Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-03-01
ECLI:NL:ORBAACM:2023:22
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,740 tokens
Inleiding
Uitspraakdatum: 1 maart 2023
Zaaknummer: AUA2022H00036
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
appellant,
gemachtigden: mrs. A.F.J. Caster en Y.F.M. Kaarsbaan, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 7 februari 2022, GAZA nr. AUA202100728 (ECLI:NL:OGAACMB:2022:18; aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
[Geïntimeerde],
wonend in Aruba,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,
en
appellant.
Procesverloop
Bij landsbesluit van 17 februari 2021 (Landsbesluit) heeft appellant besloten geïntimeerde met ingang van 1 juli 2020 te bevorderen naar de rang van adjunct-commies, schaal 6.
Geïntimeerde heeft tegen het Landsbesluit bezwaar gemaakt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht dat bezwaar gegrond verklaard. Het heeft het Landsbesluit nietig verklaard, het heeft appellant opgedragen opnieuw te beslissen over de bevordering van geïntimeerde en het heeft appellant veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2023, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Geïntimeerde is in persoon verschenen, met bijstand van haar gemachtigde.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Geïntimeerde is vanaf 2003 werkzaam bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGWA). Met ingang van 1 oktober 2015 is zij in haar functie van medewerker arbeid, die maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 7, bevorderd naar de rang van hoofdklerk, schaal 5.
1.2.
Na een goede beoordeling door haar leidinggevende heeft de directeur van de DGWA het voorstel gedaan geïntimeerde te bevorderen naar de rang van adjunct-commies, schaal 6, met ingang van 1 april 2020. Hij had het bevorderingsmoment, waarvoor 1 oktober 2019 als eerste datum in aanmerking kwam, opgeschoven met zeven maanden vanwege de hoge ziektestaat van geïntimeerde.
1.3.
Het Departamento Recurso Humano (DRH) heeft het advies gegeven het bevorderingsmoment met nog twee maanden op te schuiven omdat er in de periode 1 oktober 2019 tot 1 mei 2020 nog weer een grote periode van non-activiteit was geweest.
1.4.
Bij het Landsbesluit is geïntimeerde overeenkomstig het DRH-advies bevorderd naar de rang van adjunct-commies, schaal 6 (dienstjaar 11), met ingang van 1 juli 2020. Overwogen is dat geïntimeerde “gedurende de beoordelingsperiode (anciënniteit) van 1 oktober 2015 tot 1 oktober 2019, 198 dagen arbeidsongeschikt was’ en dat verder was gebleken dat zij gedurende de periode van 1 oktober 2019 tot 1 mei 2020 in totaal 60 dagen arbeidsongeschikt was. Concluderend is overwogen “dat geen oordeel over genoemde periode kan worden gegeven omtrent het functioneren van betrokkene” zodat er aanleiding is de ingangsdatum van de bevordering te verschuiven met negen maanden.
In een beslissing van appellant van eveneens 17 februari 2021 (Beslissing) is de afwijzing van het verzoek om eerdere bevordering nader gemotiveerd. Zo is weergegeven dat geïntimeerde ‘gedurende de anciënniteitsperiode (beoordelingsperiode) van 1 oktober 2015 tot 1 oktober 2019’ per periode van 12 maanden achtereenvolgens 19, 33, 73 en 73 dagen arbeidsongeschikt was.
1.5.
Geïntimeerde heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing in het Landsbesluit om de ingangsdatum van haar bevordering te vertragen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar gegrond verklaard. Het heeft daartoe eerst het wettelijk kader weergegeven betreffende een bevordering als waarvan hier sprake is. Gewezen is op artikel 4, eerste lid, van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (BrA 1986) en de daarop gebaseerde Bijlage B waarin de bevorderingseisen zijn opgenomen. Voor bevordering naar de rang van adjunct-commies is vereist dat de ambtenaar een functie bekleedt welke een waardering op het niveau van adjunct-commies rechtvaardigt en voorts dat betrokkene ‘reeds ten minste vier jaar dienst in de rang van hoofdklerk moet hebben volbracht’.
In het tweede lid van artikel 4 van de BrA 1986 is bepaald dat de betrokkene, om in aanmerking te kunnen komen voor een bevordering, aan de in het eerste lid bedoelde eisen dient te voldoen en voorts dient hij ‘voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht’.
2.1.
Het Gerecht heeft overwogen dat de bevoegdheid van appellant om een ambtenaar te bevorderen discretionair van karakter is. De toetsing van een bevorderingsbesluit door de rechter is daarom terughoudend.
2.2.
