprake van plichtsverzuim?
4.1.
Volgens vaste rechtspraak behoort een strafontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de gouverneur. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet kunnen zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging(en) heeft schuldig gemaakt en dat deze gedragingen als plichtsverzuim zijn aan te merken. Uit 1.1 volgt dat de aan appellant verweten gedragingen bestaan uit zowel het medeplichtig zijn aan verkiezingsfraude als het overtreden van de geheimhoudingsplicht.
4.2.
De door appellant aangevoerde grond dat zijn medeplichtigheid aan verkiezingsfraude niet is komen vast te staan, slaagt. Uit het door appellant overgelegde strafvonnis volgt dat appellant is vrijgesproken van medeplichtigheid aan verkiezingsfraude. De gouverneur heeft aan het ontslagbesluit geen gegevens op basis van eigen onderzoek ten grondslag gelegd op grond waarvan deze verweten gedraging is vast te stellen.
4.3.
Tijdens de zitting heeft de gouverneur erop gewezen dat met het strafvonnis de schending van het ambtsgeheim door appellant als ontslaggrond overeind is gebleven. De Raad begrijpt hieruit dat de gouverneur het ontslagbesluit op deze grond handhaaft. De Raad zal dan ook beoordelen of het ontslagbesluit zonder het aanvankelijk bij het ontslagbesluit betrokken plichtsverzuim van medeplichtigheid aan verkiezingsfraude in stand kan blijven.
4.3.1.
De Raad hecht daarbij allereerst betekenis aan het strafvonnis. Hierbij heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie appellant schuldig bevonden aan het in verkiezingstijd verstrekken van vertrouwelijke gegevens van de onder zijn toezicht gestelde gedetineerden aan een politicus. Voor deze schending van de geheimhoudingsplicht is appellant veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Daarbij is rekening gehouden met de niet aan appellant toe te schrijven overschrijding van de redelijke termijn in de strafrechtelijke procedure.
4.3.2.
Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is appellant verplicht tot geheimhouding van wat hem vanuit zijn ambt ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard van de zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd. Op grond van artikel 62 van de Lma is het de ambtenaar verboden misbruik te maken van wat hij in zijn ambt heeft vernomen. Appellant heeft aangevoerd dat het in verkiezingstijd gebruikelijk is dat politici de gevangenis vragen om een lijst met gegevens van stemgerechtigde gedetineerden om met hen gesprekken te voeren. Daartoe heeft appellant een drietal verklaringen overgelegd. Deze lijst wordt door de belangenvereniging van gedetineerden in de gevangenis opgehangen en is daarmee openbaar. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen heeft appellant in zijn functie van gevangenisdirecteur de beschikking over de namen en nationaliteiten van de (stemgerechtigde) gedetineerden. Deze gegevens heeft appellant, zoals hij ook heeft erkend, verstrekt aan de betrokken politicus. Het door appellant verstrekken van gegevens van de onder zijn toezicht en zorg gestelde stemgerechtigde gedetineerden aan een politicus voor verkiezingsdoeleinden is niet op één lijn te stellen met het binnen de gevangenismuren bekendmaken van een lijst met stemgerechtigde gedetineerden. Als directeur van de gevangenis had appellant niet moeten afgaan op wat in het verleden misschien gebruikelijk was, maar zich moeten realiseren dat verstrekking van persoonlijke gegevens van gedetineerden aan derden waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt, niet mogelijk is zonder toestemming van deze gedetineerden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hun toestemming daadwerkelijk heeft verkregen. Dat gedetineerden hun gegevens wel aan hun belangenvereniging in de gevangenis hebben verstrekt, maakt dat niet anders.
4.3.3.
Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat appellant de artikelen 61, eerste lid, en 62 van de Lma heeft geschonden. Appellant heeft zijn geheimhoudingsplicht geschonden en misbruik gemaakt van informatie waarover hij als gevangenisdirecteur beschikte. De gouverneur heeft dit terecht als zeer ernstig plichtsverzuim aangemerkt.
Toerekenbaar plichtsverzuim?
4.4.
Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend, bijvoorbeeld omdat sprake is van psychische klachten (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD225320, en van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895). Niet gebleken is dat appellant niet heeft kunnen inzien dat hij in zijn functie van directeur geen persoonlijke gegevens over (stemgerechtigde) gedetineerden aan derden, zoals in dit geval een politicus, mocht verstrekken. Het plichtsverzuim kan daarom aan appellant worden toegerekend.
Onvoorwaardelijk ontslag evenredig aan het plichtsverzuim?
4.5.
Uit 4.3 tot en met 4.4 volgt dat de gouverneur aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim dat aan hem kan worden toegerekend. De gouverneur was dan ook bevoegd appellant met toepassing van artikel 86, eerste lid, van de Lma een disciplinaire straf op te leggen. Appellant heeft aangevoerd dat de gouverneur door hem onvoorwaardelijk te ontslaan in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Het ontslag is volgens appellant niet evenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Daarover wordt het volgende overwogen.
4.5.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij cassatie heeft ingesteld tegen het strafvonnis.
Conclusie
5. De slotsom is dat de gouverneur van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken om appellant te ontslaan. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en gelet op 4.2 met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.
6. Voor een redelijke vergoeding bij het in stand laten van het ontslagbesluit, zoals appellant heeft verzocht, bestaat geen grondslag.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.P. van der Pluijm-Vrede en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023 in aanwezigheid van de griffier.