Het Gerecht heeft verder overwogen dat appellant stelt dat hij een vaste gedragslijn hanteert die hem de bevoegdheid geeft om een bevordering op te schuiven in geval sprake is van een arbeidsongeschiktheid gedurende een periode van drie maanden of meer in de beoordelingsperiode omdat over die periode geen oordeel gegeven kan worden over het functioneren van geïntimeerde. Van een kenbare gedragslijn is het Gerecht echter niet gebleken.
2.3.
Dat neemt naar het oordeel van het Gerecht echter niet weg dat appellant aan de in artikel 4 van de BrA 1986 vervatte beoordelingseis de redelijke uitleg kan geven dat bij een periode van langdurige inactiviteit in een beoordelingsperiode geen oordeel kan worden gegeven over het functioneren. Wel moet de rechter toetsen of appellant deze uitleg correct en consistent toepast.
2.4.
Daarvan is naar het oordeel van het Gerecht in dit geval geen sprake. Er is voldaan aan de anciënniteitseis van vier jaar in de functie van hoofdklerk en er staat vast dat de leidinggevende ondanks een inactiviteit van geïntimeerde van 6 maanden en 18 dagen haar positief heeft beoordeeld. Het Gerecht acht het zonder een nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom geïntimeerde moet worden geacht op 1 oktober 2019 nog niet over een gunstige beoordeling te kunnen beschikken waardoor zij niet per die datum bevorderd kan worden.
2.5.
Het Gerecht acht het bezwaar tegen het Landsbesluit daarom gegrond, heeft dat besluit nietig verklaard en heeft aan appellant de opdracht gegeven binnen twee maanden een nieuwe beslissing te nemen op het verzoek om bevordering van geïntimeerde, met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen. Tot slot heeft het Gerecht appellant veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde tot een bedrag van Afl. 1.400,00.
3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak wat betreft de ingangsdatum van de bevordering bestreden. In het bijzonder wordt aangevoerd dat het nimmer de bedoeling kan zijn dat bij een beoordeling in het kader van een bevordering een non-actieve periode door arbeidsongeschiktheid in een beoordelingsperiode achterwege wordt gelaten.
3.1.
Appellant stelt dat de vaste gedragslijn weliswaar nog niet is vastgelegd maar wel gebruikt kan worden bij de uitleg van de beoordelingseis en de anciënniteitseis. In ieder geval wordt deze uitleg consistent toegepast bij vertraging van de beoordeling door inactieve dienst bij een periode van meer dan 90 dagen. Geïntimeerde is in de hier relevante periode 6 maanden en 18 dagen (ongeveer 14%) arbeidsongeschikt geweest. Appellant heeft zich daarom dus redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat op 1 oktober 2019 nog geen oordeel gevormd kon worden over het functioneren van geïntimeerde gedurende de gehele beoordelingsperiode.
4. Geïntimeerde heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Hij heeft gesteld dat de door appellant gehanteerde gedragslijn in strijd is met het wettelijk systeem, in het bijzonder de artikelen 15 en 16 van de Lma betreffende het vaststellen van regels over het beoordelen van ambtenaren, respectievelijk over procedurele rechten van hen in dat kader.
4.1.
Geïntimeerde heeft verder gewezen op enkele uitspraken van het Gerecht waarbij het volbrengen van (actieve) diensttijd een rol speelde en waarin er niet (zonder meer) ruimte werd gelaten voor het buiten beschouwing laten van periodes waarin geen dienst was verricht. Het ging daarbij om de beperkte uitzondering op de geldige diensttijd bij de toepassing van artikel 21 van de Lma en om artikel 31 van de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda), in samenhang met de artikelen 36 en 37 van die verordening.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1.
In zijn uitspraak van 1 december 2021 (ECLI:NL:ORBAAMC:2021:81) heeft de Raad uitgesproken dat appellant op basis van een redelijke uitleg van het wettelijk kader zoals het Gerecht dat ook in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven en in het bijzonder van de daarbij behorende beoordelingseis en anciënniteitseis, de bevoegdheid heeft om het moment van bevorderen op te schuiven. De Raad heeft als een redelijke uitleg aanvaard dat een langdurige afwezigheid door arbeidsongeschiktheid de beoordeling van het functioneren van een ambtenaar niet goed mogelijk heeft gemaakt.
Dictum
De Raad van Beroep:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het bezwaar gegrond verklaard is en het Landsbesluit nietig verklaard is en appellant is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten;
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aan appellant de opdracht is gegeven opnieuw op het verzoek om bevordering te beslissen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;
draagt appellant op om binnen twee maanden na de datum van de uitspraak van de Raad een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in zijn uitspraak heeft overwogen;
veroordeelt appellant in de proceskosten van geïntimeerde in hoger beroep tot een bedrag van Afl. 1.400,00 (veertienhonderd Arubaanse guldens).
Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. A.H.M. van de Leur, leden, en is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.